Gehoorzaam aan de Heilige Schrift, staande op den bodem der belijdenisgeschriften
Weekblad van de Hervormde Kerk, dd. 15 Februari 1947, door dr. T. Dokter.
Gevraagd wordt onze meening over dit artikel in De Waarheidsvriend bekend te willen maken.
Reeds hebben wij op een enkel punt gewezen (zie Waarheidsvriend dd. 6 Maart '47), maar wij willen gaarne aan het verzoek voldoen.
Er staat veel in dit artikel, dat zoo op het eerste gezicht wèl aandoet. Desondanks hebben wij verschillende streepjes aan den rand geplaatst, waar de tekst de vraag doet opkomen, waarom de schrijver zich zoo uitdrukt, wie hij eigenlijk bestrijdt en wat hij eigenlijk bedoelt.
Enkele voorbeelden :
In kolom 1 (blz. 1) : „Deze gehoorzaamheid is zeker niet gehoorzaamheid aan zedelijke normen of redelijke inzichten".
Wat is het dan wel ?
De schrijver wijst op de reformatorische belijdenis van de rechtvaardiging door het geloof, zonder de werken der wet.
Gehoorzaamheid aan de Heilige Schrift zou dus beteekenen : sola fide belijden zonder de werken.
Gehoorzaamheid aan de Heilige Schrift is waken over het geloof als genade gave.
Inderdaad is de zuiverhouding der leer ook een stuk der gehoorzaamhteid des geloofs en gehoorzaamheid des geloofs is altoos gehoorzaamheid aan de Heilige Schrift.
Deze laatste toch is volgens reformatorische belijdenis regel en richtsnoer des geloofs. (Art. V, Ned. Geloofsbelijdenis).
Maar dit stuk der gehoorzaamheid wordt door den schrijver van het artikel nadrukkelijk niet, althans niet in de eerste plaats, bedoeld. Hij wil immers geen gehoorzaamheid aan zedelijke normen en redelijke inzichten.
Alsof het sola fide (en niet uit de werken) ook geen leer ware, zelfs bij uitstek reformatorische leer tegenover het Pelagianisme en de werkheiligheid van het Pausdom.
En wij vragen : „Wat gehoorzaamheid kan van den mensch anders geëischt worden dan een gehoorzaamheid overeenkomstig de van God gegeven normen en in de relatiën, waarvan wij weet hebben. (Om niet van redelijke inzichten te praten, hoewel weet hebben daarvan nimmer gescheiden kan worden, zooals gehoorzaamheid nimmer van normen kan worden losgemaakt).
Mogelijk zal de schrijver opmerken, dat hij een persoonlijke relatie tot God op het oog heeft. Gehoorzaamheid als persoonlijke betrekking.
Dat is volkomen juist, maar ook dan kan die gehoorzaamheid alleen worden gerealizeerd in.de door den schrijver afgewezen normen en vormen.
Men spreekt dus zoo eigenaardig negatief, omdat men wat anders wil dan de reformatie. Want deze verstaat zonder twijfel — en dat kan men van Calvijn voortdurend leeren — gehoorzaamheid als een onderwerping aan den souvereinen Wil Gods en daarom allereerst de genegenheid om dien Wil Gods uit Zijn Woord te leeren kennen en in het geloof te betrachten in de levensverhoudingen, waaronder wij bestaan.
Zoo waarachtig de kerk God als den almachtigen Schepper van hemel en aarde belijdt, zoo waarachtig belijdt zij ook, dat Hij aan alle schepsel wezen en gestalte heeft gegeven naar Zijn welbehagen. Reeds daarin is alzoo uitdrukking van Zijn Wil.
Den mensch is bovendien gegeven daarvan door ervaring en openbaring weet te hebben en den Wil Gods aangaande den mensch te kennen voor zooveel hem door Woord en Geest wordt geopenbaard. Hoe anders kan hij deze dingen verstaan dan in de gestalten, waarin God ze te kennen geeft en hoe zal hij Gode gehoorzaamheid brengen of die betrachten dan in erkenning van de normen, door dien Wil Gods gesteld ?
De mensch kan de normen, door God gesteld, niet verachten, zonder tot goddeloosheid te vervallen, gelijk hij in goddeloosheid gevallen is. En wie met deze Bijbelsche leer geen ernst maakt, maakt zich zelf een andere leer, die verwerpelijk is, omdat zij den vasten grondslag van de Bijbelsche werkelijkheid mist.
De. nieuwe theologie is zeer bevreesd voor wettischen godsdienst en voor een wettische opvatting van de Heilige Schrift. Dit gevaar is er ook, doch wij achten dat bij lange na niet zoo ernstig als een vrijheid te leeren en te bevorderen, die de teugels van het Evangelie laat vieren.
Als schepselen Gods zijn wij gebonden aan de goddelijke ordeningen, het schepsel gezet. Wij kunnen ons daarvan niet losmaken en wij kunnen die ordeningen ook niet straffeloos veronachtzamen.
De hemelsche werkelijkheid is hier niet en geen menschelijke cultuur zal bij machte zijn de idealen van een gelukstaat op aarde te verwezenlijken. Dit echter neemt niet weg, dat door de genade Gods hier op aarde nog een samenleving mogelijk is en dat wij schuldig zijn de geboden Gods in erkentenis te houden.
In kolom 2.
Daar gaat het over het onderscheid in het geopenbaarde en het geschreven Woord Gods (de Heilige Schrift). Ook spreekt de schrijver van een onderscheid tusschen het geopenbaarde en het verkondigde Woord. Hij zou met Earth het geschreven Woord de derde gestalte van het Woord Gods willen noemen.
Dan gaat de schrijver als volgt verder : „Het aan de profeten en apostelen geopenbaarde Woord Gods komt tot ons in de gedaante der Heilige Schrift". Dat klinkt inderdaad orthodox.
Dan wordt het weer heel onduidelijk : „Wij ontvangen niet de onmiddellijke openbaring, wij hooren het Woord Gods niet door het mondeling getuigenis van profeten en apostelen; zij (lees wij) kennen dit getuigenis, zooals het is te boek gesteld in de Heilige Schrift".
Welk een vreemde wending ! Alsof degenen, die het mondeling getuigenis van profeten en apostelen gehoord hebben, niet evenzeer als wij, die hun te boek gestelde getuigenis lezen of hooren verkondigen, de openbaring middellijk ontvingen.
Wat onderscheid kan het voor Corinthe maken, Paulus' getuigenis vernomen te hebben uit zijn mond of uit zijn brieven ?
Om alle misverstand te voorkomen : Wat onderscheid kan er in zijn : Gods Woord door het mondeling getuigenis van den apostel te vernemen, dan wel door zijn schriftelijk getuigenis ?
Gods Woord, dat tot de profeten kwam en door de profeten tot het volk, blijft Gods Woord, ook als het als het geschreven Woord tot ons komt, zelfs al werd het bij het overschrijven en vertalen hier en daar verminkt. Het blijft Gods Woord.
Wij maken onderscheid tusschen het openbarende en het geopenbaarde Woord. En wij onderscheiden ook het geschreven Woord Gods van papier en inkt.
Dat geschreven Woord Gods wordt door Christus genoemd als Gods Woord : „Er staat geschreven". Het wordt door de apostelen als zoodanig geëerd en door de kerk der eeuwen beleden. Reeds verscheidene malen hebben wij er op gewezen, dat de nieuwe theologie op dit punt beschouwingen huldigt, die daarmede breken.
Daarom treft ons de uitdrukking van dr. Dokter, als hij het over de formule van den titel (zie boven) heeft en opmerkt : „Er is in de formule geen sprake van het geopenbaarde of gesproken Woord van God, maar van de Heilige Schrift".
Daarin ligt toch een welbewuste afwijking van de reformatoren en van het reformatorisch belijden. Immers de kerk der reformatie belijdt, dat de Heilige Schrift een goddelijke Schriftuur is.
Indien nu de Heilige Schrift niet Gods geopenbaarde of gesproken Woord is, zoo vragen wij, wie ter wereld kan dan gehoorzaamheid eischen aan zulk een Schrift ?
Immers niemand ?
Een dergelijke opmerking als van den schrijver kan alleen maar zin hebben, indien men bedoelt : gehoorzaamheid aan de Heilige Schrift, voor zoover men die als Gods Woord erkent.
Zij kan niet anders bedoeld zijn dan als een tegemoetkoming aan hen, die de formule niet orthodox willen verstaan en de belijdenis der kerk aangaande de Heilige Schrift naar eigen inzicht veranderen.
Zoo keert zich deze redeneering tegen den schrijver zelf, die zooeven gehoorzaamheid aan redelijke inzichten heeft verwerpen. Wat anders wordt hier ondersteld dan een gehoorzaamheid, die afhankelijk is van een redelijk inzicht, om niet te zeggen van een speculatief inzicht in wat men voor openbaring houdt?
En dat tegen het reformatorisch belijden in, hetwelk een beroep doet op het getuigenis van den Heiligen Geest in onze harten.
Met dat belijden staat de nieuwe theologie op gespannen voet, ondanks den schijn van orthodoxie, als er over dat getuigenis wordt gesproken.
Luister !
„Tot de kennis van Gods Woord staat ons geen andere weg open, dan het hooren van het Woord der Schrift, dat de Kerk verkondigt". (Kol. 2, tweede alinea v.o.).
Merk op, hoe hier de kerk op een wijze wordt tusschen geschoven, die on-protestantsch is en Roomsch aandoet, maar ook gansch en al onschriftuurlijk is.
De verkondiging der kerk krijgt hier een accent, als ware de kerk de onfeilbare, die ons door het geschreven Woord het Woord Gods doet verstaan. Natuurlijk ! Als men aan de Heilige Schrift het goddelijk gezag ontzegt, moet men een beroep doen op een ander gezag. Dat andere gezag wordt schijnbaar teruggbracht op het openbarende Woord of op het getuigenis des Heiligen Geestes, maar niet zonder bemiddeling van de kerk.
Strikt genomen moet daaruit volgen, dat men buiten de kerk niet tot kennis der Waarheid kan komen. Individuëele Schriftlezing, het persoonlijk in aanraking komen met de Heilige Schrift, zou in dien gedachtengang niet tot ontdekking en verstaan van Gods Woord kunnen leiden.
Men zou de Heilige Schrift bepaaldelijk moeten hooren in de verkondiging der kerk. Een andere weg zou er niet zijn.
En dat zijn dan de menschen, die haastig bereid zijn om de orthodoxie te beschuldigen van leergeloof en confessionalisme. Zij bestaan het om het waarachtig protestantisme te berooven van zijn eenig fundament der Waarheid.
Ook de leer der kerk kan dwalen, zooals wij in de kerk der middeleeuwen kunnen opmerken. Als de verkondiging maatstaf wordt, gaat de kerk heerschappij voeren over de Heilige Schrift. De euvelen, die men aan de orthodoxen toeschrijft, komen dan eerst recht te voorschijn.
Tevergeefs beroept men zich ook op het licht van den Heiligen Geest. Want het is niet zóó, dat de Heilige Geest uit maakt, wat in den Bijbel al of niet Gods openbaring is, maar door het Woord wordt ons bevestigd, of wij door Gods Geest of door een dwaalgeest worden geleid.
Voor ditmaal laten wij het hierbij. Een volgenden keer hopen wij verder te gaan.
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van donderdag 13 maart 1947
De Waarheidsvriend | 6 Pagina's
Bekijk de hele uitgave van donderdag 13 maart 1947
De Waarheidsvriend | 6 Pagina's