Gehoorzaam aan de Heilige Schrift, staande op den bodem der belijdenisgeschriften
Weekblad voor de Ned. Herv. Kerk, 15 Febr. '47
II,
Paulus en de Heilige Schrift.
Dr. Dokter leest in Gal. 3 : 8 en Rom. 9 : 17, dat Gods Woord tot Abraham en tot Farao gesproken later den vorm van Schrift aannam en waarachtige autoriteit ontving. „Het geschreven zijn wordt hier in waarde primair gemaakt aan het onmiddellijk-geopenbaard en gesproken-zijn." (III Kol.). Wij kunnen deze opvatting niet deelen, maar gelooven, dat de zaak voor Paulus een weinig anders lag. Volgens Rom. 1 : 3 heeft God door de profeten gesproken. Als hij daaraan toevoegt : „in de heilige Schriften" dan blijkt daaruit, zonder twijfel, dat hij bedoelt, dat Gods door de profeten gesproken Woord den vorm van Schrift heeft aangenomen. Doch het komt ons een averechtsche beschouwing voor te meenen, dat Gods Woord daardoor autoriteit ontving. Wij achten, dat de zaak juist andersom moet worden gezien : de Schrift heeft goddelijke autoriteit, omdat het Gods Woord is.
Voor den apostel is het verband tusschen Gods Woord en de Heilige Schrift zoo nauw, dat zij ident zijn. Het is hem volkomen gelijk van Gods Woord of van de Schrift te spreken. De Schrift wordt in Galaten 3 : 8 zelfs gepersonifieerd, tot een persoon gemaakt. „De Schrift tevoren ziende." Zulk een uitdrukking kan alleen worden vertolkt in een vorm als : „de profeet tevoren ziende, de Geest der profetie te voren ziende, of de profetie te voren ziende".
De Schrift wordt vereenzelvigd met den profeet, den Geest der profetie, de profetie en daarom met Gods Woord.
Van Rom. 9 : 17 geldt, hetzelfde. Daarom houden wij de belijdenis, die de Heilige Schrift voor Gods Woord houdt, krachtens het getuigenis des Heiligen Geestes volkomen in overeenstemming met het apostolisch geloof en — wat zoo mogelijk nog zwaarder weegt — met Christus' getuigenis : „Daar staat geschreven".
Aan dat getuigenis hebben wij genoeg, onverschillig of Barth dat ook bedoelt of niet bedoelt met zijn „getuigenis der openbaring".
Dr. Dokter schijnt daarbij belang te hebben blijkens een opmerking in kolom III, die overigens volkomen overbodig is en er wordt bijgesleept.
Bovendien zal het nog moeten blijken, of Barth het werkelijk zoo bedoelt. Wij zijn zoo vrij daarbij op te merken, dat lezing en herlezing van wat hij over de relatie van Schrift en openbaring schrijft, telkens weer den indruk wekt, dat hij met de gereformeerde belijdenis op gespannen voet staat.
En wij mogen niet nalaten daaraan toe te voegen, dat wij van oordeel zijn, dat zulks ook het geval is met den schrijver van het artikel in het Weekblad, ondanks de orthodox klinkende uitdrukkingen en verwijzingen naar Schrift en belijdenis. Hij bewflst dit reeds door de volgende opmerkingen over intellectualistisch lettergeloof. (Kol. IV). Lettergeloof heeft op zichzelf al even weinig met intellectualisme gemeen als geestelijk geloof. Lettergeloof is verstandelijk geloof en daarom een schijngeloof, dat wel een zekere gestalte vertoont, die zelfs als twee druppels water op waarachtig geloof kan gelijken, maar niettemin het geestelijk leven derft.
Maar dat is geen intellectualisme. Het intellectualisme maakt de onderscheiden functies van het zieleleven tot werkingen van het verstand, zonder die in haar eigen aard en karakter te erkennen. Terecht is daartegen een reactie opgegaan in onze dagen — althans naar men zegt — maar nu moet men de zaak niet te vèr drijven, alsof alle werking van het verstand intellectualisme zou verraden. Dit zou tot de dwaze consequentie voeren, dat men het intellect verwierp en naar de impulsen en instincten van het oogenblik zou moeten handelen. Voorts zou dit niet alleen tot een algeheelen chaos voeren, maar een goddelooze ontkenning van de gave Gods beteekenen.
Calvijn heeft ook op dit punt ons anders geleerd en aan de hand van Gods Woord onderwezen. Dr. Dokter sluit de passage over het „intellectualistisch lettergeloof" af met de duistere opmerking : „Staande op den bodem der belijdenisgeschriften" moeten wij haar zóó laten gelden, dat de Schrift in al haar deelen getuigt van Jezus Christus". (Kol. IV).
Het klinkt al weer orthodox, maar het is wat anders. Tegenover een zekere, zij zij dan orthodoxe of gewaande orthodoxe opvatting, welke de schrijver bestrijdt, wil hij een andere doen gelden.
Wij moeten toch volgens schrijver de belijdenisgeschriften zóó, d.i. op een bepaalde wijze doen gelden. Dat „doen gelden" is verdacht, omdat er ten aanzien van de behjdenisgeschriften maar één vraag kan zijn : Wat heeft de reformatorische kerk in haar beleden ? Wat is de positieve zin van wat zij in de verschillende artikelen heeft gezegd ? En niet, hoe zullen wij dat vandaag laten gelden ?
Volgens de belijdenis zelf is de kerk gehouden haar te toetsen aan Gods Woord, d.w.z. aan de duidelijke uitspraak van de Heilige Schrift. Vindt zij, dat de vaderen in eenig stuk gefaald hebben, dan moet de kerk van heden daarop terug komen.
Ook volgens de reformatorische belijdenis getuigt de Heilige Schrift in alle deelen van Christus Jezus, al bedoelt de confessie zeker niet een openbaringsmonisme in den zin der nieuwe theologie. Het gaat trouwens in de confessie alleen om één gelding, n.l. zulk ééne, die overeenkomt met de duidelijke uitspraak der Heilige Schrift.
De bovengenoemde zinsnede van dr. Dokter wekt den schijn, dat de ééne gelding naast een andere wordt gezet of gedacht. In ieder geval is deze niet erg duidelijk. Als de belijdenis alleen maar behoeft te getuigen, dat de Schrift in al haar deelen getuigt van Jezus Christus, kan men met één enkel artikel volstaan.
Wat dr. Dokter verder van het wereldbeeld en van de Bijbelcritiek opmerkt, laten wij rusten. Slechts één opmerking, rakende de zinsnede over Bijbelcritiek. „Het wetenschappelijk Bijbelonderzoek is alleen dan van waarde voor het verstaan van Gods openbaring, als het zijn eigen wetmatigheid laat doorbreken door de paradox van het geloof". Afgezien van de vraag, of men met recht van de eigen wetmatigheid van het wetenschappelijk Bijbelonderzoek kan spreken, is heel deze uitdrukking zoo gewild en niet zonder eigen wetmatigheid. De „paradox van het geloof" doet denken aan de moderne dialectiek en aan het euvel daaraan eigen, dat zij geen recht doet aan de werkelijkheid. Over de orthodoxie werd reeds gehandeld in een driestar.
Wij kunnen ons in deze wijze van uitdrukken niet vinden. Zij doet ons steeds aan als een uiting van anderen geest. Het is waar, dat men telkens weer uitspraken ontmoet, die sympathisch aandoen. Dat maakt het zoo moeilijk. Hebben wij te doen met zoekers, met nieuwelingen in het geloof ?
Maar hoe dan die afwijkingen, misverstanden en critieken te verklaren, die zoo vaak het doel missen ?
Nu weer wordt de belijdenis van de gemeenschap der heiligen een bijzondere, „profeet en leeraar" genoemd. (Kol. V o.a.). Kan dat eigenlijk wel? Het lijkt ons zelfs onjuist.
„Als de enkeling leeren wil de gehoorzaamheid aan de Heilige Schrift, luistert hij eerbiedig naar dezen profeet en leeraar (bedoeld is de belijdenis). Dit nu is een klaar en duidelijk voorbeeld van een verkeerde voorstelling der feiten. De historie kan aantoonen, dat velen, die op hun wijze gehoorzaamheid aan de Heilige Schrift zochten en anderen voorhielden, verachters waren van de leer en onkundig in de belijdenisgeschriften. De vroomheid, die van den enkeling uitgaat, loopt gevaar een bedeksel der goddeloosheid te zijn. Overigens is het meer de normale kerkelijke weg, dat wij van jongs af door onze ouders en door den dominé worden opgevoed in de leer der kerk, om op Gods tijd en door Zijn genade deze dingen geestelijk te leeren verstaan.
Wij kunnen het trouwens met de waardeering der belijdenis, welke ons uit de nieuwe theologie tegenklinkt, niet eens zijn.
Wat moet men denken bij een zin als deze : „Staan op den bodem der belijdenisgeschriften" beteekent zeker niet de norm van die geschriften voor alle tijden normatief te achten, en ook niet den inhoud zonder toetsing aan de "Heilige Schrift normatief te achten. Maar het beteekent toch zeker wel het essentiëele ervan als gezaghebbend te aanvaarden". (Volgt een uiteenzetting der Drieëenheid)
Misverstand of een redeneering uit een geheel andere wereld ?
De norm der belijdenisgeschriften kan en mag geen andere zijn dan de Heilige Schrift of Gods Woord, d.w.z. dat de waarheid van Gods Woord de norm der belijdenis (wil men der belijdenisgeschriften) is.
En wie zou willen beweren, dat die waarheid niet voor alle tijden normatief zou zijn ?
Toch kan men dat er uit lezen. Bovendien is er behalve het genoemde essentiëele nog wel wat meer te noemen. Ieder artikel der belijdenis heeft iets essentieels, en zoo niet, dan moet het verdwijnen.
Daarom bevalt ons heel deze methode van over de confessie te oordeelen, niet. Waarom is men niet positief en wijst men niet onomwonden aan, welke waarheden der confessie men niet als zoodanig erkent. Dat zal wellicht ook medebrengen, dat men het Schriftbewijs der confessie in die gevallen wraken moet. Doch laat men dat dan doen, dan komt er klaarheid in de dingen. Dat is te meer noodig, omdat het gezag, dat de kerk eenerzijds aan de belijdenis zou hebben toegekend, den toegang tot het levende Woord van God zou versperren volgens dr. Dokter. „Anderzijds", zoo gaat hij verder, „werd de heilsboodschap misvormd tot een moraal of een religieus-wijsgeerige levensleer".
Let wel, de kerk versperde den toegang door aan de belijdenis volstrekt gezag toe te kennen. En zulke dingen worden zoo maar beweerd, terwijl iedereen kan weten, dat de belijdenis ruim honderd jaar lang in de safe heeft verkeerd, terwijl een iegelijk zich de vrijheid permitteerde om te gelooven en te leeren naar zijn individueel inzicht of naar willekeur.
Eigenlijk is het nog erger, want vóór dien tijd, was de gereformeerde theologie reeds gedurende generaties overgeleverd aan een voortschrijdende verrationalizeering.
„Er leeft nu in de kerk een drang tot opnieuwbelijden", zoo deelt de schrijver mede.
Wij vragen in gemoede : Bij wie leeft die drang ? Bij degenen, die ondanks allen tegenstand en vervreemding trouw gebleven zijn aan de belijdenis der kerk, omdat deze in hun hart leeft ?
Natuurlijk niet.
Dan bij degenen, die van de belijdenis niet willen weten ? Dat zou een voorrecht zijn, maar zou het dan niet de weg zijn, dat zij die belijdenis eerst leeren verstaan van uit het leven der kerk ? Daar is toch een objectief geloof der kerk ! En het gaat er om of en in hoeverre wij aan dit geloof deel hebben.
Het belijden der kerk is volstrekt niet in de eerste plaats het verkondigen van de boodschap van het heil. Verkondigen is wel belijden, maar belijden is nog wat anders dan verkondigen. Belijden is getuigen vanuit het leven der kerk, getuigen van de waarheid Gods, waarin de Heilige Geest de kinderen Gods leidt. Belijden is de naar buiten tredende echo der waarheid en de resonans van hét levende Woord Gods in het binnenste.
Daarom is het volkomen juist, als dr. Dokter opmerkt : „Naarmate de Kerk de waarachtige gehoorzaamheid aan Gods Woord leert, zal zij de (liever lazen wij haar) historische belijdenis verstaan". De beteekenis van deze woorden wordt echter beduidend verzwakt, als hij laat volgen : „Zoolang zij afwijzend staat tegenover den wezenlijken inhoud (wij spatiëeren) der historische belijdenis". Wie zal dat uitmaken, wat wezenlijk en wat niet, wezenlijk is ?
„De Kerk op weg naar haar opnieuw-belijden, is in gesprek met deze gezaghebbende, profetische en onderwijzende stem uit 't verleden", zoo lezen wij.
Ontdaan van de eigenaardige inkleeding en het beeld vasthoudende, zou dit dus willen zeggen, dat de kerk van nu, de kerk in de situatie van vandaag, in gesprek is met de kerk van de reformatie. Ook deze voorstelling is in strijd met de feiten, want hoewel wij er meerdere malen op gewezen hebben, heeft men in het kerkelijk gesprek nog nooit de belijdenis aan de orde gesteld. En men heeft welbewust geweten, waarom men dat niet deed. Dit alles komt voort uit een idealisme van kerkvernieuwing, dat sommigen voor oogen zweeft en anderen meesleept, terwijl het weigert zich op den reëelen grondslag der belijdenis te zetten.
volgende keer verder.
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van donderdag 20 maart 1947
De Waarheidsvriend | 6 Pagina's
Bekijk de hele uitgave van donderdag 20 maart 1947
De Waarheidsvriend | 6 Pagina's