De Waarheidsvriend cookies

Voor optimale prestaties van de website gebruiken wij cookies. Overeenstemmig met de EU GDPR kunt u kiezen welke cookies u wilt toestaan.

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies zijn verplicht om de basisfunctionaliteit van De Waarheidsvriend te kunnen gebruiken.

Optionele cookies

Onderstaande cookies zijn optioneel, maar verbeteren uw ervaring van De Waarheidsvriend.

Bekijk het origineel

Meditatie

Bekijk het origineel

+ Meer informatie

Meditatie

De levendmakende kracht van CHRISTUS

7 minuten leestijd

AIzoo is er ook geschreven: De eerste mensch Adam is geworden tot een levende ziel, de laatste Adam tot een levendmakenden Geest. 1 Cor. 15 vs. 45.

De gedachte van de wederopstanding des vleesches, is menigmaal door den mensch als onmogelijk verworpen. Aan een leven na dit leven wilde men desnoods nog wel vasthouden, maar dat het lichaam eenmaal weer zou opstaan, achtte men te onmogelijk. Zou het stof weer vereenigd worden, het stof, dat misschien — denk aan verdronkenen in zee — oneindig ver verspreid is?

Levend vanuit die gedachte, kwamen eens enkele Sadduceërs tot Christus, om Hem te verzoeken. Zij waren natuurlijk voor zichzelf overtuigd van de zuiverheid van hun onbekrompen, ruime standpunt, en gelooven zeker, dat - hun strikvraag zoó klinkend is, dat ieder zal moeten inzien de dwaasheid van de andersdenkenden. Zij vertellen een verhaal van zeven broeders, die allen achtereenvolgens gehuwd zijn met eenzelfde vrouw en vragen nu: Hoe moet dat nu in de wederopstanding: „Wiens vrouw zal zij wezen, want zij hebben ze allen gehad? ''

Maar dan blijkt, dat Christus leeft uit een hoogere gezichtskring, dan onze — o zoo domme — sluitende redeneering. Gij dwaalt, hooggeleerde heeren. „Gij dwaalt, niet wetende de Schrift, noch de kracht Gods".

Allen, die de wederopstanding loochenen, dwalen dus, niet wetende de Schrift, noch de kracht Gods. Om één Schriftplaats te noemen. Joh. 5 vs. 28 : „de ure komt, in welke allen die in de graven zijn, zullen hooren de stem (van den Zoon Gods) en zullen uitgaan : die het goede gedaan hebben, tot de opstanding des levens en die het kwade gedaan hebben tot de opstanding der verdoemenis". Dat zal een grootscher oogenblik zijn, dan toen Hij sprak: „Lazarus, kom uit" !

En wat de kracht Gods betreft: God, Die hemel en aarde uit niets geschapen heeft, enkel op Zijn scheppend gebieden: „Er zij. . . ", zal dan genoeg macht en heerlijkheid hebben om een heerlijk, in wezen niets grooter wonder te doen, dat de dooden zullen opstaan. Ook dan zal 't zijn een machtig : Hij spreekt en het is er. Hij gebiedt en het staat er. Wat zijn wij toch klein, als wij Gods daden willen beknibbelen met onze menschelijke begrippen! In 1 Corinthe 15 wordt nog een nieuwe grond genoemd, waarop wij de zekerheid van de wederopstanding des vleesches moeten bouwen, n.l. de heerlijkheid van den opgestanen Christus. Paulus weerlegt hier de loochening van de opstanding, door er op te wijzen, dat dit een miskennen is van de opstanding van Christus.

Christus, de Zoon Gods, is mensch geworden, door volledige, waarachtige menschwording. Van gehuwden geldt in beperkten zin: Zij zullen tot één vleesch zijn ; van Christus en Zijn bruidsgemeente geldt het in den meest heerlijken zin: Zij zijn één vleesch. Hij nam ons vleesch aan, om in ons vleesch te lijden, om ook in Zijne verheerlijking ons vleesch te behouden en te verheerlijken. In Zijn dood heeft menschelijk vleesch geleden; in Zijn opstanding is menschelijk vleesch waarachtig opgestaan.

Christus is daarom de eersteling, de eerstgeborene uit de dooden. In een eersteling (geofferd in den tempel) is de volle oogst begrepen; in Christus is ook de volle oogst begrepen. Zijn opstanding is een waarborg van de opstanding van allen, die in Hem zijn door het geloof. „Dewijl de dood is door een mensch, zoo is ook de opstanding der dooden door een mensch. Want gelijk zij allen in Adam sterven, alzoo zullen zij ook in Christus allen levendgemaakt worden. Maar een iegelijk in zijne orde : de eersteling Christus, daarna die van Christus zijfa, in Zijne toekomst (= wederkomst).

Daarom is de heerlijkheid van Christus zooveel uitnemender dan de heerlijkheid, die Adam eenmaal had. Nu sterven wij allen in Adam, als leden van zijn lichaam, als leden van het geslacht, dat in hem wortelt, maar ook vóór den val kon Adam ons geen leven geven. Adam werd tot een levende ziel. (Gen. 2 vs. 7). Christus, de laatste Adam, Christus, de nieuwe wortel van de, in Hem uitverkoren menschheid, tot een levendmakeniden Geest.

Christus een levenidmakenden Geest, Christus een levendmakende kracht voor allen, die door het geloof deel aan Hem ontvangen. Wie in Hem gelooft, is in Hem overgeplant in het deelgenootschap aan het waarachtige, onsterfelijke leven, geestelijk en lichamelijk. Christus heeft dit zelf verklaard. Joh. 11 vs. 25, 26; „Ik ben de opstanding en het leven; die in Mij gelooft.... zal niet sterven in der eeuwigheid". Wie in Hem gelooft, is uit het onverbrekelijke verband met den dood, overgeplant in het onverbrekelijke verband met het leven in Hem.

Die levendmaking heeft betrekking op ons geestelijk leven, maar ook op het lichamelijke leven. Door 't geloof in Christus worden wij levend gemaakt, herboren tot oen nieuw leven. Als een kind geboren wordt, wordt het losgemaakt van het innerlijke levenscontact met de moeder. Het kind houdt op te leven uit de moeder, maar ontvangt een eigen leven. Als een kind van God geboren wordt, wordt hij juist in Christus ingeplant, met Hem in levenscontact gebracht, door den Geest, die in Christus woont, nu ook gaat wonen en werken in den geloovige. Het leven dat zij leven, leven zij door het geloof des Zoons van God. Hoe meer dat leven door werkt, des te meer schenkt God ook bewustheid van dit nieuwe leven; des te meer wordt uit de vrucht ook verstaan en mede-doorleefd het woord des geloofs : Ik leef, doch niet meer ik, Christus leeft in mij. (Gal. 2 vs. 20). In ons eigen, natuurlijk leven, werkt de dood, de gescheidenheid van en de verzaking van God, maar door den Heiligen Geest leven wij niet meer het leven, dat in ons woelt, maar het leven dat Hij schonk. Dat doet juist met angst en zielespanning doorleven: Ik ellendig mensch, - wie zal mij verlossen uit het lichaam dezes doods, maar ook het : Ik dank God, door Jezus Christus, onzen Heere. Christus zal niet laten varen het werk Zijner handen.

Maar in die levendmaking, is ook het lichaam begrepen. Het lichaam is geen kaf, dat wegstuift voor den wind. Dat lichaam is eenmaal door God geschapen, door Christus aangenomen, aangenomen in volle menschwording en zal ook deeien in Zijn levendmaking. „Indien de Geest Desgenen, Die Jezus uit de dooden opgewekt heeft, in u woont, zoo zal Hij ook uwe sterfelijke lichamen levend maken, door Zijn Geest, die in u woont". (Rom. 8 : 11). Het leven door den Geest, zal zich dus doorzetten in het sterfelijke lichaam. Dat zal ook levend gemaakt worden.

Christus' werk is niet voltooid in Zijn kruislijden; ook niet in Zijn opstanding; ook niet in Zijn hemelvaart, maar is eerst vervuld, wanneer de dood niet meer heerscht, wanneer de laatste vijand is teniet gedaan. De dood heerscht over het stof, heerscht in het graf ; schijnt het zelfs voor immer in zijn macht te hebben ; maar zelfs in het graf ligt het als eigendom des Heeren. Hij zal in Zijn wederkomst den dood overwinnen, neen, veel sterker, te-niet doen. Het stof wordt dus vrijgemaakt van den dood, dat is, het zal levend gemaakt worden in Christus. Eerst dan zal vervuld worden : de dood is verslonden tot overwinning. Dood, waar is uw prikkel ? Hel, waar is uw overwinning ? (1 Cor. 15 vers. 55).

De geloovige is van nature vleeschelijk, verkocht onder de zonde. Maar door het geloof is hij het eigendom van Christus, naar ziel en lichaam beide, en zal daarom den dood niet zien in eeuwigheid.

Zoo komt schrijnend openbaar de armoede der wereld. Die teert den zondaar op en laat hem over aan het eeuwige verderf. Christus neemt de Zijnen op uit het verderf en schenkt hen het eeuwige leven. Daarom moet ieder onzer schrikken voor het heillooze der wereld en de geloovigen moeten zich verwonderen over en verlustigen in de groote genade, in Christus geschonken.

Zoek Hem meer te kennen, opdat gij meer uit uw dood moogt overgaan in Zijn leven en u ook meer moogt verheugen in uw erfdeel, u in Hem toebereid van voor de grondlegging der wereld. Wij behoeven niet in ons geestelijk gebrek te blijven, zoodat de ongeloovigdieid altijd weer heerscht.

Christus is de Levende, zóó levend, zoó machtig, zóó alomtegenwoordig, dat Hij al onze nooden rijkelijk zal vervullen. Als er maar geloof beoefend wordt, geloof in verbondenheid aan Zijn Woord en in verloochening van onze eigen zin en wil.

(Kampen)

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van donderdag 17 april 1947

De Waarheidsvriend | 6 Pagina's

Meditatie

Bekijk de hele uitgave van donderdag 17 april 1947

De Waarheidsvriend | 6 Pagina's