Kerklied, Synode, Eenheidskerk
Er is al een- en andermaal over (de) Gezangen en het gebruik er van in dit blad geschreven. Het heeft geen zin, wat reeds gezegd werd, te herhalen. Maar wel om er de aandacht op te vestigen, dat wiJ ook deze zaak niet los kunnen maken van de kerkeLtJke ellende uit vroeger en later tijd. Ik bedoel dat niet te kerkrechtelijk. Men heeft van dit laatste een voorbeeld in de houding der oud-confessioneele richting, die ruimschoots van den Gezangenbundel van 1805 gebruik maakte, maar den Vervolgbundel van 1866 zonder meer verwierp en onaangeroerd liet, enkel omdat de laatste (n.l. door de Algem. Synode van 1816) onwettig tot stand gekomen heette te zijn, terwijl daarin toch veel betere en klassieke liederen voorkwamen. Latere confessioneelen zijn goeddeels aan dit principe ontrouw geworden, wellicht omdat men gevoelde, dat een kerkrechtelijk bezwaar niet alles kan zijn, en het ook met den bundel van 1805 kerkrechtelijk niet in orde was. Er was toen geen Generale en ook geen Algemeene Synode (als 11 jaar later), maar de Prov. Synoden voerden ieder op zichzelf den bundel in, en nog wel met dwang.
Het is zeer merkwaardig, dat wijlen prof. dr. S. D. van Veen, zelf vurig voorstander der Gezangen, in zijn boek „Eene eeuw van worsteling", 1904; blz. 537, het volgende aanteekent (het ging over ds. H. P. Scholte, te Doeveren en Genderen) : „Ook weigerde hij de Evangelische Gezangen te laten zingen, daar hij meende hiertoe niet door een kerkelijke wet verplicht te zijn". Volkomen juist. Onder de vroegere kerkelijke organisatie waren wel in de verschillende provinciën synodale verordeningen gemaakt, die het laten zingen der Gezangen verplicht stelden. Maar met de organisatie van 1816 was feitelijk het vroegere afgeschaft en de oude bepalingen golden niet meer. Anders toch had men ook niet mogen spreken van leervrijheid, daar deze vóór 1816 rechtens zeer zeker niet bestond, omdat toen ieder predikant gehouden was tot geheele instemming met de formulieren van eenigheid".
De „liberale" kerkbestuurders van dien tijd hebben dan ook te weinig kerkrechtelijk besef gehad, ondanks alle reglementenmakerij. Ze zouden anders heel niet aan een artikel als art. 22 Regl. Kerkeraden zijn toegekomen, waarin tot 1 April 1864 aan den voorganger het gebruik van minstens één Gezangvers verplichtend gesteld werd. Het kwam voor een administratief lichaam als de Algem. Synode eenvoudig niet te pas, zich hier partij te stellen. Toen de praktijk te machtig werd, kwamen de motieven in dezen aan het licht, doordat men van de dwangbepaling slechts retireerde, door tegelijk aan de afwijkers de vrijheid te geven voortaan geen gebruik meer te maken van den Heid. Catechismus en van de liturgische geschriften (bijv. de formulieren van doop en avondmaal). Deze laatste werden dus eigenlijk verkwanseld door menschen, die er niets over te zeggen hadden, en die zich in art. 11 Aig. Regl. (oud art. 9) verbonden hadden hun handen daarvan af te houden („de handhaving harer leer"). Douwes en Feith, teekenen hierbij aan, dat in art. 22 de Synode de woorden : „de liturgische schriften" en „de psalmen" eigenmachtig heeft geampliëerd (aangevuld), zonder dat over die aanvulling de consideration der Prov. Kerkbesturen en Class. Vergaderingen.zijn ingewonnen. Het aldus gewijzigde artikel werd aanstonds aan de eindstemniing der Prov. Kerkbesturen onderworpen. De Alg. Synode overtrad daarmee art. 62, al. 2, Alg. Reglement, dat uitdrukkelijk bepaalt, dat ook „met veranderingen in de bestaande reglementen" de boven aangegeven weg moet worden bewandeld. Art. 61 Alg. Regl. zegt nu, dat bij de Synode slechts o.a. de wetgevende macht berust, „onder de verschillende waarborgen, in dit Alg. Regl. en in bijzondere reglementen vastgesteld".
Men liet deze waarborgen achterwege, en daarom zijn de geampliëerde woorden kerkrechtelijk ongeldig, zoodat het niemand geoorloofd is de psalmen en de liturgische geschriften terzijde te leggen. Wat er bij de samenstelling van den Gezangenbundel in 1805, haar invoering in 1807 en haar gewelddadige handhaving daarna is geschied, maakt het toch minstens twijfelachtig, of het ontbreken van Gezangen tot op 1805 nu wel zoo sterk als een gemis is gevoeld.
Ook omtrent voorgaande tijden wijst het geschrift van prof. Severijn „De Gezangenkwestie", 1933, in dezelfde richting.
De oudste Christenen toch leefden uit de opstanding van Christus. Zij, die het dichtst bij den apostolischen tijd leefden, (men wil tegenwoordig zoo gaarne naar dien tijd terug, soms met overslaan van den tijd der reformatie), lazen en zongen uit het Oude Testament. Jezus Zelf liet na het eerste Avondmaal den Lofzang (Ps. 113—118) zingen. Daarbij: die oudste Christenen hebben buiten Paschen geen feestdagen gekend of gewenscht, en hadden dus ook geen behoefte aan liederen voor die dagen. Zij hadden elken Zondag tot feestdag. Prof. Severijn wijst er op, dat, als dan toch later het vrije lied wordt ingevoerd, de Gemeente reeds is gaan zwijgen ; het lied wordt aan het Gregoriaansch kerkkoor opgedragen, en de eeredienst is dan tevens veranderd ; hij is hoofdzakelijk sacramentsdienst geworden, (blz. 13)
Het is m.i. niet te gewaagd, te onderstellen, dat de behoefte aan meerdere feestdagen samenhangt met die aan feest- en vrije liederen voor die dagen, en dat beide op hun beurt samenhangen met teruggang van het geestelijk leven. Er verschijnt in de Kerk een schare, op wie de wereld zulk een vat heeft gekregen en bij wie de kennis zoodanig is vergaan, dat ze opzettelijk moet stilgezet worden bij en teruggeroepen naar de groote heilsdaden Gods in Christus ; maar eene behoefte uit geloofsdrang is iets anders.
Voorstanders van Gezangen hebben dikwijls zich beroepen op teksten uit het Nieuwe Testament, als Efeze 5 vs. 19 en Col. 3 vs. 16, waarin sprake is van psalmen, lofzangen en „geestelijke liedekens". Het zoeken van zulke plaatsen zegt al iets, maar het vinden er van nog veel meer. Want ze zijn voor dat doel geheel ongeschikt. Men doet beter, met te erkennen, dat de H. Schrift in dezen geen voorschriften bevat. Bovendien kunnen bedoelde teksten geen betrekking hebben op het gemeentegezang, eenvoudig, omdat in onzen zin dit er nog niet was. Hier wordt slechts acht genomen op den omgang onder elkander, en wel zóó, dat aangeraden wordt geen wereldsche, maar geestelijke verzen (oden) aan te heffen. De onderscheiding van psalmen, lofzangen enz., ziet slechts op de onderscheiden opschriften en inhouden der psalmen. (Zie verder de Kantteekenaren op deze plaatsen en de Geloofsleer van Gravemeijer, 11e stuk, § 35, blz. 111).
Ook snijdt geen hout het dikwerf gehoord argument, dat de Gemeente behoefte heeft aan „Nieuw- Testamentische liederen". Wat wil men daar eigenlijk mee? Het is een volstrekt scheeve voorstelling, om de Psalmen Oud-Testamentisch te noemen en de Gezangen Nieuw-Testamentisch. Dat Nieuw-Testamentische zou dan bepaaldelijk pas in de 19de en 2üste eeuw ontdekt zijn. Men heeft voorts geen recht de Psalmen Oud-Testamentisch te noemen, enkel omdat ze in het Oude Testament staan. Met den naam Oud-Testamentisch wordt slechts datgene getroffen, wat onder het Oude Verbond voorbijgaand en schaduwachtig was, en daaronder vallen de Psalmen, die gewagen van genade, vergeving, verlossing, in geenen deele ; ze zijn Oud-Testamentisch en Nieuw-Testamentisch beide, d.i. goddelijk-Schriftuurlijk. De zaak is, dat men, eenzijdig uitgaande van den verren Nieuw-Testamentischen tijd, waarin wij leven, de in dezen tijd uitgesproken begeerten wil terugvoeren naar den aanvang der Nieuwe Bedeeling, waarin juist dergelijke begeerte onbekend was.
De geringschatting van het Oude Testament, zooals die door de oude ethische school in de hand is gewerkt, is aan een en ander niet vreemd. Onder den invloed van Karl Barth heeft men ook hier zijn „draai" moeten nemen. Van Kohlbrügge kwam weer ter tafel zijn in 1846 geschreven boekje: „Wozu das Alte Testament ? " (Ned. „Waartoe het Oude Testament? ", 2e dr., '29). Wilhelm Vischer 1) poneert eenvoudig : „Streng genomen is eigenlijk slechts het Oude Testament de Schrift" (herhaald in het boek van ds. A. A. van Ruler 2) - en: „Het Oude Testament zegt, wat de Christus is, het Nieuwe wie Hij is, en wel zoo, dat duidelijk wordt : slechts hij kent Jezus, die Hem als den Christus kent, en slechts hij weet, wat de Christus is, die weet, dat Hij Jezus is".
Zien wij slechts naar het feit, dat ten onzent in den z.g. Franschen tijd van verwording en verwatering de z.g. behoefte aan Gezangen zich ging uiten (1805), en de neerslag daarvan ervaart men bij het lezen van de Voorrede van den ouden Bundel : „het gemeenschappelijk zingen, en onze bijzondere deelneming daaraan, de menigte der stemmen, de plechtigheid der vergadering, de statelijkheid van de plaats en den tijd, de belangrijke inhoud, benevens het doel van het gezang, en andere omstandigheden meer, die op het hart werken, geven aan het gezang den voorrang, boven andere deelen 3) der godsdienstoefening". Dan volgt nog de naïveteit, „dat wij geene andere gezangen hebben geplaatst, dan die met de belijdenis der Nederlandsche Hervormde Kerk, uitgedrukt in hare formulieren, overeenkomen", nog eens aangedikt in de „Verklaring, gevoegd achter het authentique afschrift der Evangelische Gezangen" en door al de heeren onderteekend : „als mede, dat wij met alle naauwkeurigheid (!!) hebben toegezien, dat daarin niets mogte voorkomen, eenigzins strijdig met de aangenomene leer der Nederlandsche Hervormde Kerk, zoo als die naar Gods Woord, in den Heidelbergschen Catechismus, de Belijdenis des geloofs, en de Canones van het Synode Nationaal, te Dordrecht in de jaren 1618 en 1619 gehouden, vervat is".
Is er geen reden, om aan de oprechtheid van hen, die aldus schreven, te wijfelen, des te meer treedt dan aan het licht, gezien sommige rationalistische en Remonstrantsche liederen uit dien Bundel, hoezeer men, sprekend over de letter, zich van geloof en leven, waarvan de Drie Formulieren getuigen, had vervreemd, en ook veilig kan worden aangenomen, dat „allengs het leven der psalmen niet meer verstaan werd" ; „vervreemding van de gezonde leer en van het geloof der vaderen, dat aan het nationale leven zoo buitengewone kracht had geschonken". 4)
Dit vitium originis (de smet der geboorte), dat aan de opkomst van het gezangen-wezen ten onzent inherent is, is onloochenbaar en is mede onderrichtend voor later tijd. Wanneer dan ook de „Geref. Kerken" vóór eenige jaren besloten tot invoering van een aantal Gezangen (waaronder uit den ouden Herv. Bundel), dan wil het er in onze kringen niet in, dat dit voortkwam uit hooger stand des geestelijken levens, dan welken bijv. den tijd der afschfjiding kenmerkt, en welker „vaders" zich beter konden vinden in de argumenten van het boekje van Jacob Klok (1834). Daarnaast staat een eigenaardige geste van den „vader" der doleantie, dr. A. Kuyper, die in die dagen plotseling het parool gaf : „Gods volk zingt geen Gezangen", hoewel hij zelf deze te voren volop deed zingen. Hij heeft, als mentor des volks, ook met dezen omzwaai wel geweten, wat hij deed, daar ook toen groote getalen in de Hervormde Kerk afkeerig waren van de Gezangen, en dat op grond hunner Gereformeerde belijdenis.
Intusschen moeten wij ons hier toch van alle dingen rekenschap leeren geven. De opengeslagen Psalmbundel geeft ons een veel veiliger gevoel dan de geopende Gezangenbundel, vermits wij in den eersten vertolkt vinden het genadeleven van Gods kinderen, dat zich uitspreekt in de H. Schrift, en omdat de eerste Psalmberijming (die van Datheen) valt in den tijd der opkomst van de Kerk der Reformatie en in dien van ongerept geloofsleven. Datheen was geen dichter, en wij gaan voorbij, waarom bijv. de berijmingen van Marnix en van Jan Utenhove, die in menig opzicht beter waren, het niet konden winnen. Toen men, na twee eeuwen, de gebrekkige taal van Datheen niet meer vermocht te verstaan, kwam de Psalmberijming, die wij nu hebben ; die van 1773, d.i. 32 jaren vóórdat de „Evangelische Gezangenbundel" tot stand kwam. Van de Commissie voor de Psalmberijming was echter dezelfde man voorzitter als van de latere Commissie voor de Gezangen, n.l. Ahazueverus van den Berg, pred. te Arnhem ; en het laat zich daarom van te voren vermoeden, dat aan den slappen geest, die vele Gezangen kenmerkt, ook de tegenwoordige Psalmberijming niet geheel is ontkomen.
De Psalmencommissie werd niet aangewezen door de Kerk, maar door de Staten, en dezen hadden tevens de vrijheid genomen, vast te stellen, uit welke berijmingen eene keuze mocht gedaan worden. Dit is dus al kerkrechtelijk heel niet in orde. Bovendien waren die Staten nu niet bepaald Gereformeerd, en — wat erger is — de opgenoemde berijmingen evenmin. Van Johannes Eusebius Voet, geneesheer te 's Hage, van wien de meeste Psalmen afkomstig zijn (zij 't hier en daar gewijzigd), wordt getuigd, dat „zijn stukken dragen de kenmerken van den geest zijner eeuw" 5) Dan volgt de berijming van het genootschap „Laus Deo, Salus populo" („Tot lof van God en tot heil des volks"), welks leden deels tot de Remonstranten en de Doopsgezinden behoorden. Zij bezaten eene berijming, die toen al bij hun eigen kerkgenootschappen in gebruik was, en daardoor al niet boven verdenking kan staan. De vrijzinnige geschiedschrijver merkt hier zoo snedig op, dat „langs dezen weg niet weinig werk van Remonstrantsche en Doopsgezinde zijde in den Bundel gekomen is". 6)
Met Hendrik Ghijsen, zilversmid en voorlezer te Amsterdam, zouden wij ons nog het best kunnen verstaan, omdat hij zijn Psalmen vervaardigd had uit 17 reeds in vroeger tijd bestaande verzamelingen, èn omdat hij zelf ook een eeuw vroeger leefde dan bijv. Joh. Eus. Voet. Maar daarom is het zeker niet toevallig, dat van hem maar 10 Psalmen in onzen Bundel zijn terechtgekomen, benevens enkele Lofzangen.
Ons Psalmboek is helaas van vreemde smetten niet vrij, natuurlijk niet in die mate als de „Evangelische Gezangen", vermits men in Datheen's berijming een zekeren achtergrond had en men gebonden was aan andere berijmingen, en niet het minst, omdat de onberijmde Psalmen leidraad moesten zijn. Het is echter opmerkelijk, dat — in tegenstelhng met Datheen — in 1773" verschillende Psalmverzen zijn ontstaan, waarin het bij rationalisten zoo geliefde „deugd" en „plicht" voorkomt. Lees u bijv. maar eens : Ps. 1 vs. 3, 4 ; 14 vr. 3 ; 15 vs. 2 ; 17 vs. 2 ; 18 vs. 7 ; 19 vs. 6 ; 26 vs. 11 ; 34 vs. 6 ; 5S vs. 8 ; 119 vs. 16, 66, enz. En er zou meer zijn te noemen, ook, dat menige versregel niet strookt met den grondtekst. Om meer in overeenstemming te zijn met Gods Woord en sterker te staan tegen het vrije lied in de Kerk, zal te zijner tijd aan de gebreken onzer Psalmberijming kerkelijke aandacht geschonken moeten worden.
Ik kreeg een wonderlijk geschrift in handen, n.l. van zekeren G. Koeteeuw, te Achterberg (Rhenen), 1932, met een zeer langen titel, waarin, onder een stroom van woorden, de schrijver (voor zoover ziJn gebrekkige stijl is te volgen) al de, werkelijke en vermeende ellende van Kerk en Staat toeschrijft aan het opgeven van de Psalmberijming van Datheen en het invoeren van die van 1773. „Deze verandering ging uit van de bastaardkinderen der Hervormde Kerk", zegt hij (blz. 27), en hij acht „de Gereformeerde leer, vervat in de belijdenisschriften der Hervormde Kerk, met de psalmen van Datheen als in huwelijk verbonden" (art. 69 D.K.O.). Dit moge overdrijving zijn, — in elk geval heeft men zich in 1773 om Datheen te weinig bekommerd, en is voor zijn gebrekkig werk ander en anders-gebrekkig werk in de plaats gesteld.
In 1938 zijn wij echter nog bij heel wat anders aangeland. De toenmalige Algem. Synode heeft toen het resultaat van den arbeid van een door haar benoemde Commissie voetstoots aanvaard, en deze geheel nieuwe Gezangenbundel „aan de Kerk aangeboden". De bestaande bundel „Evangelische Gezangen" + Vervolgbundel en Aanhangstel, kon zij uiteraard niet afschaffen. De bedoeling was dus, dat het nieuwe gaandeweg het oude zou verdringen. Maar van „aanbieden" gesproken. De Synode liet in het midden, wat zij daaronder verstond, en op welken grond dit berustte. Geen enkel reglementsartikel gaf haar daartoe de bevoegdheid. Al wat zij kon „aanbieden", waren in-eerste-instantie-aangenomen wetsvoorstellen, en daartoe kon zij de Kerk niet anders bereiken dan via de Classic. Vergaderingen en de Prov. Kerkbesturen. Dit was in haar administratieve taak gegeven. Inplaats daarvan verliet zij den administratieven weg, om te treden op dien van belijdenis en liturgie, nog wel zonder eerstgenoemde vergaderingen te hebben gehoord, en dat (we zijn in 1938) terwijl de Algem. Synode op haar laatste beeren liep. De lucht was vol van reorganisatie-klanken; De Algem. Synode had daartoe toen zelf een Commissie benoemd, en haar resultaat is de thans opgetreden Generale Synode. Op zijn minst had zij dus den nieuwen Bundel — en dan ter beoordeeling — moeten „aanbieden" aan de zelfbenoemde reorganisatie-commissie, en deze had eventueel voor eene kerkelijke behandeling van dezen Bundel een plaats moeten zoeken in de door haar ontworpen „Additioneele Artikelen" bij het Algem. Reglement.
Kort geleden wendde zich het „Comité tot verbetering van den zang in den eeredienst der Ned. Herv. Kerk" met een brochure tot de leden der Generale Synode, de predikanten. Class. Vergaderingen, Prov. Kerkbesturen, evangelisten, onderwijzers, organisten, enz., waarin, behalve het werk van ds. H. Hasper, ook ter sprake komt de z.g. „aanbieding" van den nieuwen Gezangenbundel. In scherpe bewoordingen wordt tegen de handelwijze(n) der Algem. Synode te velde getrokken, vooral door een overigens bezadigd man als wijlen dr. J. R. Callenbach. Hij streed voor „de rechten der Gemeente", had gewild, dat Gemeenten, die dit wilden, bijv. gedurende 3 jaren met den nieuwen Bundel de proef konden nemen, enz. Maar er kwam aan het licht, dat de Synode een immer geheim gehouden contract had gesloten met de „Evangelische Gezangen-Compagnie N.V.", wie weet, voor hoeveel jaren. (Brochure Comité-Kerkzang, blz. 20, 21). De uitgever wenschte geen proefbundel, daarom kwam die er ook niet, en zoo werd de nieuwe Bundel in eenige honderdduizenden exemplaren de wereld ingezonden, zonder dat predikanten, Class. Vergaderingen en Gemeenteleden maar iets van den inhoud af wisten. Dit „aanbieden" was niet anders dan clandestiene invoering, in strijd met art. 22 Regl. Kerkeraden. Ten slotte het volgende requisitoir (brochure, blz. 29) : „Insider 7) weet, dat het Hervormde Kerkboek tegen den wil der gemeenten er in geduwd is. Insider moet ook weten, dat op het oogenblik, waarop het boek ter perse zou gaan, een Haagsch predikant de copie een avond ter inzage heeft gehad. Weet Insider niet, dat deze met kennelijk driftige hand er veertig liederen heeft uitgescheurd 8)', omdat hij ze een „schande" voor de Kerk vond ? Toen de bundel was verschenen, wenschte de Kerkeraad van Amsterdam nog schrapping van ruim vijftig liederen») op Woensdag 30 Juli 1941 (dus twee en een half jaar na de uitgave van het kerkboek ! Zóó wreekt zich het passeeren van de Kerkeraden !), ging de Algem. Synode inderdaad tot schrapping over, en wel op aandrang van den Kerkeraad van 's Gravenhage. Officieel werden 32 nummers verwijderd. 8) Dit neemt niet weg, dat ze alle nog onveranderd voorkomen in de tegenwoordige herdrukken van het Kerkboek".
We mogen hier wel zeggen : welk een Synodale warwinkel, en tevens vragen: zijn de leden der . Algem. Synode van 1938 dan allemaal stekeblind geweest, dat Synodale oogen niet van te voren hebben waargenomen, dat in dezen Bundel Inderdaad Roomsche verzen waren binnengesmokkeld, om van Remonstrantsche en andere dwalingen uit vroeger en later tijd maar te zwijgen ? Zij hebben zich inderdaad daar eenvoudig geen rekenschap van gegeven (het „Woord vooraf" der Algem. Syn. Commissie bewijst dit). Welk een figuur zou iemand slaan, die een door hem geschonken cadeau terug moet vragen, omdat hij tot de ontdekking kwam, dat er vergif in het pakje was terecht gekomen ? En welke waardeering zou de begunstigde voor zulke vrijgevigheid koesteren ? Op soortgelijke wijze is het gegaan met de Algem. Synode, die haar cadeau "van 1938 en 1941 eenigermate moest zuiveren, althans in theorie, want (zie boven) ook de afgekeurde liederen en verzen prijken nog even vroolijk in den Bundel.
Ten slotte nog deze opmerking : In 1805 schijnt er althans nog éénig besef te zijn, dat het Kerklied moet overeenstemmen met de Belijdenis der Kerk ; in 1938 is men daar overheen, en is een ander criterium aangelegd : „Immers, tot de grootste schatten der Kerk behoort het geestelijk lied, de Psalmen des Bijbels en de liederen der Kerk van alle eeuwe n". 9) (Aldus de Algem. Synodale Commissie). Hetzelfde standpunt wordt gehuldigd in de „Voorrede van de Commissie tot samenstelling" : „daarbij uitgegaan van het beginsel, dat de Gezangenbundel zooveel mogelijk den vollen rijkdom der gansche Christelijke Kerk moet doen uitkomen", „hymnen uit de oude en middeleeuwsche Kerk en oud-Nederlandsche liederen". Op die wijze kan men vanzelf van Roomsche en andere ketterij niet vrij blijven, want de Kerk van alle eeuwen vertegenwoordigt ook het verval van die eeuwen. Maar bij het echte Kerklied staan sentimentaliteit en kunst op de tweede plaats, niet op de eerste. Het wezen daarvan vinden wij uitnemend geteekend in de reeds genoemde brochure van prof. Severijn.
Alles saamgenomen, is het dus niet waar, dat wij in 1938 te doen hebben gekregen met „den Herv. Bundel". Kerkrechtelijk niet, maar ook historisch niet, want nog twee andere bundels dingen om dien naam en m.i. eveneens ten onrechte. Maar in 1938 kregen wij op dit gebied wel het kerkrechtelijke monstrum bij uitnemendheid. Het is onverstaanbaar, dat de Gen. Synode niet alleen doorgaat met te spreken van den „Herv. Bundel", maar doet, alsof zijn aanwezigheid in de Kerk en het gedachtenloos overnemen door velen het zelfde is als erkenning door en bezit van de Kerk. Dus het bekende fait accompli ? Wij en velen denken daar anders over. Hebben een en ander toegelicht, om te doen inzien, dat juist van Synodale zijde de Gezangenkwestie is verergerd, en wij in onze kringen niet anders dan afwijzend er tegenover kunnen staan, vooral in dezen tijd van overgang en van doorvloeien, links en rechts.
Gelijk in andere, tegenwoordige en toekomstige dingen, heeft de Gereformeerde gezindheid in onze Kerk hier één gedragslijn te volgen, teneinde verwarring en verwatering niet nog grooter worden dan zij al zijn, en wij ons in dezer tijden nood gelijkelijk en gezamenlijk concentreeren om de banier van Gods waarheid, om der wille van Kerk en kerkvolk beide. (Slot volgt.)
1) „Das Christuszèugnis des Alten Testaments", I, 1943, blz. 8 en 7.
2) De opstellen „De waarde van het O.T." in „Religie en Politiek", 1945, blz. 123—149.
3) Dan zouden dus prediking en gebed er zelfs bij achterstaan !
4) Severijn, a.w., blz. 20.
5) J. Kuiper, Gesch. v. h. Godsd. en kerkelijk leven in Nederland, blz. 313.
6) J. Reitsma, Gesch. v. d. Hervorming en de Herv. Kerk, 1916, blz. 710.
7) Een schrijver in „De Herv. Kerk" van 19 Oct. 1946.
8) Wij onderstreepen, L. G. B.
9) Wij onderstreepen, L. G. B,
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van donderdag 20 maart 1947
De Waarheidsvriend | 6 Pagina's
Bekijk de hele uitgave van donderdag 20 maart 1947
De Waarheidsvriend | 6 Pagina's