Samuël, een zoon der Wet.
FEUILLETON
44)
Maar nog een halve week verliep in angstig wachten — dagen, waarin ook de Groote Verzoendag viel, en waarop de immigranten bij het aanbreken van den dag reeds in hun doodshemden naar Baitjisrael liepen, om met de menschen van daar hvm schuld te belijden en de eeuwigheid in het oog te zien. Ofschoon hun harten bij het vroeggebed van den Moessaaf sidderden, en hoewel zij tot aan den avond klagend bleven zingen, stroomden er toch niet zooveel tranen uit hun oogen als op den vorigen Verzoendag. Die van Baitjisraël koesterden bovendien nog een verwachting van zeer bijzonderen aard ; het volgend jaar zouden ook de laatsten van hen overgaan tot den bouw van werkelijke huizen ! Maar er was nog iets : het volgend jaar zou, nadat zij zich zoolang hadden beholpen, ook een eigen bedehuis voor hen verrijzen — een Synagoge, zooals zoo'n groote gemeente toch behoorde te bezitten. Zij hoopten, dat dan ook de „nieuwen" in staat zou den zijn tot den bouw iets bij te dragen, en dan zouden ook die onder dat zelfde dak met hen kunnen samenkomen.
Toen de maand October gekomen was, vertoonden zich op een morgen donkere wolkengevaarten, die voor de morgenzon nu niet meer verteerden, langs den hemel dreven en tegen den avond zich aan den Westelijken horizont als zwartblauwe massa's neerlegden. 's Nachts weerlichtte het tegen dien donkeren achtergrond. Geen tochtje was er meer waar te nemen, het stof rustte nu weer op den grond. De lucht voelde vochtig aan en werd zacht en bevrijdend door de longen der menschen opgenomen. Men kon merken, dat er regen kwam. Dat gaf aan allen een gevoel, alsof zij van een krankheid genegen waren. Ook de dieren en planten schenen zich op te richten en wat meer ruimte te krijgen. Een lichte kruiderige geur van kamille steeg op van den grond, het droge kruid herademde weer. Niemand zou dezen avond in staat zijn geweest zich op den gewonen tijd te slapen te leggen.
De „nieuwen" stonden bij hun hutten en keken naar den hemel, zij riepen elkaar hun verwachtingen en vrees toe en streden er over, hoe de wolken zouden trekken, en met een gevoel van weelde hoor den zij het eerste gerommel van een nog ver verwijderd onweer.
Mandel, die in de dagen van de zandstormen zich onophoudelijk had bezig gehouden met schoenen maken, wierp nu hamer en els op zij, en ging met Rea naar de ouden, die onder de Johannesbroodboom zaten. Toen zij daar juist aankwamen, scheen er voor het eerst een vaal licht over de vlakte, dat hutten, boom en menschen deed zien. Mandel leunde tegen een steenen muur, terwijl Samuel opsprong en zijn plaats op een rotsblok overliet aan zijn zuster. De jongen wandelde nu in de nabijheid op en neer, keek in het bijgebouw naar het vee, dat onrustig werd, zag eens uit achter de hut, en wist bij lederen nieuwen bliksemstraal in het wijde rond iets te ontdekken, wat hij melden kon.
Mandel en Rea bepraatten een poosje het weinige, dat zij de laatste dagen hadden beleefd en gedaan. Toen verwonderden zij zich over de zwijgzaamheid van de oudjes.
Deze gaven slechts halve antwoorden, of soms heelemaal geen, en toch waren zij niet verstrooid in hun doen of droomerig, en nog minder onvriendelijk.
(Wordt vervolgd).
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van donderdag 27 maart 1947
De Waarheidsvriend | 6 Pagina's
Bekijk de hele uitgave van donderdag 27 maart 1947
De Waarheidsvriend | 6 Pagina's