Meditatie
Wat gaat het u aan?
Joh. 21 : 21, 22; Als Petrus dezen zag, zeide hij tot Jezus: „Heere, maar wat zal deze? " Jezus zeide tot hem: „Indien Ik wil, dat Hij blijve, totdat Ik kom, wat gaat het u aan; volg gij Mij."
Wat gaat het u aan ? Deze vraag klinkt eenigszins hard en scherp, en wij kunnen het ons bijna niet indenken, dat deze vraag in den Bijbel voorkomt. In deze vraag ligt toch opgesloten zooveel als: „Laat u met een ander niet in, gij hebt daar niets mee te maken." En toch komt deze vraag in den Bijbel voor. En wel in het diepe en schoone Evangelie van Johannes, in het zoo geliefde laatste hoofdstuk. Het meest bevreemdt ons echter dat deze woorden door Jezus gesproken zijn. Waarom richt Jezus deze woorden tot Petrus ? Het tekstverband kan ons dit duidelijk maken. Joh. 21 verhaalt, hoe Petrus na zijn drievoudige verloochening van Zijn Meester weer door Jezus in zijn eer en ambt hersteld is. De Heiland schenkt hem weer het volste vertrouwen, hetgeen tot uiting komt in deze woorden : „Ik verwacht thans van u, Petrus, die zoo hoog gestaan hebt, maar die zoo vreeselijk diep gevallen zijt. Ik verwacht thans van u, Petrus, dat gij voor Mij sterven zult. Voorwaar, voorwaar zeg Ik u, toen gij jonger waart, gorddet gij uzelven, en wandeldet alwaar gij wildet, maar wanneer gij zult oud geworden zijn, zoo zult gij uw handen uitstrekken en een ander zal u gorden en u brengen waar gij niet wilt". Met deze woorden verwijst de Heiland hem naar het martelaarschap om de zaak des Heeren. Waarschijnlijk zijn deze woorden niet aanstonds duidelijk voor hem geweest, maar door het woord van den Heiland „volg Mij", gaat Petrus het hcht op dat wie Christus volgt, uitkomt bij het kruis. Een eindweegs volgt Petrus nu in stille overgave zijn Meester, in diepe gedachten verzonken over de woorden, hem zoo even meegedeeld. En zie daar komt Johannes! Ook hij gaat den Heiland achterna. Wel is waar ongeroepen, maar naar zijn meening toch niet onwelkom. Als Petrus nu Johannes bemerkt vraagt hij zijn Meester : „Heere, maar wat zal deze ? " Wat, zal van hem worden ? Niet zelden is deze vraag van Petrus misverstaan. Men heeft die vraag vaak zoo opgevat alsof Petrus afgunstig en jaloersch was op Johannes, omdat deze zich nu ook bij hen voegde, zoodat deze gedachte erin opgesloten lag: „Mij hebt Gij toch alleen maar geroepen U te volgen en wat komt deze dan doen? " Dan zou Petrus echter ondanks die aangrijpende ure aan de zee van Tiberias toch weer de oude Simon geweest zijn. Neen, de bedoeling van deze vraag is gansch anders : Petrus was altijd met Johannes samen geweest. Zij waren samen geweest op den berg der verheerlijking. Zij hadden van nabij het lijden aanschouwd in den Hof van Gethsemané, zij hadden samen de voorbereidingen getroffen voor het laatste Pascha, en nu, nu was Petrus een levensloop in uitzicht gesteld, die eindigen zou in den kruisdood! En het is alsof Petrus nu wil vragen: „Heere, hoe zal het nu gaan met Johannes ? Zult Gij ons nu scheiden ? Wat zal hem nu te wachten staan ? " De Heere legt hem echter het zwijgen op! Petrus zou den sluier op willen tillen, die over het leven van Johannes ligt. Petrus zal echter moeten verstaan dat er nu eenmaal dingen zijn, die het een mensch niet toekomt te weten, omdat de Vader die in Zijn eigen macht gesteld heeft! Maar wat zal deze ? Kwelt deze vraag ons ook niet ? Wanneer ons leven door diepten geleid wordt, terwijl anderen schijnbaar altijd op hoogten wandelen (wij zouden hierbij kunnen denken aan den dichter van Psalm 73), wanneer onze weg eenzaam en moeilijk is, en het anderen altijd voor den wind gaat, wanneer wij gebukt gaan onder een zware zondelast, die ons benauwt en drukt, en anderen altijd kunnen zingen, wanneer onze weg langs vele beproevingen en aanvechtingen en strijd gaat, en anderen als het ware het geloof geschonken wordt zonder veel strijd. Wanneer wij dit alles zoo aanzien, kan zoo gemakkelijk de vraag opkomen : Maar wat zal deze ? In zulke oogenblikken zouden zij zoo graag den sluier eens willen opbeuren, waarachter het leven van die anderen verborgen is! Maar juist in die oogenblikken komt Gods Woord met onverbiddelijke strengheid op ons aan: „Wat gaat het u aan ? Volg gij Mij". Ons mag het dan verborgen zijn, waarom de Heere den één langs dien weg, en een ander langs een anderen weg leidt en tot Zich trekt. Hem is het niet verborgen. Hij is de alwetende, de alwijze God. „Mijne gedachten zijn niet ulieder gedachten, en uwe wegen zijn niet Mijne wegen", spreekt de Heere. Er is geen doorgronding van Zijn verstand! Maar eenmaal zal wat nu nog verborgen is, heerlijk voor de zijnen geopenbaard worden, en zal Hij niets van Zijn verstand! Maar eenmaal zal wat en het eind zal dan ook zijn, dat al de zijnen, langs welken weg zij ook geleid zijn. Hem zullen loven en prijzen, omdat het voor hen moest gaan, zooals het gegaan is. Noodiger dan een antwoord te vinden op de vraag : „Maar wat zal deze ? " is dan ook dat wij heel persoonlijk onzen weg gaan achter Hem aan, geleid door den H. Geest, noodiger is dat wij Hem volgen, noodiger is dat wij op het kompas van Zijn Woord onzen weg vervolgen, dan verstaan wij ook dat het Woord van Christus „Wat gaat het u aan" niet scherp of hard is, maar dat Hij ons liefdevol wijzen wil op onze roeping : „Volg gij Mij". Dan verstaan wij ook dat wij geen tijd meer hebben om te vragen: „Wat zal deze", omdat Christus volgen alle aandacht, alle kracht, alls inspanning van ons vraagt en een voortdurend gebed vereischt, dan rijst er ook maar één gebed uit ons hart op, en wel deze bede:
Och schonkt Gij mij de hulp van Uwen Geest, Mocht die mij op mijn paan ten leidsman strekken 'k Hield dan Uw wet, dan leefd' ik onbevreesd ; Dan zou geen schaamt' mijn aangezicht bedekken. Wanneer ik steeds opmerkend waar' geweest Hoe Uw geboón mij tot Uw liefde wekken.
Jezus legt Petrus het zwijgen op door deze woorden: „Indien Ik wil, dat hij blijve totdat ik kome, wat gaat het u aan, volg gij Mij.'' Goed te verstaan, er wordt hier met geen enkel woord gezinspeeld op den levensduur van Johannes, wel wordt er bedektelijk in te kennen gegeven, dat Johannes' weg in de toekomst een gansch andere zal zijn dan van Petrus. O, zeker, ze waren nauw met elkander verbonden geweest, maar dit was voor den Heere geen enkele reden, om hen nu ook een toekomst te schenken die precies gelijk zou zijn. God volvoert Zijn plannen, en gaat met een ieder een verschillende weg. En het is dan ook alsof Jezus hier tot Petrus zeggen wil: „Het staat Mij, den Gebieder van leven en dood toch volkomen vrij, om hen, die de Mijnen zijn, tot Mij te trekken langs geheel verschillende wegen. Ik toch heb het recht en de macht om het leven der Mijnen te leiden zooals ik wil, en zooals het Mij behaagt".
„Indien Ik wil. Petrus, zal het leven van den éénen discipel kalm en zonder eenige moeite verloopen, en zal dat van den ander gaan door een vurigen oven en een leeuwenkuil, ook al zal het vuur hem niet verteren, en de leeuwen hem, niet verscheuren. Indien Ik wil, zal de eene dienstknecht, die voor het oog der menschen geenszins gemist kan worden, in den bloei van zijn leven worden weggenomen, en de andere, die in het oog der menschen zijn taak reeds volbracht heeft zal nog mogen blijven, totdat ook voor hem het doodsuur komt, door Mij, den Overwinnaar van dood en graf bepaald. Ik, de Opgestane Heere en Heiland, Ik alleen heb het beschikkingsrecht over dood en leven. Ik bepaal de gebeurtenissen, die ook uw Levensboek zullen vullen. Ik weeg de lasten af, die uw pad zullen verdonkeren. Ik teeken de kruisen die op uw krachten berekend zijn. Ik bepaal wanneer, waar en hoe gij sterven zult! Petrus, uw leven is van het begin tot het eind in Mijn hand. Gij, Petrus moet sterven. Johannes mag nog blijven. Beiden zijt Gij Mij even lief ! Het zijn wel verschillende wegen, waarlangs gij gaan moet, maar vergeet het niet, het is dezelfde Hand, die u leidt. Het is hetzelfde hart, dat voor u klopt. De hand des Vaders, het hart des Vaders! En daarom Petrus, zie niet naar links of naar rechts, volg gij Mij. Welk een rust het te weten alleen van Hem afhankelijk te zijn, welk een vrede voor de ziel, dat de levensdraad, die zoo teer en broos is in Zijn sterke, trouwe Vaderhand rust. Hoedt u, mijn lezer, altijd uw leven en uw omstandigheden te willen vergelijken met anderen ! Ook u geldt het woord: „Volg gij Mij". Hem te volgen vereischt al uw krachten, al uw inspanning, al uw aandacht en uw voortdurend gebed! Laat uw gebed hierop gericht zijn, opdat gij door den H. Geest geleid moogt worden van stap tot stap, achter Hem aan!, één oogenblik van gebedsverflauwing en gij zult vallen, want de Satan heeft het op u voorzien. Houdt u door het geloof aan Hem vast. Die u heen kan voeren door de duisternis van zonde, door den strijd en aanvechting heen naar het heerlijk Licht, dat in Hem opgegaan is.
Ongetwijfeld heeft Petrus het moeilijk gehad met deze woorden! Hij de actieve Petrus, die altijd de eerste was, moet zich nu laten leiden op een weg, waarop een ander hem gorden zal en hem brengen zal, waarheen hij niet wil. En in dien weg zal hij God moeten verheerlijken. Zoo bouwt God Zijn Koninkrijk, en gebruikt Hij hiertoe menschen, die Hem dienen door hun geluk en voorspoed, met een leven vol bruischende gezondheid, maar ook gebruikt Hij hiertoe menschen, die Hem onder hun moeiten en aanvechtingen, onder hun armoede en teleurstellingen zullen verheerlijken! Zoo bouwt Hij Zijn Koninkrijk door tijden van vervolging en door tijden van vrede ! Maar met dit alles heeft Hij één groot doel en dat is de verheerlijking van Zijn Naam. En God verheerlijken, dat kan de aanzienlijkste, maar ook de geringste! God ziet immers niet naar rang en stand, maar zendt Zijn Geest aan wien Hij wil, en wanneer Hij wil! „Alles wat adem heeft, loove den Heere", zegt de Psalmist. Op de verheerlijking van Zijn Naam moeten uiteindehjk onze gedachten, onze verlangens, ons strijden en ons bidden gericht zijn. Dat Petrus heeft kunnen volhouden, op den weg waarop anderen hem leidden dat hij toch die korte brief heeft kunnen schrijven aan de gemeenten in de verstrooiing, die aanvangt met deze krachtige geloofstaal: „Geloofd zij de God en Vader van onzen Heere Jezus Christus, Die naar Zijn groote barmhartigheid ons heeft wedergeboren tot een levende hoop, door de opstanding van Jezus Christus, uit de dooden", dit alles komt, omdat hij ontmoet heeft Jezus den Opgestanen Heere en Heiland, Die hem eenmaal gegrepen heeft en niet meer loslaat! Wie zoo Paaschfeest gevierd heeft, en door den H. Geest den Opgestane ontmoet heeft, die mag het weten, al gaat zijn weg ook in tegen vleesch en bloed, Christus gaat met mij. Wie zoo den Paaschvorst volgt, door den H. Geest hiertoe bekwaam gemaakt, wie door Hem geroepen is uit de duisternis tot het Licht, die houdt zich vast aan het woord van den Heiland: „Nog een kleine tijd en gij zult Mij niet zien, en wederorm een kleine tijd, en gij zult Mij zien, en in dien dag zult gij Mij niets vragen''. Ja. de vragen zullen verstommen bij den blik op den Oversten Leidsman, en bij het aanschouwen van de door Hem aan het licht gebrachte heerlijkheid, en hij weet het, dat hij straks wandelen zal in het volle Opstandingslicht en met alle verlosten zal kunnen zingen ter eere van Hem, Die hem loskocht: „Het Lam dat geslacht is, is waardig te ontvangen de kracht en rijkdom en wijsheid en sterkte en eer, en heerlijkheid en dankzegging." Volgt gij Hem reeds?
Wandel maar stillekens achter Hem aan achter den Heiland; hij wijst u de wegen. Zijn die niet altoos zoo lieflijk gelegen. Als gij zoudt wenschen - wil ze toch gaan Hij gaat vooraan!
Amen.
(Giessen-Nieuwkerk)
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van donderdag 24 april 1947
De Waarheidsvriend | 6 Pagina's
Bekijk de hele uitgave van donderdag 24 april 1947
De Waarheidsvriend | 6 Pagina's