De Goede Vrijdag
De Goede Vrijdag is een extra-ordinaire Sabbat, die niet rechtstreeks valt onder het 4de gebod, doch er wel op teruggaat. Christelijke feestdagen kunnen gegrond zijn in het positieve recht Gods of in het permissieve recht Gods. Oud-Testamentische heilige tijden kunnen veranderlijk zijn, o. a. vastendagen. De door de Kerk vastgestelde tijden onder Oud- en Nieuw Testament zijn ordinair (godsdienstoefeningen en vergaderingen) en extra-ordinair (feestdagen). Onder Oud- en Nieuw Testament waren er kerkelijke bid- en dankdagen, wel te onderscheiden van direct door God voorgeschreven vasten- en feestdagen. Als vrije kerkelijke verordeningen zijn zo volgens het permissieve recht Gods gefundeerd in het 4de gebod. De wekelijksche sabbat is Goddelijke instelling, de andere zijn menscheltjk. De sabbat bindt de consciëntie direct als scheppingsordinantie, de andere feestdagen doen dit niet. De Sabbat is algemeen en bindt alle menschen.
De eigenlijke feestdagen zijn jaarlijksche en publieke kerkelijke rust- en vreugdedagen ter plechtige herdenking van het heilsfeit, en dit soort dagen ligt in hetzelfde vlak als de Oud-Testamentische feestdagen in eigenlijken zin. De vraag rijst, of zij tot den moreelen cultus institutus behooren, dan wel tot den typisch ceremoniëelen cultus. Rome maakt alles gelijk ; de Apostelen hebben ze nimmer gevierd en er is nergens melding van gemaakt. De Apostolische Kerk heeft ze ook nooit gevierd. Zij strijden tegen Gods Woord : Rom. 14 vs. 5, 6 ; Gal. 4 vs. 10 ; Coll. 2 vs. 16. Niet de dag, maar de herdenking op dien dag heeft betrekking op het heilsfeit. Ook is onzeker of de heilsfeiten op die bepaalde herdenkingsdagen hebben plaats gegrepen. Zij bezorgen de Kerk overlast, zij vermenigvuldigen steeds en berusten op dwaze volksijver. Men kan alle dagen wel feestvieren, omdat op alle dagen wel Goddelijke mysteria hebben plaats gehad. In den cultus der Christenen, die bestaat in gebed, lied, prediking en sacramentsbediening, moet steeds commemoratie geschieden. Derhalve moeten wij geen eigenlijk gezegde feestdagen scheppen. Men beriep zich daarbij echter op Exodus 20, doch Voetius verstaat dit alleen van den Sabbat.
In de vorige eeuwen heerschte er geen eenstemmigheid. Vóór Calvijn te Geneve waren de feestdagen afgeschaft, daarna zijn zij ongeregeld gehouden. Vóór 1618 was geen dier dagen in Schotland erkend. De Heid. Catechismus heeft ze in vraag 103 vervangen door den Sabbat des Heeren, met uitsluiting van alle andere dagen. De Synode van Dordt 1574 wil afschaffing, die van 1578 laat den Kerstdag toe, onder aandrang op afschaffing. Calvijn, Beza, Daneau, Amesius en Alting, verklaren zich tegen onderhouding der feestdagen.
Voetius zegt, dat het bestaansrecht dezer feestdagen door onze kerken niet wordt erkend, wat de practijk ook zij. De bestaande toestand wordt getolereerd met de vermaning geen Joodsche of Roomsche feesten te vieren. Men hield godsdienstoefeningen, om de ontheiliging tegen te gaan en Rome's invloed weg te nemen. Echter was men volkomen vrij, er is geen verplichting, geen recht van instelling, voorschrift of navolging, of ook veroordeeling van andere kerken, die deze dagen eervol begraven hadden. De kerkelijke bepalingen van 1586 en 1619 moeten gezien worden in het licht van 1574 en 1578.
De Reformatie stelt zich dus tegen de R.K. opvatting der N.-Testamentische kerkelijke feestdagen. Maar als de Kerk een dankdag kan uitschrijven, vrijblijvend, welk bezwaar bestaat er dan tegen een dag, waarop alle Christelijke Kerken een heilsfeit van Christus herdenken zonder Roomsche zuurdeesem ? Voetius' bezwaren sluiten dit wel niet uit, maar hij ziet in de afschaffing een nauwkeurig doorgevoerde reformatie. Daarbij komt nog een theoretische zijde : de wekelijksche rustdag is tot herdenking van Schepping en Opstanding en deze behoeft geen aanvulling. Ook is zij er ter herdenking van de heilsfeiten en, daarom zijn de aparte feestdagen overbodig.
Er is echter geen communis opinio. Zij zijn hier te lande wel niet afgeschaft geweest, zooals in Geneve, Frankrijk en Schotland vóór 1618, doch zij zijn gezuiverd en verminderd. Zij zijn aan de Kerk op gedrongen en in de Kerk ingedrongen. Maar al zijn nu de dienaren meer voor afschaffing dan voor bestendiging, zij kunnen zich toch conformeeren aan het gebruik daarvan. Geen dienaar breke met het algemeen gebruik. Waar zij onderhouden worden, geschiede het zonder syncretisme en symbolisatie met Rome. Voorstanders als Montacutius, beroepen zich op de Heilige Schrift, Overheidsgezag, Apostolische instelling, gewoonte der oude Kerk, algemeen erkend nut, tolerantie, kerkelijke vrijheid en moreele verplichting. — Voetius bestrijdt dit, doch bepleit volledige vrijheid.
Voorstanders willen het gronden in het 4de gebod, waarin iets moreels en ceremonieels is. Het moreele is, dat men een afgezonderde tijd heeft voor de publieke cultus. Op grond hiervan zijn wij niet vrij van het onderhouden van dagen. Voetius bestrijdt hierin Davenantius o.a. met de opmerking, dat de omstandigheden gewijzigd zijn. Voorts vraagt hij, waar het einde is als Overheid en Kerk zoomaar feestdagen kunnen instellen: Hij vat zijn conclusies samen als volgt: 1°. De feestdagen niet afschaffen ; 2°. Geen dienaar schaff e ze eigendunkelijk af, doch het volk dient onderwezen te worden aangaande oorsprong en inhoud ; 3°. De Kerken moeten elkaar niet verketteren om wel of niet gebruik.
Tenslotte zegt Voetius : In de onderhouding der feestdagen zit wel iets ceremonieels, doch men wake voor bijgeloof. De dag is geen gedenkteeken, want men weet de preciese data niet. Het bindend maken van dien dag doet tekort aan de algemeene moreel verplichtende verdeeling van den tijd in arbeidsweek en Rustdag volgens het 4de gebod. Het is ook niet bevorderlijk aan de volksopvoeding. Centraal is : 1°. het geoorloofde is absoluut ondergeschikt aan de positieve eisch van het gebod, en 2°. dat men rekene met practijk en kerkelijke vrijheid.
Voetius wil als Calvijn en de Engelsche puriteinen alle feestdagen afschaffen in den moreelen weg met behoud van kerkelijke vrijheid.
Naast bovenstaande beschouwing uit de dissertatie, van dr. C. Steenblok, vatten wij een artikel uit de Chr. Enc. kortelijks samen.
De eerste Christenen vierden den Goeden Vrijdag met grooten ernst. Tijdens de Alg. Concilies sprak men van het Paschen der kruisiging en het Paschen der Opstanding. Verwaarloozing van den Goeden Vrijdag ontstaat in het Westen sedert de Aziatische Christenen den 14 Nisan ten grondslag wilden leggen aan Paschen. Zelfs gold de Zaterdag der grafrust zwaarder dan de Vrijdag der kruisiging.
De middeleeuwen leveren veel symboliek op : kerkklokken zwegen, als waren zij gestorven, de lichten op de altaren werden gebluscht, als waren zij evenals de discipelen gevlucht, de mis werd gelezen in treurgewaad en het kruis werd omfloersd, fluisterend werd er gebeden. Bij Rome groote plechtigheden, echter geen misoffer, teneinde de aandacht te vestigen op het bloedig offer alleen.
Met de Reformatie viel de plechtige viering weg. Luther erkende geen enkele feestdag als door God ingesteld. De D, K. O. noemt géén Goede Vrijdag. Deze is voor het eerst door Christenen van onderscheiden kerken op 6 April 1798 in een huis op de Oude Delft te Delft gevierd met het H. Avondmaal door het genootschap Christo Sacrum.
In de 19de eeuw kwamen er verschillende verzoeken bij de Algemeene Synode om den Goeden Vrijdag tot gedenkdag te verheffen. Vooral de Groninger godgeleerden dreven in die richting, niet, omdat zij Jezus erkenden als het Lam Gods, doch om het menschelijk gevoel te brengen onder den indruk van het aandoenlijke van Jezus' sterven. Daarom verklaarden de orthodoxen er zich tegen. Ds. Gezelle Meerburg hield geen dienst. In 1817 heeft de Synode den avonddienst verplichtend gesteld. De opwekking van 19 Nov. 1853 had meer succes, toen de Synode de viering van het Heilig Avondmaal voorstelde.
In 1858 schreef Chantepie de la Saussaye in „Ernst en Vrede", blz. 165, het volgende : „Bij de toenemende afzondering van den Goeden Vrijdag ook tot viering des H. Avondmaals, wensch ik de vragen te opperen : 1. of men daardoor geen aanleiding geeft tot de voorstelling van het Avondmaal als alleen een herinnering aan den dood des Heeren, met terzijdestelling van het meer evangelische en zooveel rijkere denkbeeld van gemeenschapsoefening met den levenden Heer, waartoe de Paaschteksten zooveel meer aanleiding geven ; 2°. of hierdoor niet twee eigenaardigheden die de Gereformeerde Kerk bepaaldelijk van haar Luthersche zuster onderscheiden, verloren gaan, vooreerst dat zij den dood des Heeren niet isoleert, maar in betrekking stelt tot het geheel van Zijn persoon en werk, en ten andere, dat bij de bizondere heiliging van andere dagen, buiten den rustdag, geenszins begunstigt".
Tegen de verzoeken om bij de Regeering aan te dringen op erkenning van den Goeden Vrijdag, als Christelijke feestdag, maakte de Algem. Synode in 1896 bezwaar : De Roomschen doen het niet, andere gezindten houden dien dag niet hoog, dus kan de Hervormde Kerk zulks van de Regeering niet eischen.
In 1921 trad op het Comité „Goede Vrijdag herdenking". Het drong er bij den minister van Binnenlandsche Zaken op aan den Goeden Vrijdag gelijk te stellen aan den Zondag.
De Gereformeerden verzetten zich en vieren op Paschen H. Avondmaal, omdat de Kerk eerst na de opstanding voor het aanvaarde offer staat. Afschaffing van kerkdiensten acht men niet gewenscht. Tenslotte geef ik als mijn meening te kennen, dat de gemeenten de vrijheid gelaten worde, ten aanzien van de wijze waarop men dien dag of avond kerkelijk viert. Ook valt te bedenken of bij een eventuëele verheffing tot algemeen erkende Christelijke feestdag, de Goede Vrijdag niet meer onrust zou brengen dan de beoogde rust en ingetogenheid. Het dreigt een uitgaansdag te worden.
Men viere dezen dag naar de geaardheid der landstreek, hetzij den geheelen dag of des avonds, en houde dan des Heeren Heilig Avondmaal en trachte te bewerkstelligen; dat de arbeiders om 4 uur het werk kunnen neerleggen, en verzoeke de burgemeesters alle gelegenheden van publieke vermakelijkheden dien dag te sluiten.
( Ridderkerk.)
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van donderdag 27 maart 1947
De Waarheidsvriend | 6 Pagina's
Bekijk de hele uitgave van donderdag 27 maart 1947
De Waarheidsvriend | 6 Pagina's