Vragenbus
Vraag: Hebben de Richteren, Profeten en Koningen de Wet voorziende gesproken van Jezus Christus Gods Zoon en zijn deze Ambten in Jezus Christus vervuld ?
Antwoord: De Heilige Schrift geeft hierop een duidelijk antwoord door den Apostel Petrus in 1 Petrus 1 : 10—12.
Let er vooral op, dat de Geest van Christus, zooals de apostel getuigt, in hen was. De profeten hebben dus geprofeteerd door den Geest van Christus, die in hen was, m.a.w. Christus zelf heeft door hen gesproken.
Ziet ook welk een getuigenis hier gegeven wordt voor het goddelijk gezag der Heilige Schrift.
Vraag: Komen er in de kerkdiensten van de van de I.K.O.R. ook wel predikanten van den Gereformeerden Bond spreken ? Dat zou ik graag willen weten.
Antwoord : Het is mij niet bekend, maar ik onderstel, dat er wel predikanten van den Gereformeerden Bond zullen gevraagd worden. Wellicht dat er ook wel eens een predikant van den G. B. voor I.K.O.R. spreekt.
Ik heb den indruk, dat er nog al eens vaak een vrijzinnig predikant optreedt. En ik kan zeer wel begrijpen, dat onze predikanten bezwaar hebben. Indien men interkerkelijke diensten wil uitzenden, dragen zij een officeel karakter. Dat kan en is ook zeer wel mogelijk, indien de kerken op een en dezelfde confessie staan. En dan zou het een stap kunnen zijn in de richting van de vereeniging van allen, die bijeen behooren.
Vraag: Betr. : Artikel, Kerklied, Synode, Eenheidskerk, 35e jrg. no. 16. Na lezing en herlezing van bovenvermeld artikel, instemmende met de bezwaren tegen en de gevaren van het gebruik van gezangen in den Dienst des Woords, (alsook die tegen de huidige psalmberijming) moet mij echter een vraag van het hart, en wel deze: „Is het niet vanzelfsprekend, dat de gemeente des Heeren in den dienst des Woords, waarin Jezus Christus haar verkondigd wordt als haar Hoofd, Heiland, Verlosser en Zaligmaker, Hem ook zal begeeren te loven en te prijzen door het noemen van Zijn Naam, zooals ook de dienaar des Woords vaak in zijn gebed met en voor de gemeente den naam van Jezus Christus uitspreekt ? "
Hoewel nog meer vragen van dezen aard, zoo omtrent het roemen der gemeente van (het werk van) den Heiligen Geest bij mij opkomen, dringt zich de bovengestelde vraag onophoudelijk aan mij op. Gaarne zou ik deze vraag te gelegener tijd eens door u besproken willen zien. Ook al zou dit in geval van bevestigend antwoord, het zingen van gezangen niet zonder meer wettigen, het zuiver en onbevooroordeeld stellen van deze dingen kan toch verhelderend werken voor velen, die, naar ik weet, op waarlijk schriftuurlijke voorlichting wachten, en uw blad daarom zoo op prijs stellen.
Antwoord : Het is al een goed ding, dat u het met de bezwaren en gevaren eens is. Wij zien het Oude Testament in het licht van het Nieuwe Testament. Zoo zingen wij ook de psalmen. De profeten des Ouden Verbonds hebben toch, zooals de apostel Petrus getuigt (1 Petr. 1 : 10 vv), gesproken door den Geest van Christus, die in hen was.
En Christus heeft ons den Vader verklaard. In Hem heeft zich de Drieëenige God geopenbaard. Die Mij gezien heeft, heeft, den Vader gezien. En de Heilige Geest, is de Geest van Christus.
Alle namen Gods, ook de Naam Jehovah (de Heere) zijn op den Christus van toepassing, om dat de Drieënige zich in Hem heeft geopenbaard.
En nu gaat het om den lof, de aanbidding en de dankzegging aan God, hoewel wij die alleen in en door Christus en Zijn Geest kunnen brengen. Dat sluit ook in, dat wij dien lof, aanbidding en dankzegging ook aan Christus, zijnde de Middelaar Gods en der menschen brengen.
Gode zij dank voor de onuitsprekelijke genade, in Christus geopenbaard.
Wilt gij afzonderlijk den lof van den Heere Jezus Christus zingen, dan kan dat toch niet afhankelijk gemaakt worden van den woordklank Jezus Christus. Beteekent niet Jezus de Zaligmaker en Christus de Gezalfde ?
Zingen wij den lof des Lams en van den Leeuw van Juda, dan zingen wij den lof des Drieëenigen Gods, de genadegifte Gods, die in en door Hem Zijn volk zaligheid heeft bereid.
Ook daarin brengt de gemeente lof, dankzegging en aanbidding aan den eeuwigen God, dien wij immers niet anders kennen dan in en door Hem ?
Dat wij dit alles in de psalmen vinden en door den Geest van Christus verstaan, zult gij met mij eens zijn.
Ook wat gij van den Heiligen Geest zegt, valt daaronder. Of zijn de psalmen niet rijk aan geestelijk leven ?
Zonder twijfel is er plaats voor de lofprijzing, dankzegging en aanbidding van den Heiligen Geest. Maar ook dan wordt dit alles niet losgemaakt van Christus en dus weer van het werk van den Drieëenigen God.
AI gevoelen wij niets voor den term : Nieuw- Testamentisch lied, zoo moet men ruimte laten voor een heilige inspiratie van den dichterlijken geest, die getuigt van het heil in Christus en van het werk des Heiligen Geestes.
Bij alle bezwaren komt dan nog dit, dat men naar het oordeel van sommigen misschien wel zeer „evangelisch" wordt en zeer „geestelijk", maar dat nochtans de strengen van het Evangelie van God worden losgemaakt en dat men ontaardt in een „Jezus cultus", die niet is naar de Schriften en in een geestelijkheid, die op gespannen voet staat met de unio mystica naar het Woord.
Niets noopt ons alzoo om in den huldigen toestand der kerk naar gezangen te haken.
Daar komt bovendien nog bij, dat wij in een tijd leven, waarin het gezang de psalmen dreigt te verdringen. Dat wordt zelfs door gezangenzingers gevoeld. Laten wij daarom de psalmen in eere houden als het lied van de kerk der eeuwen.
Vraag: Door recente moeilijkheden, hier ter plaatse, vragen wij vriendelijk even uwe welwillende aandacht voor het volgende. Wanneer ds. W. H. Poot, voorzitter van den kerkeraad te Soesterberg, oordeelt, dat „de naam gereformeerd erfelijk belast is" en de kerkeraad dit nader onderstreept, door de kerkzaal te weigeren voor onze Herv. Mannenvereeniging op geref. grondslag, dan vragen wij van u een openbaar antwoord op de vraag : Wat mogen wij daar principieel tegen doen? Een hart onder de riem hebben juist nu de stille werkers alom in den lande wel van noode.
Wilt u deze vraag in De Waarheidsvriend beantwoorden ?
Antwoord : Het is inderdaad onvriendelijk, wat u daar schrijft van den kerkeraad te S.
U kunt daartegen natuurlijk niets doen. Als de kerkeraad beschikking heeft over de kerkzaal, waarvan u spreekt, kan hij die ook weigeren. U zult met de Mannenvereeniging naar een andere gelegenheid om te vergaderen moeten omzien.
„De naam gereformeerd erfelijk belast". Dat is met meer namen het geval. Een naam is nu eenmaal meer dan niets en wat een naam meer is, kan door een ander wel als „belasting" worden gevoeld. Dat is niet erg, als het een eerzame naam geldt, die met eere wordt gedragen.
Principieel kunt u maar één ding daartegen doen : de gereformeerde beginselen uitleven en de zwarigheden overwinnen in de kracht des geloofs.
Vraag: 1. Mogen wij een oprecht kind van God, die voor 100 procent zeker is, mogen wij dan zeggen dit is een heilige, niet in dien zin, dat hij zonder zonde is en blijft, als wij dan lezen in 1 Thessalonisenzen 5 vs. 27, daar wordt van heiligen broeder gesproken. Hoe dit te verstaan ?
2. Mag een meisje een mannenbroek dragen ; is dit in overeenstemming met de Schrift ?
3. Heeft een zondaar recht om tot Jezus te gaan, of is het alleen genade ?
4. Als ik een liefhebber ben van schaken en ik wil ook wel naar de Mannenvereeniging, maar nu valt dat precies op denzelfden avond. Nu kan van geen der twee vereenigingen de tijd verzet worden.
Hoe nu te handelen : blijven schaken of naar de Mannenvereeniging ?
Antwoord: 1. Allen, die van Christus Jezus zijn, d.w.z., die Hem door een waarachtig geloof zijn ingelijfd, worden door de Heilige Schrift heiligen genoemd. Dat beteekent dus volstrekt niet, dat zij geen zonde meer doen, of zonder zonde zouden leven. Zoolang wij in dit leven zijn, blijven wij zondaars, maar die waarachtig gelooven zijn in Christus geheiligd. Hun wordt de zonde niet toegerekend, ook al worden zij dagelijks herinnerd aan hun verdorven natuur.
Wij menschen zeggen dus niet, die of die is een heilige, maar God noemt de Zijnen een heilig volk.
2. De Heilige Schrift wil niet, dat een vrouw mannenkleeren of een man vrouwenkleeding draagt. Vgl. Deuteronomium 22 vs. 5 : Het kleed eens mans zal niet zijn aan een vrouw, en een man zal geen vrouwenkleed aantrekken; want al wie zulks doet is den Heere, uwen God, een gruwel.
3. Wat is recht ? Wij spreken zoo gemakkelijk van recht. Heeft een mensch recht op eenig goed ? Waardoor zou hij dat hebben, daar hij de geringste van Gods weldaden door zijn ongehoorzaamheid heeft verbeurd.
Zoo heeft een zondaar ook geen recht op genade. En het is de genade Gods, dat Hij een zondaar roept tot bekeering, opdat hij in Christus vergeving vinde en een nieuw leven.
4. Het schaakspel is op zichzelf niet veroordeeld. Ik kan over het geval schaken—Mannenvereeniging niet oordeelen. Blijkbaar brengt 't voor u een moeilijkheid mee. Misschien, omdat gij meent een goede daad te verrichten met naar de Mannenvereeniging te gaan.
Blijf, dan maar schaken, want op zich zelf steekt er in de Mannenvereeniging ook geen verdienste voor God, evenmin als in het schaken.
Maar mogelijk ligt het ook nog wat anders voor u. Gij schaakt liever, maar hebt er eigenlijk geen vrede mede, de Mannenvereeniging te verzaken. Er kunnen van die conflicten zijn, waarbij het om heilige dingen gaat.
Welnu, als het zóó is, dan heeft de Heilige Schrift een goeden raad : Een iegelijk zij in zijn eigen gemoed verzekerd. Ga in uw binnenkamer en vraag het den Heere.
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van donderdag 24 april 1947
De Waarheidsvriend | 6 Pagina's
Bekijk de hele uitgave van donderdag 24 april 1947
De Waarheidsvriend | 6 Pagina's