Meditatie
HET GROENE EN HET DORRE HOUT
Want indien zij dit doen aan het groene hout, wat zal aan het dorre geschieden ? Luc. 23 vs. 31
Dit is zeker wel één van de meest ernstige woorden, die op de via dolorosa, den lijdensweg van den Heiland, zijn uitgesproken. Ze worden door Jezus gericht tot de dochters van Jeruzalem, die Hem volgden op het laatste gedeelte van Zijn smartenweg naar Calvaria's top.
't Waren die dochters van Jeruzalem, die den Man van Smarten, met de doornenkroon gekroond, met Zijn van geeselslagen doorploegde rug, nu gaande Zijn droeve gang naar het vreeselijke kruishout, beklaagden en beweenden.
En, neen, laten wij dit weenen niet hooghartig of eigengerechtig afkeuren en dadelijk zeggen : „Och, dit was alles uitwendigheid, dat beteekende immers niets".
Integendeel. Laten wij ons veeleer verheugen, dat we nog menschelijkheid en deelneming ontdekken temidden van zooveel duivelschen nijd, boosheid en bloeddorst.
Het is toch ook zóó, dat de nijd en de laster van hun overpriesters tegen Jezus, het gevoel dat in haar sprak niet heeft vermogen uit te doven, maar dat ze nog durfden weenen over Hem, die van allen rondom haar gehaat en gevloekt werd.
En toch . . . . .. hoewel wij hier zeker niets afkeurenswaardigs zien in dat weenen dier vrouwen, is er iets dat ons treft, ontroert. Hetzelfde wat ons telkens weer treft en ontroert, als we letten op de velen, die getuigen zijn van het lijden van den Borg, op ieder willekeurig punt van Zijn lijdensweg.
En wel dit: dat er bij de discipelen, vrienden, en hier de vrouwen, wèl veel droefheid en een beklagen van Jezus wordt gevonden, maar zoo weinig zelfbeschuldiging en zelfverfoeiïng.
Wat ware het een groote schrede geweest op den weg des heils, op den weg der schuldvergiffenis, wanneer we van deze vrouwen lazen dat ze niet alleen Jezus beklaagden, maar ook weenden over zichzelven, over hun diepen val, hun erfelijke en dadelijke zonden, die dit schrikkelijk lijden noodig maakten. Die het noodig maakten dat de groote Schuldelooze als een Lam ter slachting werd geleid, wilde er nog een weg des behouds voor zondaren open worden gesteld.
„Wat klaagt dan een levend mensch . . . . . een ieder klage vanwege zijn zonden !"
Misschien zult ge zeggen : „Maar zóóver konden deze vrouwen toch nog niet zijn, die leefden nog zoo in de schaduwen, die stonden nog zoo vóór het groote Gebeuren, de Openbaring der Verborgenheden was voor hun nog zoo schemerachtig".
Ge hebt gelijk. Maar wij dan ? God heeft ons ten volle Zijn raad des Vredes geopenbaard en ons zoo duidelijk doen beschrijven de diepe zin van het borgtochtelijk lijden van den Heiland. En in de lijdensweken, die weer voorbij gegleden zijn, is het lijden van den Heiland ons in geschrift en prediking weer als voor oogen geschilderd geworden En hebben wij nu ook geweend over onszelven ? Och, misschien hebt ook gij, mijn lezer, wel tranen gestort over dat onzeggelijke lijden van den Heiland, misschien ook Hem wel beklaagd.
Maar nu dreigt er zoo groot gevaar, dat ge enkel wat geroerd zijt uit medelijden, enkel wat geweend hebt uit medegevoel.
En nu voelt ge u wellicht geruster, omdat ge Hem toch niet zooals zoovelen hebt beschimpt en bespot. En toch toch heeft uw weenen nog zoo weinig beteekend. Het léék wat, maar het was in werkelijkheid niets.
O, we kunnen zulke menschen van de schijn zijn, we kunnen schijnbaar zoover meegaan, zonder dat dat alles nog van eenige beteekenis is voor het heil van onze onsterfelijke ziel.
En nu komt de Heiland ons bij het wezen, bij de gróóte ernst der dingen te bepalen, wanneer Hij het uitspreekt tot de dochters van Jeruzalem, maar óók tot ons allen: „Want indien zij dit doen aan het groene hout, wat zal aan het dorre geschieden? "
Laten we op de groote uitlegkundige moeilijkheden, die velen in deze tekst zien, hier niet ingaan, daarvoor leent zich deze korte overdenking niet. Zelfs Calvijn aarzelt hier tusschen verschillende mogelijkheden van uitleg.
Maar wat doet het er toe ; laat het genoeg zijn, als we verstaan dat groen en dor hout hier een zinnebeeld is van vromen, van kinderen Gods, en goddeloozen.
Echter als we het dan ook zóó zien, dan is Jezus wel het groene hout bij uitnemendheid.
Hij, Gods lieve Zoon, die geen zonde gekend heeft, die Zijn leven heeft gegeven tot een rantsoen voor velen.
Jezus, de Weldoener der nooddruftigen.
Jezus, Wiens handen zich zegenend hadden uitgestrekt over de kinderkens, die tot Hem werden gebracht.
Ja, wat nog meer zegt dan dit alles: Jezus, Die Zijn heerlijke plaats in de woonstede Gods des Vaders verliet, waar Hij één in wezen met den Vader eeuwig mocht verkeeren in het ongeschapen licht, om neer te dalen op onze gevloekte aarde, om in te gaan in ons menschelijk vleesch, ja, om den toorn Gods om onze zonden op Zijn schouders te laden om voor arme en in zichzelf verloren zondaren nog een Zoar der Behoudenis te scheppen.
O, hoe is die dierbare Borg dan het groene hout bij uitstek ! En wat hebben zij gedaan aan dit groene hout ?
O, het is zoo vreeselijk, bjjna te vreeselijk om het uit te spreken, maar ook, het is helaas zoo waar, tè waar om het te verzwijgen.
Ze hebben Hem miskend, op Hem geloerd als op een misdadiger, verraden, gevangen genomen, valsch beschuldigd, gestompt, bespogen, gegeeseld, onschuldig ter dood veroordeeld en ten slotte den meest verschrikkelijken en verachten dood den kruisdood doen sterven.
Ja, dit alles hebben zij aan het groene hout gedaan, of we kunnen het zonder den tekst ook maar eenig geweld aan te doen, ook nog anders zeggen : Aan zulk een lijden heeft God Zijn Zoon, het groene hout, overgeleverd, omdat Hij tot een offer gemaakt werd voor de zonde.
O, maar wat zal dan de vlekkeloos Heilige doen aan het geslacht Zijns toorns, aan het dorre hout. Och, laten zoo dé woorden van onze tekst eens een heenwijzing zijn naar die volkomen gerechtigheid Gods, waarvoor de zondaar moet beven en waarvoor alle dorre hout als een stoppel in de vlam zal vergaan.
Wij luisteren vaak zoo gemakkelijk naar de prediking over het lijden van den Borg; we spreken vaak zoo licht over de liefde en barmhartigheid Gods. Maar zijn we ons evenzeer bewust, dat we onder dat alles nog dorre houten kunnen blijven ? Dorre houten, niettegenstaande alles wat er gedaan is om ons tot vruchtbare boomen te maken?
Dorre houten zijn we, en nog niets verstaan we van Gods Liefde en Barmhartigheid, als we nog niet eens gesidderd hebben onder Zijn goddelijk recht, dat ons deed kermen :
„Ik lag gekneld in banden van den dood. Daar d' angst der hel mij alle troost deed missen".
Dorre houten zijn we, als we nog vreemdelingen ziJn in eigen hart, en dat hart nog nimmer hebben leer en zien als een vuile bron van alle wanbedrijf.
En weet ge wat nu het ergste is ? We verbeelden ons vaak, dat we tot het groene hout behooren ; we leven daar gerust op voort, bezoeken getrouw onze kerk, luisteren naar de verkondiging van Gods Woord, gaan misschien wel aan aan den disch des Verbonds . . . . . .03 en toch kan het zijn, dat het alles zoo doodig en dor in ons is, dat er geen sprankje van leven te bespeuren is, omdat we nog nooit naar waarheid den psalmdichter hebben kunnen nazeggen :
Komt, luistert toe, gij Godsgezinden, Gij, die den Heere van harte vreest ; Hoort wat mij God deed ondervinden. Wat Hij gedaan heeft aan mijn geest"
omdat we nog niet hebben verstaan, dat het waarlijk niet alle tranen zijn, die de Almachtige in Zijn flesch bewaart, en dat niet allen, die hier „bedrukt" met tranen zaaien, zullen juichen als zij vruchten maaien.
Dan zal er toch een oprechte droefheid moeten zijn naar God. En wat dunkt u, geachte lezer, wordt die veel gevonden ? Bijvoorbeeld merken wij daar tegenwoordig veel van, zoodat de wereld er door wordt veranderd, of alleen ons vaderland er door wordt veranderd, of onze Vaderlandsche kerk ?
Maar laat ik de vraag liever anders stellen : Een ieder onderzoeke zichzelven nauw, ja, zéér nauw. Zoudt gij ook nog tot het dorre hout behooren ? O, het is voor ons allen toch zulk een vraag van groot gewicht, want ge hebt in de weken, die voorbijgegaan zijn, gehoord, wat aan het groene hout is geschied . . . . . . wat zal dan aan het dorre geschieden ?
O, wat zal het zijn, als God Zijn rechtmatigen toorn over de verharden, over de dorren zal uitstorten ? Een eeuwig omkomen, een afgekapt worden en in het vuur geworpen worden, om te verkeeren in eeuwige rampzaligheid, waar het woord „genade" niet meer bestaat, waar het woordje „vergeving" uitgewischt is en waar het woordje „verlossing" voor eeuwig tot het verleden behoort".
O, onzegbare en ondenkbare toestand ! „Want indien zij dit doen aan het groene hout, wat zal aan het dorre geschieden ? " Wat zullen wij nog verder zeggen ? Laten we dit zeggen : „Hetgeen het oog niet heeft gezien en het oor niet heeft gehoord en in het hart des menschen niet is opgeklommen, dat zal aan gericht en oordeel geschieden aan het dorre hout" ! Ontzettende gedachte !
Maar zalig voorrecht voor die nog zijn in het heden der genade, voor wie het nog geen afgesneden zaak is : de Heere en Heiland heeft dit harde woord uitgesproken, toen Hij vlak voor Zijn kruisdood stond, waar Hij ook voor dorren door Zijn plaatsbekleedend lijden nog verlossing heeft teweeg gebracht.
Maar o, myn lezer, zoek dan nog wat dient tot uw vrede.
En scheurt nog uw harte en niet uwe kleederen. Ge hebt toch al wel begrepen, dat ge van nature allen tot het dorre hout behoort ? Maar zijt ge daarmede al eens tot den Heere gevlucht ?
Hebt ge al eens de bede geslaakt, om uit vrije genade te mogen ontvangen genade voor genade, ja, menigerlei genade ?
O, waarlijk, de Heere heeft geen, lust in den dood des goddeloozen, maar daarin heeft de Heere lust, dat de goddelooze zich bekeere van zijnen weg en leve !
Toe, lezer, vlucht óók met de zonde van uw dorheid naar het kruis van Golgotha en vlucht erheen ledig en arm en uw dorheid belijdend, opdat gij door de zoenverdienste van den Heiland en door de vrije genade Gods nog eens mocht worden van dorre houten tot levende ranken in de levende wijnstok Christus.
Waarlijk, dit zal voor iedere toegebrachte ziel een eeuwig wonder blijven en bovenal een wonder, iwaardoor die dierbare Koning verheerlijkt wordt.
Amen.
(Blauwkapel)
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van donderdag 27 maart 1947
De Waarheidsvriend | 6 Pagina's
Bekijk de hele uitgave van donderdag 27 maart 1947
De Waarheidsvriend | 6 Pagina's