De Waarheidsvriend cookies

Voor optimale prestaties van de website gebruiken wij cookies. Overeenstemmig met de EU GDPR kunt u kiezen welke cookies u wilt toestaan.

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies zijn verplicht om de basisfunctionaliteit van De Waarheidsvriend te kunnen gebruiken.

Optionele cookies

Onderstaande cookies zijn optioneel, maar verbeteren uw ervaring van De Waarheidsvriend.

Bekijk het origineel

Meditatie

Bekijk het origineel

+ Meer informatie

Meditatie

Gethsémané!

11 minuten leestijd

Mattheüs 26 vers 36—46. Toen ging Jezus met hen in eene plaats, genaamd Gethsémané, en zeide tot de discipelen: Zit hier neder totdat Ik heenga en aldaar zal gebeden hebben.En met Zich genomen hebbende Petrus, en de twee zonen van Zebedéüs, begon Hij droevig en zeer beangst te worden.Toen zeide Hij tot hen: Mijne ziel is geheel bedroefd tot den dood toe; blijft hier en waakt met Mij. En een weinig voortgegaan zijnde, viel Hij op Zijn aangezicht, biddende en zeggende: Mijn Vader, indien het mogelijk is, laat deze drinkbeker van Mij voorbijgaan! doch niet, gelijk Ik wil, maar gelijk Gij wilt. En Hij kwam tot de discipelen en vond hen slapende, en zeide tot Petrus: Kunt gij dan niet één uur met Mij waken ? Waakt en bidt, opdat gij niet in verzoeking komt; de geest is wel gewillig, maar het vleesch is zwak.Wederom ten tweeden male heengaande, bad Hij, zeggende : Mijn Vader! indien deze drinkbeker van Mij niet voorbij kan gaan, tenzij dat Ik hem drinke. Uw wil geschiede !En komende bij hen, vond Hij hen wederom slapende; want hunne oogen waren bezwaard.En hen latende, ging Hij wederom heen, en bad ten derden male, zegende dezelfde woorden.Toen kwam Hij tot Zijne discipelen en zeide tot hen: Slaapt nu voort en rust; ziet, de ure is nabij gekomen en de Zoon des Menschen wordt overgeleverd in de handen der zondaren.Staat op, laat ons gaan, ziet, hij is nabij, die Mij verraadt.

Toen de Heiland aan het einde van den Paaschdisch den lofzang met Zijne discipelen had gezongen, trok Hij met hen naar den Olijfberg. Daar placht Hij vroeger zoo menigmaal te vertoeven in den hof van Gethsemané, die gelegen was tegen de helling van den Olijfberg. Heit was een sombere tocht in het nachtelijke uur. Judas, de verrader, was op weg naar de overpriesters om zijn boos werk te voltooien.

Somber weerklonk de voorspelling van de lippen van den Heiland, dat al de andere discipelen in den komenden nacht aan Hem, zouden worden geërgerd. De discipelen zelf meenden, dat zoo iets onmogelijk was. Om beurten verklaarden ze allen, dat ze bereid waren om met Hem te sterven.

Aan den ingamg van den hof heeft Hij acht van Zijne discipelen achtergelaten. Petrus, Jacob en Johannes werden nog weer wat verder in den hof meegenomen. Dat was hetzelfde drietal, hetwelk Hij er eens toe verwaardigd had om tegenwoordig te zijn bij de opwekking van het dochterke van Jaïrus en het waren ook de drie kroongetuigen, die Zijne heerlijkheid hadden aanschouwd op den top van den berg Thabor, toen Hij voor hun aangezicht van gedaante werd veranderd.

Hij scheidde zich echter van hen af omtrent een steenworp. Dat is dus net zoo ver lals men met een steen gooien kan. Zeg b.v. vijftig á zestig-passen. Maar toch was deze afstand niet zoo groot, of het drietal heeft in het bleeke maanlicht van uit de verte nog kunnen zien, hoe de Meester bedroefd en beangst en verbaasd begon te worden en hoe Hij zich op de aarde neerwierp om in den gebede met God te worstelen.

„Wat mag dat toch zijn ? " zoo hoor ik u vragen. „Van waar toch die angst en die verbaasdheid ? "

In de Paaschzaal was er geen angst te bespeuren op het gelaat van den geliefden Meester. Wel was Hij zich ten volle bewust van het naderende gevaar. De verrader zelf werd door Hem, ontmaskerd. Maar Hij zag de toekomst zoo klaar voor oogen, dat Hij zelfs het Groothallel kon zingen.

En nu zien we op eens die angst en die droefenis.

Er zijn er, die er zich aan hebben gestooten. Een held mag immers niet vreezen ! zoo heet het toch. En men heeft gewezen op de helden, die liever de lont in het kruit wierpen en met het heele schip in de lucht vlogen, dan zich overgeven aan den vijand. En men heeft geprezen den moed van den wijsgeer Socrates, die blijmoedig den gifbeker zou hebben gedronken.

Wat zou dat echter ? Kan ook het Christendom niet eveneens wijzen op zijn geloofshelden ?

Zijn er dan geen honderden Christenen geweest, die vol geloof den brandstapel of het schavot hebben beklommen ? Ja, de gemeente van Christus Jezus heeft ook hare geloofshelden. En zij heeft er niet weinigen.

„Maar hoe komt het dan", zoo hoor ik u vragen, „waarom zij vol vertrouwen en zonder vrees de toekomst tegemoet gingen en waarom de Meester zelf zoo bedroefd en zoo verbaasd en zoo beangst was ?"

Lezers, dat raadsel is alleen te verstaan, als ge op den Heere Jezus leert zien als op den eenigen lijdenden Borg en Middelaar.

Heeft de apostel niet gezegd, dat God Dien, Die geen zonde gekend heeft, zonde voor ons heeft gemaakt. Welnu, beladen met de zonde van al Zijn volk nadert Hij den Vader in den gebede in den hof van Gethsemané om Hem te smeeken om Zijn gunst. Doch ziet, de Vader verbergt Zijn aangezicht voor Hem.

O, wat zal satan zijn aanvallen in die oogenblikken hebben verdubbeld. In de woestijn aan het begin van Zijn profetische werkzaamheid had hij geprobeerd om Hem, te winnen door Hem al de koninkrijken der wereld te beloven, als Hij maar zou nedervallen om hem, den satan, te aanbidden. Nu doet de duivel het anders. Nu zal  hij beproeven om Hem door de bitterheid van den drinkbeker af te brengen van den lijdensweg.

Naar Zijn menschheid had Hij thans behoefte aan menschelijke vertroosting. Het is daarom, dat Hij ze deelgenoot van Zijn smart maakte, toen Hij zeide: Mijn ziel is geheel bedroefd tot den dood toe; blijft hier en waakt met Mij.

„Tot den dood toe", zoo staat er geschreven. Was het dan zoo erg ? zoo hoor ik u vragen.

Ja, lezers, zoo erg was het. Hier wordt de aanschouwing van de gerechtigheid Gods geen oogenblik getemperd door de gemeene gratie vaoi den Vader. Neen, thans voelt de Zoon, wat het zeggen wil, om als het met zonde beladene Lam voor God te moeten verschijnen.

Toen bleef den Heiland geen andere weg meer over dan zich als een worm in het stof te kronkelen en den Vader te smeeken om Zijn gunst.

O, wat een aangrijpend gebed! „Mijn Vader, indien het mogelijk is, laat dezen drinkbeker van Mij voorbijgaan; doch niet gelijk Ik wil, maar gelijk Gij wilt."

Anders roept de Heiland God meestal aan met den naam van Vader. Hier is het nog inniger: Mijn Vader!

Het is alsof Hij wil zeggen: Gij zijt toch Mijn Vader en Ik ben Uw Kind. Waarom dan die alsem der bitterheid in Mijn beker?

De Heiland wil worstelen in den gebede om in te blikken in Gods aanbiddelijken raad. Als die raad zegt, dat Hij moét lijden, welaan, dan niet gelijk Ik wil, maar gelijk Gij wilt.

Zalig de mensch, die 't mag zeggen met den dichter van den drie en zeventigsten psalm: Gij zult mij leiden door Uw raad en daarna zult Gij mij in Uwe heerlijkheid opnemen. Ik herinner mij nog levendig het gebed van een van Gods kinderen in de dagen mijner jeugd, die zoo menigmaal in zijn gebed placht te zeggen: Indien het zijn kan, o Heere !

Dat „indien het zijn kan" is ook weer een blikken naar dien raad.

Zalig Gods kind, hetwelk het van den Heiland in Gethsemané mag leeren om met den alsem der bitterheid in zijn leven maar den raad Gods te vluchten.

Maar ik dacht ook nog aan een ander woord. In de profetie van Jasaja staat geschreven van den Messias, dat in alle hunne benauwdheden ook Hij benauwd was.

Zalig die arme zondaar, die met zijn angst en benauwdheid naar den bedroefden, verbaasden en beangsten Heiland van Gethsemané leert vluchten, naar dien grooten Borg en Middelaar.

Na de eerste gebedsworsteling spoedde Hij zich naar Zijm discipelen. Hij had toch zulk een behoefte aan meeleven. Wat wilden we als kind, toen we ziek waren, gaarne dat moeder bij ons zat, of vader. We legden onze hand in de hunne. En als we ouder zijn geworden, dan willen we dat man of vrouw en kinderen bij ons zullen blijven. „O laat mij toch niet alleen, " roepen we dan.

Maar o, welk een teleurstelling! Hij vond de discipelen in slaap. Hoort, hoe Hij zich tot Petrus richtte met die droeve vraag : „Kunt gijlieden dan niet één uur met Mij waken ? "

Petrus had zich toch enkele uren te voren bereid verklaard om met den Heere Jezus te sterven en ziet, nu schijnt hij niet eens in staat te zijn om een uurtje bij Hem wakker te blijven, nu de hel rondom Hem is losgebarsten.

En Jacobus en Jdhannes, dte zonen van Zebedeus ? Waar bleven zij ? Hadden ze vroeger niet beleden, dat ze bereid waren Om den drinkbeker te drinken, dien Hij zou te drinken geven.

Ook zij waren in slaap gevallen. Ook hunne oogen waren bezwaard.

En dat waren nu de pilaren van de kerk. Is het niet aangrijpend, dat de kerk sliep, toen de Heiland worstelde aan het Vaderhart om hun eeuwige redding en behoud ?

Vermanend spreekt Hij hen toe: „Waakt en bidt, opdat gij niet in verzoeking komt: de geest is wel gewillig, maar het vleesch is zwak".

Ook de wereldling neemt dat woord wel eens over de lippen. Doch ten onrechte. Zulks geschiedt dan eigenlijk om de zonde goed te praten en zichzelf te rechtvaardigen.

Maar de discipelen hadden een ander leven leeren kennen. Ze waren in beginsel ontdekt aan zonde en schuld en hadden beleden, dat de Meester de woorden des eeuwigen levens bezat.

En ondanks dat alles kon het vleesch zoo gemakkelijk de overhand hebben. Wie van Gods kinderen kent niet de tijden waarin hij het in gewilligheid des geestes heeft uitgeroepen: Ik, Heere, ik zal nooit meer zondigen. Ik wensch U alleen te dienen en te vreezen en U te volgen door bezaaide, maar ook door onbezaaide landen.

Was het ook niet de ervaring van den apostel Paulus, dat het kwade hem nabij was, toen hij het goede wilde doen? Moest hem dat niet de smartkreet doen slaken : Ik ellendig mensch, wie zal mij verlossen uit het lichaam dezes doods ?

O, mijne geliefden, wat zou er van geworden zijn, indien aan onze redding iets had moeten worden toegevoegd door den mensch? Dan was het immers voor eeuwig verloren. Maar neen!

Het is niets van ons, het is al van Hem. Zoo reist men naar Jeruzalem.

Wederom ten tweeden male henengaande, bad Hij, zeggende: Mijn Vader, indien deze drinkbeker van Mij niet voorbij kan gaan, tenzij dat Ik hem drinke, Uw wil geschiede.

Het zijn haast dezelfde woorden als in het eerste smeekgebed. Maar toch is het een variant. Er ligt in uitgedrukt, dat de groote Borg en Middelaar bereid is om den raad Gods uit te dienen ter redding van arme zondaren.

Maar wellicht komt ook nu de vraag bij u op, of het gebed van den Heiland verhooring heeft gevonden. En dan kan het antwoord niet anders dan bevestigend luiden.

Er kwam immers een engel van den hemel om Hem te sterken. Of die engel op het eerste smeekgebed is afgedaald, wat ons het bericht van Lucas doet veronderstellen, of pas later, laten we hier rusten.

In elk geval vond het gebed verhooring. De hemel was nog niet geheel van koper. Wel kwam de Vader zelf niet, om Zijn Zoon te troosten. Hij zond echter een knecht.

Dat het Hem den vollen troost niet bracht, blijkt wel hieruit, dat we bij Lucas lezen : „En in zwaren strijd zijnde, bad Hij te ernstiger. En Zijn zweet werd gelijk groote droppelen bloeds, die op de aarde afliepen".

Blijkbaar is door het woord van den engel de strijd nog heftiger geworden. Het moet wel een ontzettende strijd zijn geweest, dat Zijn dierbaar bloed tegelijk met het zweet uit de aderen naar buiten werd geperst.

Wat is er al heel veel geschreven over het bloed, hetwelk gevloeid is aan 't kruis van Golgotha. Het bloed uit Zijn heilige handen en voeten; het bloed uit de kleine wonden door de doornenkroon ; het bloed uit de speerwonde in Zijn zijde.

Maar even dierbaar is Zijn bloed, hetwelk de aarde van den Olijvenhof rood heeft gekleurd.

Zoo heeft de Heiiland tot driemaal toe gebeden en telkens treft Hem de smart, dat Hij Zijne discipelen slapende vindt. Maar ziet, nu is het niet meer noodig, te waken. Hoort het Hem vol triumf uitroepen: „Slaapt nu voort en rust; zie, de ure is nabij gekomen, en de Zoon des Menschen wordt overgeleverd in de handen der Zondaren".

Heilige ironie. Want het was nu geen tijd meer om te slapen. De strijid was gestreden. De Zoon is ten volle vereenigd met den raad van Zijn Vader. Hij zal den beker van de gerechtigheid Gods ledigen tot op den bodem toe. Hij zal alleen de schuld betalen en Zich geven tot een rantsoen voor velen.

En de discipelen dan? Moeten die dan niet waken en bidden ?

Zeker, lezers! Elk, die de kracht van dat reinigende bloed voor eigen hart en leven heeft mogen smaken, zal ook leeren waken en leeren bidden.

De oogen moeten open voor de gevaren der zonde. Satan gaat rond als een brieschende leeuw. De wereld spant overal hare slagnetten; en daar komt nog het eigen vleesch bij.

Maar hij, die de gevaren ziet, zal ze niet onderschatten, maar gaan waken. Maar niet alleen waken, maar óok bidden om kracht om staande te blijven.

Gelukkig de zondaar, die het in Gethsemané leeren mag van dien lijdenden, biddenden en wakenden Heiland!

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van donderdag 10 april 1947

De Waarheidsvriend | 6 Pagina's

Meditatie

Bekijk de hele uitgave van donderdag 10 april 1947

De Waarheidsvriend | 6 Pagina's