MEDITATIE
De openbaring van CHRISTUS
Johannes 21 vs. 4—7b. En als het nu morgenstond geworden was, stond Jezus op den oever; doch de discipelen wisten niet dat het Jezus was. Jezus dan zeide tot hen: Kinderkens. hebt gij niet enige toespijs? Zij antwoordden Hem: Neen. En Hij zeide tot hen: Werpt het net aan de rechterzijde van het schip, en gij zult vinden. Zij wierpen het dan en konden het niet meer trekken vanwege de menigte der visschen. De discipel dan, welken Jezus liefhad, zeide tot Petrus: Het is de Heere.
De discipelen hebben gehoor gegeven aan het bevel van Christus om naar Galilea te gaan. Daar zouden zij den Heere Jezus ontmoeten. Hoe zij Hem zouden zien, wisten zijl niet. Maar hun plicht doen zij.
Als de discipelen daar zijn, zien zij Christus niet direct. Daarom brengen zij hun ledige tijd door met visschen. Maar dien nacht vingen zij niets. Hoe komt dat? Hadden de discipelen hun handwerk verleerd ? Neen, daar is een andere reden. Jezus staat op den oever. Hij houdt de visschen terug. Waarom ? Wel, de Heere Jezus wil hen leeren, dat zij zonder Hem niets kunnen doen.
Toen het nu morgenstond was geworden, stond Jezus op den oever en zij wisten niet dat het Jezus was. Zij zagen wel den vreemdeling, maar zij kenden hem niet. De afstand is hier geen belemmering, want zij hooren duidelijk Jezus' stem, en als zij Hem niet herkennen vanwege de afstand, dan hadden zij Hem wel moeten herkennen aan Zijn stem. Er moet dus een andere reden zijn voor het niet herkennen. Geen natuurlijke oorzaak is hiervan de reden. Wij moeten dieper tasten.
De verborgenheid van Jezus staat in verband met Zijn opstanding. Vóór Zijn opstanding lezen we nergens van een niet kennen, maar daarna kent een ieder die Hem ontmoet eerst niet, maar als Jezus zich openbaart wel. Zoo was het met Maria Magdalena, met de Emmaüsgangers, met de discipelen, toen zij meenden een geest te zien. Toen Christus zich openbaarde, kenden zij Hem wel. Hoe komt dat? Wel, de heerlijkheid van Christus is na Zijn opstanding niet zichtbaar voor het natuurlijke oog. Hij is immers tot een andere staat overgegaan. Na Zijn opstanding zal de wereld Hem niet meer zien, d.w.z. de natuurlijke mensch zal Hem niet zien. De wedergeboren mensch zal Hem aanschouwen. Dat beloofde Christus aan Zijn discipelen. Dat belooft Hij nog altijd aan degenen, die Hem leeren volgen in dit leven. Ontdekt aan zonde en schuld, komt de Heilige Geest door middel van het Woord Gods nog beloven dat Christus geopenbaard zal worden. Getroost wordt het hart van den schuldbewuster zondaar, die onder het recht Gods doorgaat. De beloften geven moed en kracht op den levensweg. Maar . . . . dit gestaltelijke leven gaat voorbij. De grond der zaligheid ligt niet in de belofte. En. . . . . de vervulling der belofte blijft uit. En temidden van het wachten wordt eigen zonde meer en meer ontdekt. Gij wordt voor uzelf de grootste der zondaren, daar gij niet kunt indenken dat een ander zoon boos en bedorven hart heeft als gij. De bestrijders vermenigvuldigen, de krachten om staande te blijven, verminderen. Gij wordt, zoekende ziel, hoe langer hoe lediger in uzelf. Uitgeroepen wordt: „Zou God het weten en zou er wetenschap zijn bij den Allerhoogste ? " „De Heere heeft mij vergeten, de Heere heeft mij verlaten''. Toch is dit maar schijn. Het schijnt wreed, als het biddend hart vraagt om de zekerheid des geloofs, biddende : Och, Heere, kon ik het nu maar eens echt gelooven, dat Jezus ook mijn Zaligmaker is, en de zekerheid blijft maar uit. Zie maar naar Jezus aan de zee van Tiberias. Het was niet wreed van Christus, dat Hij Zich niet direct openbaarde, neen, het was opvoedkunde voor de discipelen. Dit past Hij nog toe bij Zijn kinderen. En dan is Christus vlak bij hen, ofschoon wij Hem niet zien. Hebt gij nooit in troostelooze oogenblikken den Bijbel opengeslagen om te lezen, in de hoop, dat Gods Woord u zal vertroosten ? Gij las en las, trachttet u zelfs te verdiepen in Gods Woord, maar het troostte u niet. Toen stond Jezus op den oever, maar gij zaagt Hem niet. Precies als bij de discipelen. Eerst wanneer wij later op den levensweg terugzien en Zijn leidingen door de verkregen uitkomst beter verstaan, zien wij dat Hij niet verre van ons was, op de plaatsen van ons leven, waar wij moedeloos en hopeloos neerzonken. Toen zagen wij 's Heeren opvoedkunde en keurden wij Gods wegen goed, ook in de onthouding van wat wij gaarne wilden. Op Zijn tijd openbaart Hij Zich echter ook.
De Heere Jezus zoekt daarom contact met de discipelen en zegt tot hen : Kinderkens! hebt gij niet eenige toespijs ? Hebt gij iets gevangen? Het antwoord is niet erg vriendelijk: Neen. In dit antwoord klinkt de teleurstelling.
Waarom vraagt de Heere Jezus dit ? Hij weet het toch wel. Hij vraagt het, omdat Hij „neen" wil hooren. Dit geldt èn voor het natuurlijk èn voor het geestelijk leven. De Heere brengt natuurlijk en geestelijk in den nood, opdat er plaats zal zijn voor Zijn zegen, en de mensch daar komt, waar Christus hem wil brengen.
Wat gaat er niet om, in 't hart dat zucht en zwoegt onder eigen schuld en zonde en de zondige gedachten wil overwinnen. Menigeen heeft als de discipelen lang geworsteld om iets toe te brengen, maar het einde zal zijn: „neen, ik kan het niet". Gaat de mensch, die wedergeboren is, niet aan het werk? Een heilig leven, een ijveren voor den dienst des Heeren, maar het einde is: ik ben nog ongelukkiger. Men zit neer bij de ledige netten, als de discipelen in den morgenstond. En dan vraagt Christus ook: „hebt gij niet eenige toespijs ? " Zijt gij vergevorderd? Kunt gij Mij iets laten zien ? En het antwoord moet zijn: Neen, Heere, ik ben nog ongelukkiger.
Deze vraag: „hebt gij niet eenige toespijs ? ", komt tot ons allen. Menig mensch zegt: Ik heb nog wel iets, steunende op zijn rechtzinnigheid, vroomheid, enz. Maar dan is het antwoord niet: „neen". Dan wordt de armoede, niet erkend. En daar moet het toch heen. Anders zult gij Christus nooit leeren kennen in Zijn rijkdom, want de mensch gaat niet verloren omdat hij niets heeft, maar omdat hij wèl wat heeft, omdat hij zich niet arm kent.
Gelukkig het hart, dat moet zeggen met de discipelen: ik heb niets meer, al mijn verwachtingen hebben schipbreuk geleden. Ik dacht, dat ik nog iets had, toen ik mijn schuld, mijn zonde, Gods rechtvaardigheid lieerde kennen. Ik dacht, dat ik met mijn zondekennis er zou komen. Ik dacht, dat mijn beter leven voldoende was. Maar nu, nu sta ik hier met ledige netten. O, hoe zie ik nu dat ik doodarm ben, nog armer dan toen ik voor het eerst om zondevergeving leerde bidden. Toen had ik geen behoefte aan Christus' volbracht werk, maar nu wel. Nu zie ik, dat ik Hem noodig heb, maar ik bezit Hem niet, daarom ben ik zoo arm. Zalig de ziel, die zich alzoo kent. Niet, dat zulk een mensch daar zaligheid in ziet. O neen, want van ons gemis kunnen wij niet leven. Deze ziel is echter daarom gelukkig, omdat Christus in de armoede brengt, om armen rijk te maken met Zijn volheid. Houdt daarom moed, geslingerde ziel! Het kennen van uw geestelijke armoede is een teeken van leven, en leven haakt naar leven. Weet, dat gij Christus nooit anders zult vinden, dan door de ontblooting van u zelf. Want nu, nu kan Hij Zijn genade kwijt, die Hij alleen schenkt aan machtelooze zondaren. Het is immers Zijn wil, een mensch, die aan het eind is gekomen, te helpen en te vervullen met Zijn genade. Op Zijn tijd!
Christus komt op de juiste tijd. Ook bij de discipelen. Als Jezus nu eens gekomen was in het midden van den nacht, denkt ge dat ze dan Zijn raad zouden hebben opgevolgd? Ze wisten het toch wel beter dan de onbekende man daar op den oever. Jezus komt, als zij het hebben opgegeven. Dat is Zijn tijd. Daarom zijn ze ook gewillig om Zijn raad op te volgen door het net te werpen aan de rechterzijde van 't schip. De wedergeboren mensch werpt het net dikwijls aan de linkerzijde van het levensschip. Hij vischt menigmaal in een verbroken werkverbond. Dat had Petrus ook gedaan, toen hij zeide: „Ik ga visschen". Maar dan is men nog niet gestorven aan de Wet. Dan vischt men verkeerd. En dat doet men zoo gaarne, want het verloochenen van zichzelf is niet gemakkelijk. Dat kost strijd. Dat gaat in tegen onze hoogmoedige naturen. Maar de Heere weet de Zijnen wel te brengen, waar Hij ze hebben wil. De geestelijke strekking van deze vischvangst is daarom zoo duidelijk.
Eerst, wee mij, ik verga; ik, zoo'n zondaar, ik heb den dood verdiend. En dan ? De beloften troosten, en men denkt er bovenop te zijn. Maar neen, het is nog niets. De netten blijven ledig. Totdat men in deze ledigheid ontdekt dat men niets heeft, en dat Christus alleen de volheid kan geven. Dan is de Christus in 't zicht. Maar een Christus in 't zicht, is nog niet een Christus in het bezit. Doch deze ziel leert dan ook de ledige netten uitwerpen en komt tot het bezit. Als er werkelijk nood is in ons leven, dan doet de Heere op het noodgeschrei groote wonderen. De discipelen stonden verwonderd over zoovdel visschen. Zoo gaat het met de kinderen Gods, die het net des geloofs aan de rechterzijde hebben leeren uitwerpen. Als de ziel, op Gods bevel, het net leert uitwerpen in het verzoenend werk van Christus — want dat is aan de rechterzijde — dan wordt gevonden alles wat zij vroeger bij zichzelf of elders tevergeefs gezocht heeft. Wat vangt de ziel dan? De kwitantie, met Jezus' bloed geteekend. De vrijspraak. Een recht op het eeuwige leven. De rust der ziel, ja, men roept uit in heilige verwondering : „Het is de Heere!"
Eeuwig wonder! Zóó groot is het wonder, dat gij in heilige verwondering niets anders kunt uitroepten dan : „Het is de Heere !" De veelheid is te groot om het in woorden uit te drukken. Dan is er de rust in het werk, dat Christus heeft volbracht. Alles zwijgt van binnen. Geen veroordeeling meer. Met God volkomen verzoend. Wie zal dan beschuldiging inbrengen ? Wie zal ons dan scheiden van de liefde Gods, die in Christus Jezus is, onzen Heere ? „Bergen zullen wijken en heuvelen wankelen, maar Mijne goedertierenheid zal van u niet wijken, en het verbond Mijns vredes zal niet wankelen, zegt de Heere, uw Ontfermer!" Hier weidt mijn ziel met een verwonderd oog, is het eenige wat kan worden uitgeroepen, ziende de volheid in Christus. Onze ledigheid met Zijn volheid vervuld. Dan ziet de Kerk op Christus en dan is alles gewonnen. Alles van zichzelf verloren, maar alles in Hem gevonden.
Kent gij deze gangen van het geestelijk leven, mijn lezer ? Hoe ver zijt gij gekomen op den weg des levens ? Of moet gij zeggen, dat u dat alles vreemd is ? Zijt gij nog een Christen in naam en niet in de daad? Dan weet gij niet, dat ge ellendig zijt, jammerlijk, blind en naakt. Weet echter dat Christus nog staat op den oever der eeuwigheid. Misschien denkt u, dat gij Zijn stem nooit hebt gehoord. Toch is dit niet zoo. Hij stond op den oever, toen Hij u met tegenheden kwam bezoeken. Hij stond op den oever, toen ziekte u en de uwen teisterde. Hij stond op den oever, toen een lijkstatie tot u sprak : „Bereid uw huis, want gij zult ook sterven". Hij stond op den oever, toen gij stondt bij het graf van één uwer geliefden. En Hij staat nog op den oever, roepende : De wereld gaat voorbij en al hare begeerlijkheid; maar ook voegt Hij er aan toe: die den wil van God doet, blijft in der eeuwigheid. Alzoo maakt Christus zich vrij van den mensch.
Hebt gij Zijn stem nog niet vernomen? O, luister dan toch naar die vriendelijke stem, anders zal deze eenmaal tegen u getuigen. Bekeer u dan !
Gelukkig de ziel, die heeft leeren opmerken. Die komt zeker aan het eind. Deze wordt in den weg der ontdekking een geschikt voorwerp om Christus te vinden, want Hij staat in voor Zijn eigen werk. Hij is vlak bij de ziel, die tot Hem zucht. Pleit dan maar, ledige ziel, op Gods beloften. Wij zeggen niet: rust er op. Maar pleit er op. Bind den Heere aan Zijn eigen werk. En al valt alles u tegen, één ding blijft er over, en dat is: Heere, Gij weet alle dingen, Gij weet, dat ik U liefheb. Weet, dat achter den dood het leven ligt. Door den dood tot het leven in Christus, tot de ervaring van het eeuwige wonder: „Ik weet, mijn Verlosser leeft!" Dat uw toevluchtnemend geloof, ontledigd hart, moge overgaan in het toeëigenend geloof: Het is de Heere, de Opgestane, de Levensvorst!
(Rijssen)
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van donderdag 1 mei 1947
De Waarheidsvriend | 6 Pagina's
Bekijk de hele uitgave van donderdag 1 mei 1947
De Waarheidsvriend | 6 Pagina's