Kerklied, synode, Eenheidskerk (3)
(Slot.)
III.
Ook tegen de instelling van het instituut „Kerk en Wereld" gaat ons bezwaar. Niet, dat op zichzelf zulk een instituut niet noodig of bruikbaar zou zijn. Maar 't is hier weer, als zooeven genoemd. Op dit terrein van inwendige zending staat weer op de tweede plaats, door wie en hoe het werk geschiedt; als het maar geschiedt. Dat geldt zoowel den leeraren als den discipelen. Moet ik aannemen, dat, in gehoorzaamheid aan de H. Schrift en staande op den bodem der belijdenisgeschriften, o.a. de vrijzinnige heeren dr. Banning, dr. Kruyt en dr. Van Veen zijn benoemd ? En komt het er niet op aan, door welk beginsel de leerlingen van het instituut gedreven worden, die straks tot de schare zullen uitgaan ? Wij staan hier metterdaad voor gewichtige vragen.
Laat ons er niet mee doorgaan. Het was evenwel te verwachten, dat er moeilijkheden zouden loskomen bij den nieuwen stand van zaken, al kon niemand van te voren zeggen, van welken aard die zijn zouden. Daarvoor lag alles te zeer verward. Het is echter zaak, dat de belijders der Waarheid dit door Gods kracht zoeken te blijven, hun roeping getrouw. Wij zien als teeken des tijds, zoowel in het politieke als in het kerkelijke leven een versmelting van beginselen, waarbij men het oude humanisme weer nieuw leven zoekt in te blazen. Het gaat om en voor en door den mensch ; hij in het middelpunt. Eenheidspartijen treden op, niet omdat men het zoo eens is, maar als pogen om de omstandigheden naar zich te dwingen, en zoo boven de ellende uit te komen. Iets dergelijks is te speuren in wat als „nieuwe koers" wordt aangeprezen in ons kerkelijk leven. Zij werd uitgebeeld in het samengaan der heeren dr. K. H. E. Gravemeijer, prof. dr. W. Banning en prof. dr H. Kremer, de eerste een man van gereformeerde overtuiging, de ander van vrijzinnigsocialistische beginselen en de laatste geen theoloog, maar van vrome irenische natuur. Men zegt, dat zij elkander gevonden hebben in hun gijzelaarstijd. In zulke omstandigheden leert men elkander zeer zeker waardeeren, vooral om wat vereenigt tegenover een gemeenschappelijken vijand. Dit was in den oorlogstijd vaak ook in het gewone leven op te merken. Te ver gaande conclusies doen echter feil gaan. Wij hebben sinds de bevrijding gelegenheid genoeg gehad om op te merken, dat er een eenheid kan gefabriceerd worden, wanneer beginselen scheiden, en dat bovendien het wegdoezelen van verschillen nog geen eenheid brengt, en ook geen kracht doet ontwikkelen.
In de „nieuwe koers" nu is men elkander gaan suggereeren, dat de partijschap de oorzaak van alle ellende is. Houdt men daarmee op, dan wordt het pas goed. Vraag : Kan 't ook niet zóó zijn, dat partijschap op haar beurt weer gevolg is van eene andere ellende, maar die men in verkeerd idealisme over het hoofd ziet ? Is het niet als bondig en uitgemaakt te beschouwen, dat in de Kerk het afwijken van de Waarheid de oorsprong van richting en partijschap is geworden ? Als men zich naar Jesaja 8 vs. 20 niet naar „wet en getuigenis" laat terugroepen en - leiden, maar uit is op perspectieven voor eene nieuwe (andere) toekomst, dan komt er geen herstel van de Kerk, maar tracht men op het puin van de oude een nieuwe Kerk te stichten. Het overspannen Kerkbegrip, waarvan de „nieuwe koers" zich bedient, wijst m.i. in die richting. Ik bedoel de Kerk-maatschappij of maatschappij-Kerk, die aan de orde is gekomen, en waarin aan Christendom en humanisme beide een plaats wordt ingeruimd, waarin de namen „rechtzinnig" en „vrijzinnig" zullen moeten verdwijnen. Al wat voorheen maar onder den naam „Hervormd" zich aandiende en kerkelijk geen sanctie of onderdak kon krijgen, moet in het officiëele kerkverband worden opgenomen (dit geldt vooral de vrijzinnigheid). De werkende kerk, de eenheidskerk der toekomst, schijnt dit te vereischen. Zijn niet vele Vrijzinnigen aan het „zwenken" geraakt ? Ik sprak er een, die mij verklaarde op grooten afstand te staan van de oude modernen en hun brave Hendrikken. Jawel, maar nu de prediking dezer nieuw- of rechtsmodernen. Ik beluisterde die van dienzelfden spreker in den evacuatie-tijd, en het was het oude geloof in den mensch, in ietwat andere gedaante. Ook dr. Spelberg verklaarde nog onlangs, dat hij ook nu het geloof in den mensch nog niet had verloren.
De „vooruitgang" bij het modernisme is er dan ook een van de studeerkamer. Nog onlangs kon die het begreep, dit constateeren in een beschouwing van prof. dr. H. de Vos in het Weekblad der Kerk. „Zijn wij nog vrijzinnig ? ", zoo vroeg hij. Het antwoord zou kunnen luiden : als gij dat niet meer zjjt (ik geloof van wèl), wat zijt gij dan ? Toch niet zwevend tusschen het éen en het ander ? In „de Gereform. Kerk" van 6 Maart kondigt ds. Groenewoud een boek aan van prof. Sevenster te Leiden : „De Christologie van het Nieuwe Testament", en constateert ook bij dezen vrijzinnige een gelukkige verschuiving van opvattingen. Het belet hem niet boven zijn artikel te plaatsen het opschrift : „Verblijdend en benauwend".
Dat is het. Vooral benauwend, wanneer men er aan meewerkt, vóórdat de Kerk zich in en na de te verwachten Kerkorde rekenschap kan geven van deze dingen, dat nu reeds een stilzwijgende uitspraak geschiedt ten gunste van een evangelie naar den mensch (zie Galaten 1 vs. 9—11), en daaraan het kerkvolk, waaronder vele onkundigen, wordt overgeleverd. Is dit te verantwoorden ? Ook door de Generale Synode, die blijkbaar in de eenheidskerk haar ideaal ziet ? Zoo hebben al Utrecht, Heemstede, straks Groningen (en Amsterdam ? ) hun vrijzinnigen predikant gekregen, als gevolg van de „nieuwe koers", die daar anders nimmer zou gekomen zijn. Het is bewezen, dat, dank zij het overspannen Kerkbegrip en de propaganda daarvoor slechts de vrijzinnigen zichzelf kunnen feliciteeren, dat zij tot Gemeente-Opbouw zijn toegetreden. Zij hebben er wol bij gesponnen, en hadden te voren nooit kunnen droomen, door hun vroegere tegenstanders zoo met vlag en wimpel te worden binnengehaald.
Waar moet dat nu belanden, als dergelijke, nu reeds geforceerde toestanden, voor de vierschaar eener nieuwe Kerkorde komen te staan, en als waar zou gemaakt moeten worden, wat in de „Richtlijnen" der Kerkorde (blz. 4) wordt opgemerkt : „Indien geboden, zal de Kerk ook metterdaad moeten weren, wat haar belijden weerspreekt op een wijze, dat de grondslagen van haar rechte leven zouden worden ondermijnd" ? Of heeft men de veiligheidsklep gevonden in de onmiddellijk voorafgaande woorden : „te vorderen zich te blijven bewegen in den weg van het belijden der Kerk" ? Deze woorden zijn op zichzelf al „bewegelijk" genoeg.
Welnu, dit mijn schrijven is ingegeven door den drang, om met allen ernst te waarschuwen tegen het drijven der „eenheidskerk", met als heilloos gevolg het opsmelten van waarheid en leugen tot een soort „eenheidsgeloof", de verbastering in optima forma. Zij, die hier geheel of gedeeltelijk steun verleenen, moeten het voor hun geweten uitmaken. Zeker is, dat het reformatorisch beginsel hier onvoorwaardelijk „neen" zegt. Daarom moet de Gereformeerde gezindheid zich hiertegen uitspreken, en zoo noodig njeuwe stellingen betrekken. Daarom kan ik, in tegenstelling met collega Van der Zee, volkomen begrijpen en billijken, dat mannen uit onzen kring weigeren zitting te nemen in commissies en raden, die op de eenheidskerk zijn ingesteld. Met evenredige vertegenwoordiging zijn wij hier niet gebaat. Wij kunnen geen ander doel hebben, dan dat de Ned. Herv. Kerk door God uit haar diepen val moge opgericht worden en als zoodanig haar plaats in het volksleven verkrijgen. Om daarmede te staan en — zoo noodig — te vallen.
Zullen wij verder onze door het beginsel geboden vereenigingen van ouderen en jongeren laten doorkruisen door die het „eenheids"-stempel dragen, zonder uitgesproken beginsel, als bijv. de Jong- Hervormden en de uit den Christ. Nat. Werkmansbond omgesmede Herv. Mannen-vereenigingen? Vandaar, dat de Geref. Bond al niet meer de (van doel veranderde) Paaschcollecte der Synode kan accepteeren, en die van vroeger tijd heeft hersteld. Vandaar, dat de „aanslag", die de kerkeraden thuis kregen en die o.a. uitgaven moet honoreeren, waarin wij niet gekend zijn en waarmede wij ons niet kunnen vereenigen, maar zoo niet kan voldaan worden. Vandaar, dat wij niet kunnen sympathiseeren met het I.K.O.R. (de z.g. kerkelijke radiouitzendingen). Al wat de vrijzinnigen (en dat is dikwijls) zich hier zien toegewezen, is enkel winst, want ze hebben ook nog de V.P.R.O. Is dat nu de weg der noodzakelijkheid voor de Kerk, om zich in den aether te doen hooren ? Het gevolg is, dat de N.C.R.V. geen enkelen Hervormden kerkdienst meer uitzendt, en de gescheiden kerken varen er wel bij. Zietdaar, wat ook hier het overspannen kerkbegrip heeft bereikt. (Intusschen vernam ik van de N.C.R.V., dat zij toch nog Hervormde kerkdiensten zou willen uitzenden, als een tamelijke groep rechtzinnige Hervormde predikanten daartoe het verzoek zou doen).
Het lijkt mij noodzakelijk, dat onzerzijds aan de Generale Synode de gerezen bezwaren, op grond van beginsel, worden kenbaar gemaakt en nader uiteengezet, wat van haar verwacht mag worden. Tegenover de „eenheidskerk"-beweging staat het naakte feit, dat, als straks de geheele organisatie van 1816 mocht wegvallen, de Kerk zich historisch aan ons voorstelt in haar Provinciaal verband en onderscheiding, waaraan ook een nieuwe Kerkorde geen geweld mag doen, evenmin als aan de vóór 1816 vigeerende belijdenis. Tevens blijkt dan, dat Gereformeerde belijders geen richting óf partij vertegenwoordigen, en in strijd met de bewering van ds. Woelderink (Voorwoord, 4e druk, „De gevaren der Doopersche geestesstrooming") behoeven zij die ook niet te handhaven.
Onze hulp zij in den Naam des Heeren !
(Heteren)
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van donderdag 10 april 1947
De Waarheidsvriend | 6 Pagina's
Bekijk de hele uitgave van donderdag 10 april 1947
De Waarheidsvriend | 6 Pagina's