Samuël, een zoon der Wet.
FEUILLETON
48)
„Reb Nathans heeft de zaak in het Hebreeuwsch met mij besproken ; wij zullen opnieuw beginnen met onze eigen taal en niet meer Jiddisch spreken, want dat hoort bij de verstrooiing. Wij zullen nu spreken de taal van Adonai en van onze vaderen en onze Wijzen. Hier in het land past ons dat alleen. De vrouwen, die nog jong zijn, zullen het leeren spreken, en ook nog de oude, als zij dat willen, en de kleine kinderen — en de mannen zullen het beter leeren dan vroeger. In de huizen moet het gesproken worden op den Sabbat èn op den werkdag, en niet meer alleen in de sjoel! Wij zullen beginnen met op den Sabbat Hebreeuwsch te spreken, — en na eenige maanden zullen wij het spreken alle dagen. Het Jiddisch moet worden vergeten, — want dat behoort bij onze schande. Wij hebben hier niets meer te verbergen en behoeven hier nergens meer bang voor te zijn. Wij kunnen nu een taal gaan spreken, die de anderen ook kunnen leeren en verstaan. Nathans heeft gezegd, dat meer dan tienduizend families van de onzen hier te lande reeds niets dan Hebreeuwsch spreken".
Daar boven in het woud op den berg werd het wild rumoerig — reeds een tijdlang hadden ze zich zoo nu en dan eens laten hooren. Samuel onderscheidde duidelijk de stemmen der hyena's. Zij kropen nu zeker met de haren overeind, met hangende ooren en met ingetrokken staart hun holen in. „Die roepen oók tot den Eeuwige", zei de Thoraschrijver. „Maar met ons kan Hij spreken en wij zullen Hem verstaan, beter dan vroeger. Als wij Hem aanbidden vooralj zal Hij ons verstaan. Wij zullen Hem niet meer alleen in onze Sjoel dienen, maar overal en alle dagen. Hij zal ons reeds uit de verte verstaan, als wij maar beginnen met tot Hem te spreken."
Samuel's keel ontkwamen op juichenden toon als om nog te bevestigen wat hij gehoord had, de slotwoorden van het Davidisch Sabbatslied: „Israël wachte op den Heere, van nu aan tot in eeuwigheid !"
„En dan, " zei Suze zacht, „dan kan Hij ook komen, de Messias ! Dan zijn de tijden rijp ! En al mocht ik de taal niet meer kunnen leeren. Hij zal mij toch aannemen.
Het laatste gedeelte van de mededeelingen en verwachtingen van Tulpenbloesem was door Mandel met minder vreugde vernomen dan het overige. Hij verlangde meer naar andere dingen dan naar leeren en zou zich graag met de allernoodzakelijkste kennis van het Hebreeuwsch hebben vergenoegd, zoo veel als het gebedenboek dat eischt, en zooals hij als jonge leerling zich op de school, had verworven. Het waren toch alleen maar geleerde menschen, die daar bovenuit kwamen. Eenigszins in zijn wieken geschoten, hield hij zich stil. En Rea staarde nog altijd naar haar ouders, dacht na over dat wonderlijke dat zij gezien had, en luisterde nog maar nauwelijks naar wat er verder gesproken werd. Daar werd het aan beide hemelstreken licht, en tegelijkertijd hoorde zij in de stem van haar moeder weer den ouden moeden klank van een heel bejaarde vrouw.
Dus was nu al de betoovering verdwenen. Haar ouders waren toch twee door leed en tijd gebogen menschen, wier ziel alleen maar eenigszins verkwikt was. Rea wist nu echter, hoe zij beiden vóór veertig of vijftig jaar hadden moeten zijn, toen hun ouders of de Marschallik of hun eigen wenschen hen met elkaar hadden vereenigd, en Rea's ziel nog niet op deze aarde was neergedaald. Wel had zij er reeds menigmaal over nagedacht, hoe die twee als jonge menschen er zouden hebben uitgezien ; nu had dat bliksemlicht het haar getoond. Sinaï stond op, en zag naar den Oostelijken hemel, en zij zag nu zijn gebogen rug. En weer bliksemde het, en zij merkte nu, hoe daar niets meer was wat de uitgedoofde oogen van Suze verblindde.
(Wordt vervolgd).
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van donderdag 24 april 1947
De Waarheidsvriend | 6 Pagina's
Bekijk de hele uitgave van donderdag 24 april 1947
De Waarheidsvriend | 6 Pagina's