Visschen, maar ook weiden!
De Heere Jezus heeft aangaande de prediking aan de Kerk en haar dienaren een treffende aanwijzing gegeven.
In Matth. 4 : 19 zegt Jezus tot Zijn discipelen : „Ik zal u visschers der menschen maken". In Joh. 21 zegt Hij tot Petrus : „Weid Mijne schapen".
Twee normen voor de prediking, die Jezus Zelf ons geeft: visschen en weiden.
Visschen: in de wereld getuigen, proclameeren, roepen tot bekeering, evangeliseeren. Weiden: het leiden van de kudde in de grazige weiden van Gods Woord, het inleiden in de Waarheid Gods, het spijzigen met het Woord Gods van geestelijk hongerigen, het „spreken naar het hart van Jeruzalem".
En nu ontkennen wij niet, dat onze Kerk het „visschen" kent. Zeer goed zelfs, op allerlei wijze tracht de Kerk het Evangelie bij den modernen mensch van 1947 te brengen door kerkewerk, getuigenissen, samenkomsten, appèls etc. Op actueele wijze, pakkend, aansprekend, alles zeer te prijzen. Uitgeroepen wordt, dat Christus is de Heere der wereld. Visschen zou ik dit alles willen noemen, menschen trekkend, menschen vangend in de netten van het Woord.
Maar nu heb ik dit bezwaar, dat men het daarbij laat en niet aan het weiden toekomt. Vooral zien we dit in de groote-stads gemeenten, waar men er op uit is om de buitenkerkelijken onder het Woord te brengen.
Een alleszins goed doel, maar met een gevaarlijken kant : dat de geestelijk levende gemeente voorbij gezien wordt.
Visschen in evangeliseerenden zin alleen gaat niet, leidt tot oppervlakkige prediking zonder de Waarheidsdiepte van het Woord en de gemeente begint aan geestelijke bloedarmoede te lijden. Bij visschen moet komen het weiden, want het ware Sion, de geestelijk levende kern, de schapen hebben niet genoeg aan de algemeene Waarheden, zij willen wat meer hooren n.l. de taal naar 't hart van Jeruzalem (Jesaja 40), het leven des geloofs, de wondere waarheden, die de Heere aan Zijn Kerk openbaart en toepast in het hart van Zijn volk. Zoo zal de prediking naast het uitroepen van Christus Rex (Christus is Koning) ook moeten zijn het verklaren van de geloofsgangen, welke die Koning met Zijn Kerk onder het Oude en het Nieuwe Testament heeft gehouden en thans nog houdt.
„Weidt Mijne schapen", zegt Jezus tegen iederen Evangeliedienaar en zoo rust deze opdracht in zijn algemeenen zin op lederen prediker.
De bijzondere taak van den Dienaar des Woords in onze Kerk is daarbij, die prediking te normeeren naar de belijdenisgeschriften, waarop de Kerk zich nu weer gesteld heeft, anders moet men die Kerk met zulke belfldenisgeschriften niet dienen.
Deze belijdenis is toch de vertolking van het leven des geloofs.
De prediking diene dus niet alleen te zijn een proclamatie Christus Rex in het midden der wereld (visschen), maar ook een vertolking en getuigenis van het leven des geloofs, dat onze vaderen in hun belijdenisgeschriften hebben neergelegd (weiden).
In de prediking komen dus de waarheden naar voren — natuurlijk niet te pas en te onpas, maar alleen als de tekst er aanleiding toe geeft — als : erfzonde, eeuwige verkiezing — mits op de juiste manier gepredikt — voldoening van Christus als hoogepriester, rechtvaardigmaking uit het geloof, heiligmaking, wedergeboorte, bekeering, roeping, ambten van Christus etc. (Zie in het bijzonder Ned. Geloofsbelijdenis art. 15—37).
Deze elementen achten wij als Gereformeerden noodzakelijk in de prediking en het is daarom, dat wij óns zoo moeilijk kunnen stellen onder de prediking, waarin het schriftuurlijk leven des geloofs verzwegen wordt.
Wij gelooven, dat onder de boven aangeduide schriftuurlijke geloofsprediking de schapen door het Woord geweid zullen worden en dat er onder de bedauwing des Geestes een volk gevormd wordt, dat leeft, als weleer, uit de belijdenis onder „de verkondiging des Woords".
Door dit weiden met de Schriftbelijdenis zal onze Kerk haar plaats als „belijdende" Kerk in ons volksleven weer kunnen innemen, al ben ik er ten zeerste van overtuigd, dat het een ontzaglijk moeilijke taak zal zijn in deze onkerkelijke, van God vervreemde wereld.
Visschen en weiden.
Een zeer moeilijke opgave het visschen en het weiden in de prediking te verbinden.
Zoo te prediken, dat de buitenkerkelijke den voorganger verstaat en dat tegelijk de gemeente opgebouwd wordt in het geloof. Aanpassing en woordkeuze en in vormgeving en een zich op deze moderne wereld instellen kunnen veel doen.
Toch blijft de opgave moeilijk. Maar het is noodzakelijk voor den prediker beide polen van de prediking te zien. .
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van donderdag 27 maart 1947
De Waarheidsvriend | 6 Pagina's
Bekijk de hele uitgave van donderdag 27 maart 1947
De Waarheidsvriend | 6 Pagina's