Kerkorde en Belijdenis
De nieuwe kerkorde !
Wat verwachten wij daarvan ? Wie de Dordtsche kerkorde wel eens heeft gelezen, begrijpt, dat de kerkorde een soort reglement van orde is in de kerk. Hoe het in de kerk zal toegaan.
Die orde zal presbyteriaal zijn, d.w.z. de regeering berust bij de ambten en de kerkelijke vergaderingen. En een ieder kan bedenken, wat alzoo door de kerkorde geregeld moet worden : de bediening van Woord en Sacrament, de dienst der barmhartigheid, mitsdien de bediening der ambten, de arbeid der ambtelijke vergaderingen, het opzicht over leer en leven, het beheeren der gelden en goederen, opleiding van de dienaren des Woords, de zending en wat er verder kan worden opgenoemd.
De belangstelling is voor al deze aangelegenheden niet even gespannen, wijl zij niet alle even gewichtig worden geacht. Bij nader inzicht zou blijken, dat dit maar zeer ten deele kan worden verantwoord. Beginselen werken in alle opzichten door. Niettemin maakt men zich de meeste zorgen aangaande de vragen, die onmiddellijk met de belijdenis samenhangen. Allereerst omtrent het lot van de belijdenis zelf, maar dan ook aangaande de functioneering en de handhaving van de confessie, van de bediening der sacramenten en van de liturgie.
Deze dingen zijn het, die de geesten bezig houden. „Een Christus belijdende volkskerk", klinkt het uit een bepaalden hoek. Wat bedoelt gij daarmede ? vraagt men aan de zijde der orthodoxie. „Op nieuw belijden", zoo heet het telkens weer. „Wat verstaat gij daaronder ? ", hoort men onmiddellijk weerklinken.
„Als onze volkskerk een Christus-belijdende volkskerk wil wezen, zal zij gehouden zijn van al hare organen, ambten en bedieningen te vorderen zich te blijven bewegen in den weg van het belijden der Kerk", zoo luidt het in de richtlijnen voor de bespreking van „De komende kerkorde".
Is het wonder, dat men vraagt, wat deze uitdrukking eigenlijk bedoelt ? Men moet deze uitdrukking dynamisch verstaan, zal men antwoorden. En hoewel ook de orthodoxe belijder het dynamisch karakter des levens niet zal ontkennen, is hij toch niet zoo gerust op die uitdrukking. Te midden van de bewogenheid der levenszee, blijft de goddelijke Waarheid toch onbewogen.
Maar dat is het nu juist. Er wordt in onze dagen zoo vreemd over de goddelijke Waarheid gesproken. Brunner beweert, dat wij ons op de Heilige Schrift als laatste normatieve autoriteit niet kunnen beroepen.
We vragen, op welk gezag kunnen wij ons dan wèl beroepen ? Is hij met dit standpunt in te nemen ook maar een enkele schrede uitgekomen boven het rationalisme, hetwelk zijn hoogste autoriteit in de rede heeft, of boven een gevoelsmystiek, welke meent te kunnen draven op het innerlijk licht ?
Dr. Van Niftrik, die zegt, Barth schier uitgeplunderd te hebben om zijn kleine Dogmatiek te schrijven, beweert, dat God in den Bijbel niet een en ander mededeelt, dat nu als Waarheid heeft te gelden, maar dat Hij ons door Zijn getuigen laat zeggen, dat Hij Zichzelf in Jezus Christus aan ons gegeven heeft.
Inderdaad kan ik dit laatste ook uit een enkel Bijbelwoord vernemen, „Alzoo lief heeft God de wereld gehad, dat Hij Zijn eeniggeboren Zoon gegeven heeft, opdat een iegelijk, die in Hem gelooft, niet verderve, maar het eeuwige leven hebbe". (Joh. 3 vers 16).
Heeft dit nu als Warheid te gelden, of niet ? Wij vragen niet, of dit Woord waarheid in ons binnenste is geworden door de onderwijzing van Gods Geest, want zulk een onderscheiding tusschen geestelijk en verstandelijk geloof erkennen wij. Daarom legt de rechte prediking nadruk op persoonlijke bekeering. Daarover echter gaat het niet. Dr. Van Niftrik en zijn leermeesters voorzooverre hij die juist vertolkt, willen ons wijs maken, dat de uitspraken der Heilige Schrift niet als Waarheid hebben te gelden, m.a.w. dat wij geen laatste beroep op deze hebben.
Wij zouden dergelijke beweringen dus moeten aanvaarden op gezag van de nieuwe theologie, de facto op gezag van haar voornaamste leeraren Barth en Brunner. De kerk zou zich alzoo hebben te reguleeren naar hun aanwijzingen en die hunner vereerders. Wij hebben onlangs de overdreven uitspraken van prof. Miskotte kunnen lezen in een artikel in het orgaan van de Ned. Hervormde Kerk, een critiek der bewondering, waaraan alle nuchterheid ontbrak.
Wat zou men nu willen, dat de waarachtig reformatorische geest genegen zou zijn het gezag der apostelen achter te stellen bij dat van alle theologische professoren van de geheele wereld ? Niet het innerlijk licht of welk menschelijk licht ook, zal over het Woord Gods en Zijn waarheidsgehalte heerschen, maar het Woord zal het innerlijk licht bevestigen, zoo het van den Heiligen Geestes. De Christus zelf stelt de werkingen des Geestes onder het Woord, als Hij zegt, dat de Geest ons zal leiden en indachtig maken in alles wat Hij gezegd heeft en dat de Geest het uit het Zijne zal nemen.
Wat de nieuwe theologie ons wil diets maken, is trouwens niet zoo nieuw als het zich voordoet. In verschillend opzicht riekt het zelfs ietwat Doopersch en hoewel de dialectische instelling geen rechtlijnigheid toelaat, is het een feit, dat de consequentie van onderscheidene leerstellingen, die ons hier geboden worden, rechtlijnig tot verwoesting van het kerkelijk leven en tot een grenzeloos individualisme moet leiden. Men denke aan het protest tegen den kinderdoop, aan de leer der praedestinatie en de politieke instelling. Indien men den Doop der volwassenen aan het persoonlijk geloof van den doopeling verbindt, loopt men gevaar het sacrament des Doops schier geheel op non-actief te stellen, evenals dit met het sacrament des Avondmaals veelal het geval is. Neemt men de leer der praedestinatie aan, zooals deze ons door de Barthiaansche theologie wordt voorgesteld, zoo is de religieus-ethische spanning van het Christelijk leven opgeheven. De onderscheiding van Christen en niet-Christen heeft geen principieelen bodem meer. Voor een Christelijke levens- en wereldbeschouwing is geen plaats. De Doopersche heiligheid, welke in dit leven tot velerlei mijding aanleiding werd, wordt eschatlologisch verabsoluteerd en het ondermaansche overgeleverd aan de utopieën, die het hart van den natuurlijken mensch vervullen.
Men zal van die zijde protesteeren tegen deze rechtlijnige consequenties, maar dat beteekent allerminst, dat zij onjuist zijn. Zij zijn bovendien duidelijk genoeg om den weerstand van de gereformeerde religie tegen deze theologismen te sterken en mogen de oogen openen voor de gevaren, waarmede de kerk wordt bedreigd.
In het algemeen zijn de gereformeerden van confessie zich min of meer bewust van de controversen, maar men behoorde kerkelijk zijn getuigenis daartegenover te stellen en zich daarin te vereenigen.
En het behoeft na het opgemerkte geen nader betoog, dat zjj, die de gereformeerde belijdenis liefhebben, een taak hebben ook in de Hervormde Kerk en dat zij zich niet de weelde kunnen veroorloven de kracht te breken in onderlinge twisting en tweedracht.
Wij zullen hebben te ontwaken uit onzen sleurgang om ons rekenschap te geven van de situatie van vandaag.
En wij zullen het beste leeren kerkelijk denken, als wij ons voorstellen, dat wij gereformeerden met elkander de saneering van het kerkelijk leven moesten ondernemen. Onderstel, dat het ons werd opgedragen maatregelen te treffen om dit werk te ondernemen. Wij zouden niet lang discussieeren over de formule „in gehoorzaamheid aan de Heilige Schrift en op den bodem der belijdenisgeschriften", maar wij konden onmiddellijk de toepassing beginnen in de voorbereiding van een kerkorde.
Denken wij ons dat eens in en wij zien ons voor een practische vraag gesteld. De kerkelijke situatie van thans zouden wij daarmede niet moeten rekenen ? Zou de kerkorde, die wij ons zouden voorstellen, niet met deze situatie moeten rekenen ? Wij staan toch niet voor een gezond gereformeerd kerkelijk leven, niet voor een kerk, die aan het ideaal beantwoordt, maar voor eene, die er verre van verwijderd is.
Daarom discussieert men over de bekende formule van gehoorzaamheid. Iedereen praat mede en niet altijd met verstand van zaken.
De nieuwe theologie nadert tot de kerkelijke theologie van uit de negentiende-eeuwsche sfeer en daarom kan men er zich niet over verbazen, dat zij de gereformeerde theologie op zoo gewichtige punten niet verstaat. Velen door de Barthiaansche theologie wederom naar de kerkelijke theologie uitgedreven komen uit een sfeer, die zelfs afkeerig stond van de gereformeerde leer.
Men meene echter niet, dat onze vaderen zoo maar een kerk vonden, die beantwoordde aan het ideaal van een gereformeerde kerk. Zij is ook in haar besten tijd ver bij het ideaal ten achter gebleven.
De situatie behoeft dus geen bezwaar te zijn voor de voorbereiding van een gereformeerde kerkorde, maar deze moet met de situatie rekenen en, als wij gereformeerden werden belast met die taak zouden wij dat ook moeten doen.
Het is goed, dat wij dat eens indenken. Ik wijs daarbij op de volgende punten :
Over het Goddelijk gezag der Heilige Schrift zouden wij niet discussieeren, maar meent niet, dat het vraagstuk daarmede zou zijn afgedaan. Voor vele gereformeerden zou het zeer aan te bevelen zijn in de uitlegging der Heilige Schrift nog eens in de leerschool te gaan bij Calvijn. Mogelijk zouden velen, die bijzondere voorliefde hebben voor de allegorise — ten onrechte vaak vergeestelijking genoemd — tot hun verbazing en teleurstelling ontdekken, dat Calvijn daarvan niet wil weten.
Ik vrees, dat de predikaties van Calvijn velen te nuchter zouden zijn en nochtans heeft geen theoloog zoo rijk over het werk van den Heiligen Geest geschreven als hij.
Wij noemen slechts enkele punten : De belijdenis. Ook over de confessie zouden wij niet discussieeren. Maar anderen discussieeren over de algemeene openbaring, (art. 2), over de sacramenten, over de heilsfeiten, over de liturgie.
Wij erkennen, dat dit meerendeels saamhangt met hun Schriftbeschouwing en Schriftverklaring. Mogelijk zal iemand opmerken, dat dit alles in strijd is met het waarachtig geloof. Dat mag zoo zijn. Maar dan staan wij voor de taak van de verdediging van het waarachtig geloof tegenover de valsche religie.
Voorts de vragen van den dag : De verdediging van een Christelijke levens- en wereldbeschouwing en mitsdien van een Christelijke levensorde, van een Christelijke ethiek, een Christelijke staatkunde tegenover het idealisme van den natuurlijken mensch.
Er is derhalve ook uit dezen gezichtshoek aanleiding voor nieuw of opnieuw belijden uit den wortel van het traditioneel geloof.
De ontkerstening van ons kerkelijk, sociaal en politiek leven, dient zich vanzelf aan als het volgende punt van onze overdenking.
Vraagt deze geen bijzondere maatregelen ? Ook in de kerkorde ? Wij hebben er op gewezen, telkens weer, dat onze kerkeraden dit werk moeten aangrijpen en het is mij bekend, dat het een vruchtbare arbeid is gebleken daar, waar het door ons werd aangegrepen. De situatie gebiedt een missonaire strekking in de kerkorde te verwerken.
Nog een belangrijke kwestie : opzicht over leer en leven van ambtsdragers en gemeenteleden. Een kenmerk van gezond kerkelijk leven.
Wie onzer zal raad geven en de verantwoordelijkheid daarvoor dragen — en wij zijn geroepen om mede te werken aan een Christelijke uitoefening ook van deze taak.
Denk eens aan het „zitten op de leer" en gij zult herinnerd worden aan onze vermaning van kerkelijk denken. Stel u voor: Gij zijt ouderling en mede verantwoordelijk voor de rechte bediening des Woords, op den kansel en in de gemeente.
Wij gaan voorbij aan de aanleiding, welke daar voor den godvruchtigen ouderling kan zijn om met den predikant broederlijk over de preek te spreken.
Maar, waar begint het bezwaar, waar is het punt aangebroken van overweging, of een predikant zoodanig in strijd is met een of ander stuk der belijdenis, dat de grondslagen van het geloofsleven der kerk worden ondermijnd ?
Maak u dat eens concreet voor uzelf. Denk er eens over na en gij zult begrijpen, waarom ik van kerkelijk denken sprak in tegenstelling met sectarisme.
Het zal zeer wel mogelijk zijn, dat een prediking den ouderling persoonlijk niet bevredigt, ja, dat hij bij de beroeping ook voor de gemeente een voller en geestelijk rijper prediking zou begeeren, terwijl hij nochtans geen genoegzamen grond vindt om den prediker wegens onrechtzinnige leer aan te klagen.
Het kerkelijk opzicht begint trouwens niet bij de aanklacht.
Wij stellen deze dingen zoo duidelijkheidshalve. Niet, omdat wij van de gedachte uitgaan, dat de meesten uwer het anders zouden begrijpen. Zoo dom en achterlijk is ons gereformeerde volk niet. Ten slotte is de kerk een huisgezin en niet te vergeefs eischt Gods Woord, dat de ouderling en de diaken goede huisvaders zijn.
Er moet in de kerk huisvaderlijk worden geregeerd. Maar van zekere zijde wordt ons een rigorisme toegeschreven zonder menschelijkheid, omdat de Dordtsche vaderen geen pelagianisme op den kansel duldden. In dat opzicht zijn de gereformeerden van heden naar ik lioop niet veranderd, want dat ondermijnt het rechte leven der kerk.
De kerk leeft uit de souvereine genade Gods. Indien zij dit beginsel des geloofs loslaat, wordt zij een vergadering van elk wat wils. Zij roemt in den Drieëenigen God, die den hemel en de aarde en alles wat daarin is uit Zijn souvereinen wil heeft geschapen door het Woord Zijner kracht. Zij kan niet dan tot haar eigen schade dat Woord veronachtzamen, waarin haar leven is en waaruit zij geboren wordt. Zij roemt in de vrijmachtige genade Gods, die zich door Zijn Woord en Geest aan haar geopenbaard heeft, ja den Zoon Zijner liefde heeft overgegeven tot den dood des kruises, als wij nog zondaars waren.
Zij roemt in de vrije gunst, die naar Zijn souverein welbehagen een weg ten leven geopend heeft voor den mensch, die door moedwillige ongehoorzaamheid het rechtvaardig oordeel Gods over zichzelf en zijn nakomelingschap heeft gebracht, opdat Hij de Zijnen vergadert uit alle geslacht en tong en natie tot kennis van Zijn eeuwige barmhartigheid.
Overeenkomstig het Woord Gods, dat haar is toebetrouwd, zal zij volharden bil de leer der apostelen en profeten, zoolang zij door den Heiligen Geest wordt geleid. En zoovelen door dien Geest geleid worden, die zijn kinderen Gods.
Ondanks alle aantijgingen van de zijde dergenen, die ons verwijten aanhangers van een boekreligie, en verdedigers van een leergeloof te zijn, zullen wij met Gods hulp volharden bij deze leer en den strijd inzetten om haar zuiver te bewaren.
Wij verwachten niet, dat de komende kerkorde als op slag uit de huidige kerkelijke situatie een gereformeerde kerk zal doen verschijnen. Een kerkorde maakt de kerk niet en deze kan ook met een gereformeerde kerkorde ontaarden. Maar wij zullen ons verheugen als God de kerk tot haar belijdenis terug leidt.
Zoo blijft ons slechts de vermaning over getrouw te zijn en te volharden in het gebed.
Iemand zou individualistisch kunnen redeneeren : persoonlijk heb ik niets te verliezen, want niemand kan mij berooven van hetgeen de Heere mij in het geloof schonk, maar wij zijn schuldig Gods eere te zoeken met al wat in ons is, en het goede voor ons volk en voor onze kinderen.
Dood is de leer der verkiezing, als zij niet gespaard gaat met een levend geloof, dat op zijn verkiezing durft pleiten en zijn roeping niet verzaakt. En als het ons te machtig wordt, God laat ons onze zwakheden gevoelen, opdat wij veel hebben te bidden.
Heere der Heirscharen, welgelukzalig is de mensch, die op U vertrouwt.
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van donderdag 24 april 1947
De Waarheidsvriend | 6 Pagina's
Bekijk de hele uitgave van donderdag 24 april 1947
De Waarheidsvriend | 6 Pagina's