De Waarheidsvriend cookies

Voor optimale prestaties van de website gebruiken wij cookies. Overeenstemmig met de EU GDPR kunt u kiezen welke cookies u wilt toestaan.

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies zijn verplicht om de basisfunctionaliteit van De Waarheidsvriend te kunnen gebruiken.

Optionele cookies

Onderstaande cookies zijn optioneel, maar verbeteren uw ervaring van De Waarheidsvriend.

Bekijk het origineel

Meditatie

Bekijk het origineel

+ Meer informatie

Meditatie

TWEE WEGEN

6 minuten leestijd

Nu is mijn ziel ontroerd; en wat zal ik zeggen ? Vader, verlos mij uit deze ure! Maar hierom ben ik in deze ure gekomen. Jokannes 12 vs. 27

Dit woord vormt wel een machtige tegenstelling met datgene wat leeft in de harten van hen, die getuigen zijn geweest van het wonder dat Jezus verricht heeft door de opwekking van Lazarus uit den dood en hetgeen er thans omgaat in Jezus' eigen hart.

Bij de eersten is er uitbundige vreugde. De Farizeën zien met verbeten woede toe, hoe al het volk Hem naloopt. De geestdrift onder het volk stijgt dan ook ten top, als Jezus plaats neemt op het veulen eener ezelin om Zijn intocht te houden te Jeruzalem. Palmtakken en meien trekken ze van de boomen om Hem er mee tegen te wuiven. Het is één en al geestdrift. Alles juicht.

De discipelen denken : Nu gaat het goed. Het zal gaan van heerlijkheid tot heerlijkheid.

Hij zal bezit nemen van den troon van David en Zijn koninkrijk, oprichten in Israël.

En die uitbundige vreugde Wordt nog verhoogd als ze hooren dat er vreemdelingen zijn gekomen in Jeruzalem, die hun begeerte te kennen geven, dat ze Jezus wel willen zien. En die vreemdelingen zijn nog wel Grieken. Niet alleen stroomen de Israëlieten toe, maar ook die vreemdelingen komen mee. Dat zal de eer van Koning Jezus nog verhoogen.

Allen moeten Hem toch als hun Koning huldigen. En wat doet Jezus temidden van al dat eerbetoon ? Is er in zijn hart ook vreugde ? Neen, want Hij kent de harten. Hij weet, wat er in hen omgaat. Hij weet, hoe de menigte slechts een aardsch vorst in Hem ziet, hoe het hun enkel en alleen te doen is om aardsche glorie.

Hij weet, dat de ure wel is gekomen dat de Zoon des menschen zal verheerlijkt worden, maar anders dan die verblinde schare meent en hoopt. Het zal niet zijn de weg van aardsche heerlijkheid. Jezus ziet een andere weg ontsloten, de weg, die door nameloos lijden tot een hoogere heerlijkheid zal voeren, de weg, die leidt door Gethsémané over Golgotha, de weg van smart, bloed en tranen.

Twee wegen dus. Een weg, waar al het volk Hem toejuicht, een weg, waar de uitgetrokken en uitgespreide kleederen voor Zijn voeten Hem lokken, een weg, waar niet alleen Joden, maar ook Grieken Hem hulde brengen. En die andere weg, waar Zijn discipelen Hem zelfs zullen verlaten, waar al de menigte des volks zich tegen Hem zal keeren waar, die schare, die nu nog juicht : „Hosanna, den Zone Davids", met schorre stem zal roepen : „Kruist Hem, weg met Hem !"

Op den eenen weg : Gezegend ! Op den anderen weg : Gevloekt !

De eene weg, die voert naar een troon, die menschen voor Hem willen oprichten, en de andere weg, die leidt naar het kruis, naar het graf, naar den dood. En hoewel Hij gewillig en vrijwillig den voet zet op dien smarteweg, toch vervult het Hem met ontroering. Want Jezus was ook waarachtig mensch. Hij droeg onze menschelijke natuur, niet geschapen om te lijden, maar geschapen tot heerlijkheid. Daarom huivert Hij, als Hij denkt aan dat huiverend pad der smart. Op dien donkeren weg zal al de straf der zonde op Zijn onschuldig hoofd worden saamgeperst. Vandaar, dat Zijn ziel ontroerd is. Gelijk Hij straks in Gethsémané het zal uitroepen : „Mijn ziel is geheel bedroefd tot den dood toe".

Tot den uitersten weedom wordt Zijn hart geprangd.

En in de ontroering Zijner ziel wendt Hij Zijn blik naar boven en zegt : „Wat zal Ik zeggen ? Vader, verlos Mij uit deze ure ?" Zal Hij vragen om voort te gaan op den weg, waarop Hij de toejuichingen van menschen zal ontvangen ?

Neen, dat zal en mag Hij niet doen, want hierom is Hij in deze ure gekomen, n.l. om de Zijnen te verlossen. Als Hij uit deze ure verlost wordt, dan zullen ijdel blijken te zijn de verwachtingen van allen die op Hem gehoopt hebben. Dan zal de schuld niet worden verzoend, de straf niet worden gedragen, het rantsoen niet worden betaald, dan zal de hemelpoort gesloten blijven en heeft de hel het gewonnen. Neen, Hij heeft het niet gevraagd, al kostte het Hem den dood, al moest Hij al de smarten van Gethsémané, Gabbatha en Golgotha doorwaden. Hij heeft den voet vrijwillig op dien smarteweg gezet. Niets heeft Hem weerhouden om den weg des doods te betreden, opdat Hij daardoor voor zondaren het leven zou verwerven.

Den weg van aardschen roem en heerlijkheid heeft Hij afgewezen en het pad der smarten betreden, opdat degenen, die droefheid kennen naar God, zouden vertroost worden.

Neen, de weg, die leidt naar de eenige troost, is geen weg van eer en roem, van aardsche glorie. Velen willen daarom van dien lijdenden Jezus niet weten, ergeren zich aan Hem en halen de schouders op als ze hooren van dien lijdensweg. Het is hun slechts te doen om aardsch gewin en aardsche heerlijkheid. Zij meenen, wanneer ze dat maar bezitten, zij de gelukkigste menschen zijn, die er te vinden zijn. Doch hoe arm zijn dezulken. Want al deze uiterlijke glans verdwijnt.

Een leven van eer en roem moge veel voor hebben boven een leven van smaad en hoon, maar alleen het einde van dat laatste zal eenmaal de heerlijkheid doen beërven. Wie geen andere heerlijkheid gekend heeft dan die van deze wereld, diens weg zal vergaan en uitloopen op eeuwige schande.

In Christus echter is een andere en hoogere heerlijkheid te vinden. Laat Zijn weg dan hier een weg zijn, waarop geen menschengunst te vinden is, waar vijandschap der wereld omringt, laat die weg hier een drukweg zijn, deze is toch de ware geluksweg. Er is geen andere naam, maar ook geen andere weg, waardoor zondaren zalig worden. Hij betrad gewillig dien lijdensweg, opdat Hij daardoor de genade verwerven zou om geheel het hart, lot en weg aan Hem toe te vertrouwen. Hij heeft al de benauwdheid van die bange ure willen aanvaarden, opdat bezwaarden van hart zouden opgebeurd worden. Gaat dan aan Hem niet voorbij, want dan mist ge het allernoodzakelijkste voor dit en het toekomende leven.

Ziet hier Zijn bereidwilligheid, waarmee Hij zich overgeeft in den smadelijken dood, opdat er daardoor gerechtigheid zou te vinden zijn en heerlijkheid, een heerlijkheid, die, wanneer eenmaal de ure des doods komt, zich ten volle zal openbaren aan allen, die het geleerd hebben door Zijn genade, die Hij in dezen weg verworven heeft, eigen leven te verliezen.

(Benthuizen)

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van donderdag 13 maart 1947

De Waarheidsvriend | 6 Pagina's

Meditatie

Bekijk de hele uitgave van donderdag 13 maart 1947

De Waarheidsvriend | 6 Pagina's