Meditatie
De werkelijkheid van den dood en van het Leven
Hebreen 9 vs. 27 en 28. En gelijk het den menschen gezet is; éénmaal te sterven, en daarna het oordeel; alzoo ook Christus, éénmaal geofferd zijnde om veler zonden weg te nemen, zal ten anderen male zonder zonde gezien worden van degenen, die Hem verwachten tot zaligheid.
Wanneer ik een begrafenisstoet voorbij zie gaan — zwarte mannen, zwarte wagens, zwarte paarden en een zeer somber klokgelui, kan ik dan zien en hooren aan al dat donkere en trieste, wat de beteekenis is van den dood ? Neen, aan een begrafenisstoet kan ik dat niet zien. De zin van het sterven kan ik alleen ontdekken, wanneer ik bij die „ter aarde bestelling" Gods Woord open doe en daarnaar luister. Daarom mede is de Heilige Schrift in onze sterfhuizen. De buitenchristelijke mensch raadt alleen maar naar de beteekenis van den dood en de ontkerstende christen is van de werkelijkheid, die God over het sterven zegt, vervallen in zijn eigen fantasieën.
Alleen wat God over den dood zegt is waar!, en zoolang wij „hier" zijn, zullen wij het in deze geweldige zaak van „hooren zeggen" moeten hebben.
De Schrift spreekt op vele plaatsen over den dood, en op zeer veel van die plaatsen mogen wij „iets" te weten komen over de zin van ons eigen sterven, doch op één plaats wordt voor onze oogen de volledige dood tentoongesteld, het sterven in zijn volle doorwerking — en dat is op Golgotha, de dood van onzen Heere Jezus Christus ; „De volledige dood" —-want toen de Gekruisigde stierf, is dat niet geweest een zacht en kalm ontslapen en wegglijden uit dit leven, maar op den kruisheuvel heeft de middelste kruiseling den completen dood in het aangezicht gezien en heeft Hij alle verschrikkingen van het sterven ondergaan, heeft den dood in zijn uiterste consequentie's over zich heen gehad, — „der verdoemenis zelve onderworpen" — Christus heeft verdoemd willen zijn. En dit is nu de dood, die God eischt, niet alleen de begrafenisstoet, niet alleen de uiterst moeilijke momenten van het „verscheiden", maar in dit alles en achter dit alles, de dood, als totale uitwerking van den vloek, welken dood wij in deze lijdensweken immers gestorven zien worden aan het vloekhout. Deze dood heeft God op de zonde gezet; want toen Hij eens sprak : ten dage als gij daarvan eet, zult gij den dood sterven, toen bedoelde Hij daar inderdaad mee, deze volledige dood, de dood „tot en met de hel".
„Ten dage als gij daarvan eet" — dat beteekent : ten dage als gij zondigt, zult gij den dood sterven. En hiermee staat het nu klaar voor onze oogen, dat onze zonden alleen maar uitgeboet kunnen worden er onze ongerechtigheden alleen maar verzoend zijn, wanneer deze dood er komt. En hier gaapt dus achter die zwarte mannen en achter de rouwkoets, de diepe, vreeselijke afgrond, die de werkelijke zin is van den dood van ons, — zondaren. Dat is het wat wij van God toegezegd hebben gekregen en wat werkelijkheid is, vandaag!
„Werkelijkheid is", maar geen aanvaarde werkelijkheid is, want wij schuiven dezen dood afwerend weg, voeren tegenover dezen dood een struisvogelpolitiek, doen heel vaak, of het zoo erg niet is. En daarom is het zoo heel goed dat het lijdensevangelie ons ook een keer gegeven wordt in de vorm van Hebr. 9 vs. 27 en 28 ; dat n.l. aan die woorden „Christus, éénmaal geofferd zijnde" (waarin het gansdie lijdensevangelie ligt opgesloten), dat kleine inleidende zinnetje vooraf gaat: „gelijk het den menschen gezet is éénmaal te sterven en daarna het oordeel". Wij worden in de lijdensweken van aangezicht tot aangezicht met het Kruis geplaatst — wij hooren de hamerslagen, zien de kruisiging, trachten iets te bevroeden van wat Jezus naar lichaam èn ziel geleden heeft, wij aanschouwen de kleederenverdeeling, beleven de duisternis, hooren door alles heen de kruiswoorden, maar wij moeten met dit alles inkeeren, wij moeten met dezen dood van Christus inkeeren tot onszelf, opdat wij vanuit het kruis, waar de volledige dood gestorven is, onze eigen ellende zien, onze eigen verdoemenis — opdat wij achter die schijnbaar heel nuchtere constateering van een feit: „gelijk het ons gezet is, eenmaal te sterven", deze gruwelijke werkelijkheid achter onzen eigen dood zien liggen, en wij in deze lijdensweken door den H. Geest, die in de Gemeente wonen wil, uit het Kruis aangaande onzen eigen dood onderwezen, met onzen dood weer naar datzelfde Kruis terugvluchten.
Want dan verkondigt ons Hebreen 9 : 28, dat die vreeselijke dood, die de Heere Jezus gestorven is „offer" heet, dat beteekent dat in Hebreen 9 : 28 dit volledige lijdensevangelie staat, dat de „onzer een" gewordene gezegd heeft : deze dood, die God eischt, deze dood die de verzoening is voor de zonden wil Ik overnemen en ondergaan, daarvoor wil Ik mijzelf offeren, daarvoor wil Ik Mijn bloed geven.
En hiermee is midden op deze wereld, die vol is van zondaren die met hun overtredingen dien dood zelf hebben binnengehaald, door den Vader, die Zijn Zoon gezonden heeft, de eenige mogelijkheid gesteld, de eenige lichtende opening dat menschen, „wien het gezet is eenmaal te sterven", toch in dezen dood niet ondergaan.
Golgotha wordt ons in dezen lijdenstijd voorgehouden, opdat wij daaruit de vreeselijkheid van onzen eigen dood verstaan — tegelijk wordt Golgotha ons voorgehouden, opdat wij de verschrikking van dezen dood kwijt raken. Dat moet, dat mag de blijde klank zijn die doorklinkt in de doodsklok die straks over onze begrafenis luidt, wanneer die zwarte mannen en die zwarte rouwkoets, deze wereld wegbrengen.
Hoe moet dat, en hoe mag dat? Door den weg van waarachtige bekeering en geloof!
Daarom wordt ons in Hebreen 9 : 27 en 28 nog één woordje nadrukkelijk voorgespeld — het woordje éénmaal. Er staat niet : gelijk het den menschen nu eenmaal gezet is te sterven, maar er staat : „gelijk het den menschen gezet is éénmaal te sterven". Wij kunnen dien dood niet over doen, juist niet als hij mislukt tot in de eeuwige veroordeeling. En dit moet ons, in het licht van den vloekdood, v/el tot een ontzaglijk ernstige bezinning manen op onzen eigen dood. Dit is vermaning tot een geweldig stuk waarachtige bekeering!
Maar er staat ook dat Christus éénmaal geofferd is ; dit beteekent dat ook Golgotha nooit en te nimmer overgedaan zal worden, maar dan, omdat Golgotha niet overgedaan behoeft te worden, omdat deze plaatsvervangende vloekdood, voldoende is tot vergeving der zonden, overrijk, overvloeiende van genade voor een „verdoemenis waardigen" zondaar, die ik ben.
Dit is de ruimste noodiging tot een waarachtig geloof!
(Herkingen)
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van donderdag 20 maart 1947
De Waarheidsvriend | 6 Pagina's
Bekijk de hele uitgave van donderdag 20 maart 1947
De Waarheidsvriend | 6 Pagina's