Kerklied, synode, Eenheidskerk (2)
In mijne brochure „De Kerk in Generale Synode" (1945) heb ik getracht objectief en vanuit het standpunt des geloofs in het licht te stellen, waar we in die dagen met de Kerk aan toe gekomen zijn, daarbij gedachtig aan 2 Tim. 1 vs. 7 : „Want God heeft ons niet gegeven eenen geest der vreesachtigheid, maar der kracht en der liefde en der gematigdheid". Iets anders is, dat wij met een bezwaard hart en vol vragen het oogenblik tegemoet zagen, waarop een Kerk, die reeds zoolang niet had vergaderd, anders dan in een gemuilbande Classicale Vergadering, de eerste stap zou zetten op den weg, waarop zij zich weer als Kerk zou kunnen openbaren, n.l. het samenkomen in een voorloopige Generale Synode.
Dat is nu gebeurd, en daarmede is aan de orde gekomen de vraag, welke Gods weg is met ons en voor ons, evenals ook de saamgekomen Synode dit stap voor stap te bedenken hebbe. Het ligt voor de hand, dat „formeel en materieel, de Kerk, in Generale Synode vergaderend, haar verleden als een keten met zich mee voert" (blz. 13), en dat deze nu en dan omtrent haar taak heeft misgetast. Ook mag niet verdoezeld worden, dat wij hier hebben eene vergadering van mannen, die leven uit verschillend beginsel. Wij hebben echter betoogd (blz. 18 en 16), dat Art. I Add. Artt. een appèl bevat aan de gewetens, n.l. om te handelen „in gehoorzaamheid aan de H. Schrift en staande op den bodem der belijdenisgeschriften" ; dat de aldus gegeven roeping geen ruimte laat voor persoonlijke meening ot willekeur, maar ligt in de continuïteit van het wezen der Kerk, zoodat de „vrijkomende" Kerk van 1945 niet anders kan en mag dan aansluiten bij de Kerk, zooals die vóór 1816 was.
De aangehaalde woorden uit Art. I staan daar in goed Nederlandsch. Philosophische en verwaterende beschouwingen, die sommigen getracht hebben daar omheen te spinnen, zijn waardeloos. Zoomin ik geloof, dat de Commissie van Ontwerp (hoe geschakeerd die was) met bedoelde woorden een twistappel heeft willen werpen, zoomin geloof, ik, dat zij alleen verstaanbaar zouden zijn of gemaakt moeten worden door al of niet gepromoveerde theologen. Zij zijn ook gericht tot en geacht verstaanbaar te zijn voor den gemeenen man, in casu de leden der kerkeraden. In verband hiermede mag er wel op gewezen worden, dat in het „Weekblad van de Ned. Hervormde Kerk" meermalen beschouwingen worden gegeven en debatten gevoerd, die een kerkeraad niet verteren kan, en beter in een Theol. Tijdschrift op hun plaats zijn. Ze laten ons evenwel weten, hoe groot momenteel de „spraakverwarring" nog is, en hoezeer sommigen meenen te staan op een „vrijen" katheder. (Wij hooren daar straks iets van).
Doch het eerste, wat ons m.i. van de voorloopige Generale Synode moet opvallen, is, dat de leidende figuren een bepaalde visie op het begrip „volkskerk" al aanstonds als vaststaand leimotief laten gelden. Zeer recent, in de pas rondgezonden „Richtlijnen voor de bespreking van het onderwerp : „De komende Kerkorde"", is sprake van „onze oude volkskerk", zelfs van onze „Christus-belijdende volkskerk". (De onderteekening ontbreekt bij dit stuk, zoodat het niet duidelijk is, of het door het moderamen der Generale Synode is opgesteld, dan wel door de Commissie voor de Kerkorde). In verband hiermede valt tevens op, dat de Synode haar kracht zoekt in de z.g. „organen van bijstand", bedoeld in de Add. Artt., zooals die deels in den oorlogstijd zijn tot stand gekomen, als noodorganen in een noodtijd, thans echter zijn uitgebreid en vermeerderd. Hierbij ook te noemen 't instituut „Kerk en Wereld".
Alzoo blijkt, dat deze Generale Synode er ernst mee maakt, om een kerkelijk verantwoorde werkorde te zijn; haar overladen agenda maakt dit tevens duidelijk. Mij houdt echter nu en dan de vraag bezig : moet die agenda, gezien het voorloopig karakter der Synode, wel zoo overladen zijn ? Van stonden aan is zij een weg ingeslagen, om, ondanks de Kerk zelve zich in ontredderden toestand bevindt, krachtens haar opvatting, dat deze blijkbaar in de eerste plaats „volkskerk" moet zijn en onder den drang der omstandigheden, zich zooveel mogelijk op alle terrein te laten gelden, daarom ook allen christelijken arbeid kerkelijk te overkoepelen. Wat dit laatste betreft, had dan eerst nog in discussie genomen moeten worden nl. 5 van Art. I Add. Artt., waarin sprake is van „arbeid, waartoe de Kerk wordt geroepen op alle terreinen des levens". Dit is met een bepaalde visie niet uitgemaakt. Dit houdt o.a. verband met grondslag en wezen der Kerk. Dit ligt in de sfeer van de nieuwe kerkorde. De noodorganen uit den oorlogstijd kunnen uiteraard niet alle blijvend zijn. Op een en ander werd in dit blad door den hoofdredacteur al de aandacht gevestigd.
Wij moeten er echter tegenopkomen, dat de Generale Synode niet alleen zichzelve, maar blijkbaar ook de Kerk als een werkgemeenscliap beschouwt en behandelt. Het gaat er op lijken, dat men een Hervormd-kerkelijke maatschappij zoekt op te bouwen, in zekeren zin een evenknie van Rome met haar Roomsche maatschappij. En vandaar het gevaar, dat zich trouwens al voordoet, dat dè vraag, door wie en hoe het werk zal geschieden, van minder belang schijnt, als het maar gebeurt, ook al is de werker slechts in naam Hervormd, mits hij maar voelt voor de „nieuwe koers", die Gemeente-Opbouw zich gerechtigd achtte in te luiden ; dat heet dan iemand, die „kerkelijk denkt". Een zeer frappant voorbeeld is de samenstelling van de „Commissie voor Noord-Holland boven het IJ", waarin niet minder dan 5 moderne „kerkelijke denkers" zitting hebben. Ds. Klein Wassink, te Alkmaar, zelf van het evangelie des Kruises vervreemd, is er voorzitter van. Zoo wil men nu een verstorven deel der Kerk „nieuw leven" gaan inblazen, en Beëlzebul door Beëlzebul uitdrijven ? Misschien vergis ik mij, en zal hij niet uitgedreven, doch slechts voor de „nieuwe koers" gewonnen moeten worden. Wij hoorden al van een vergadering, waarvoor deze voorzitter sprak, en met een minimale opkomst. Volkomen te begrijpen.
Deze en dergelijke dingen illustreeren, dat en waarom een nieuwe koers, waarvan een deel voorstander is, een verkeerde koers blijkt. Tegenover het éene uiterste, dat de richtingen zonder meer in haar oude strijdgedaante in de Generale Synode worden overgeheveld, staat nu het andere, dat men ze op een hocus-pocus-manier voor opgeheven beschouwt, en fundamenteele verschillen uitschakelt, om tot vermeend resultaat te kunnen komen. Wij moeten vooral geen teugellooze werkorde krijgen, al willen wij zoover mogelijk gaan in onze waardeering voor de overtuiging der leidende figuren, dat er in het midden van Kerk en volk zooveel te doen is, omdat het er zoo treurig bij staat in dezen na-oorlogschen tijd. Doch ook deze Synode moge bedenken, „dat de loop niet is der snellen". (Pred. 9 VS. 11), en: „Wie gelooft, die zal niet haasten". (Jes. 28 VS. 16). Dit laatste bijzonder in verband met de belofte des Heeren: „Zie, Ik leg eenen grondsteen in Sion, eenen beproefden steen, eenen kostelijken hoeksteen, die wel vast gegrondvest is".
Daarheen voeren ons dan ook de kwalen van dezen tijd en de vragen en klachten omtrent de Generale Synode terug. Wanneer er gehandeld wordt over de nu welbekende woorden : „in gehoorzaamheid aan de Heilige Schrift en staande op den bodem der belijdenisgeschriften", dan wil het mij voorkomen, dat te veel voorbijgezien wordt, dat de daarin gegeven roeping en vermaning zich niet alleen betrekt op de voorbereiding der nieuwe Kerkorde, maar ook op alles, wat verder in Art. I wordt opgenoemd. Dus : het getuigen, met de Kerk in al haar geledingen, van het Evangelie van Jezus Christus ; het leiding en vorm geven aan allen waren kerkelijken arbeid ; het gehoor geven aan de roeping der Kerk inzake de eenheid der Christenheid ; alles, alléén van uit dit hooge beginsel.
Ik ontveins mij niet, dat hiermede een probleem van geweldige beteekenis is gegeven, reeds aan deze voorloopige Synode, de vertegenwoordigster van een afgeweken Kerk. Met een belijdenis van algemeene ontrouw is men er niet. Het gemeenschappelijk deelnemen aan het H. Avondmaal vóór den aanvang der Synode-vergaderingen predikt : één Heere, één geloof, één doop. Er ligt iets aantrekkelijks in. Maar weten wij niet al te zeer, wat er aan ontbreekt ? De betuiging : wij moeten allen tot Christus bekeerd worden, bevat veel waarheid. Maar dan blijve niet in het midden Rom. 4 vs. 25 : „Welke overgeleverd is om onze zonden en opgewekt om onze rechtvaardigmaking". Het z. g. „kerkelijk gesprek kan verhelderend werken ; het zal dan echter tevens blijken, waar men met elkander uitkomt en waar men over uit gesproken is. Wij missen echter bij de Generale Synode, dat zij met dit probleem „zit". De vaart, waarmee zij is gaan starten, bewijst dit. Zij schijnt, evenals haar voorgangster, de Algemeene Synode, het maar aan elk harer leden persoonlijk over te laten, wat zij van, gehoorzaamheid aan de H. Schrift en het staan op den bodem der belijdenisgeschriften denken of wenschen te maken ; of mogelijk onderstelt zij van hen, dus ook van zichzelve, daaraan te beantwoorden.
Maar wat dan te denken van het door haar gegeven antwoord aan de Classis Heusden, inzake de belijdenis van den Christus der Schriften, als primair ? Zij beroept zich dan in eens op haar interimpositie, en spreekt van „voorbereiding op een belijdende kerk door bezinning op haar grondslag". Zij weet dus niets af van de plaats, waarop zij behoort te staan, d.i. op den bodem der belijdenisgeschriften, en van enkel gehoorzaamheid aan de H. Schrift ? Bij een dergelijk brevet van onvermogen behoorde zij eigenlijk heen te gaan. Maar zij ontwijkt het probleem, dat ziJ van meet af, al in haar eerste vergadering, aan de orde had moeten stellen. En als dan de discussies omtrent het haar onvoorwaardelijk in Art. I gegeven uitgangspunt waren vastgeloopen, welnu, dan had zij zich tot de grondvergaderingen der Kerk, de Classicale, moeten wenden, tot het vernemen van het gevoelen der Kerk. Dan had van daar uit en algemeen zich de Kerk, na zooveel jaren (meer dan een eeuw) weer eens kunnen bezinnen op haar grondslag, van waar zij is afgegleden. Want nu zijn er wellicht meerdere Classicale Vergaderingen geweest, die in Oct. 1946 (er was immers haast bij het werk) zich niet of maar heel weinig bezonnen op hetgeen ook van haar verwacht werd, n.l. het kiezen van een Synodelid, dat geacht kon worden zijn taak te vervullen in gehoorzaamheid aan de H. Schrift, enz. In Nijmegen wilde men, zonder een woord te spreken, maar dadelijk gaan stemmen. (Men had trouwens van te voren al „stemming gemaakt"). Toen ik daar, in haam van Art. I, tegenop kwam, bleek deze ethische vergadering „bezinning op den grondslag der Kerk" niet noodig te vinden; men moest iemand hebben, die „kerkelijk denkt", en daarom mochten dan wel namen ter aanbeveling genoemd worden. Toen kwam de klap op de vuurpijl. Eén der ethische predikanten van Nijmegen stond op, en beval aan, als den man, die voor de Synode het meest geschikt kon worden geacht, zijn vrijzinnigen collega ; die echter het fatsoen had, om te antwoorden, dat hem dit „als eenlmg" niet toekwam. Niettemin werd hij door een z.g. „rechtzinnige" classis afgevaardigd als secundis-lid. Alzoo is het heel niet overbodig, dat eens op de Classicale Vergaderingen enkel de Bijbel en de Belijdenis ter tafel komen.
Is dus de Generale Synode haar interim-positie, haar voorloopig karakter, zich wel bewust, dan zal zij eenerzijds niet uit den weg mogen gaan voor haar welomschreven taak, anderzijds niet te veel hooi op den vork nemen, en zeker niet zich mengen in zaken, die buiten haar bevoegdheid vallen. Zij benoemt een commissie voor een nieuwe Psalmberijming. Doch er staat niets van in de Add. Artt. Zij heeft met de Psalmberijming niets te maken, evenmin met den Gezangenbundel, waaromtrent zij de bezwaren, klachten en wenschen zoekt in te zamelen. Dit en nog meer ligt ter beoordeeling van dé krachtens nieuwe Kerkorde saam te roepen eigenlijke Generale Synode. Het komt mij voor, dat men óók te ver gegaan is, door de hereeniging met de „Geref. Kerken in Hersteld Verband" tot stand te brengen. Dat kan niet zonder zich te bezinnen op den grondslag van eigen Kerk zoowel als van dien der genoemde Kerken. Wat zou men doen, ais morgen b.v. de Remonstrantsche Broederschap of de Doopsgezinde Sociëteit voor hereeniging zich aanmeldde ?
(Slot volgt.)
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van donderdag 3 april 1947
De Waarheidsvriend | 6 Pagina's
Bekijk de hele uitgave van donderdag 3 april 1947
De Waarheidsvriend | 6 Pagina's