Verslag
van den Penningmeester van den Geref. Bond over het boekjaar 1945-1946 op Donderdag 10 April 1947
Zoó oud word ik niet, of het staat nog als met dubbel krijt geschreven in mijn memorierol. 't Was bij gelegenheid, dat in het Gebouw voor Kunsten en Wetenschappen de Gereformeerde Bond zijn eerste openingsrede uitsprak bij monde van prof. dr. H. Visscher. 't Was toen, dat na diens rede het verzoek door den Hooggeleerde werd gericht tot den toen nog in de gemeente van Monster werkzaam zijnden Dienaar des Woords, ds. J. C. Dekking, om voor te gaan in dankgebed.
Ziet, die bede, èn wat vorm én wat inhoud betrof, hebben niet nagelaten een blijvende indruk bij mij achter te laten.
't Klinkt nog in mijn ooren, als gesproken op den dag van gisteren :
Geef 't wild gediert, dat niets in 't woên ontziet. De ziele van Uw tortelduif niet over ; Laat, groote God, om een gehaten roover. Uw kwijnend volk niet eeuwig in 't verdriet.
'k Twijfel niet, of de inhoud, ontleend aan de Heilige Schrift zelve, wordt door u allen aangewezen als ontleend aan den Psalmbundel. Ziet hier het geheim. Gods getuigenis klinkt hierin door, daarbij teekening gevende aan de reëele toestand van de Kerk aller eeuwen. Altijd in gevaar, wat haar voortbestaan betreft, omringd van alle kanten met bedreigingen, voortdurend ontrust, zich afvragende : „hoe ontkom ik aan dit alles ? "
Het eenige adres is : zoek het alleen bij den Heere, den Machtige Jakobs.
Rijs op, o God, rijs op, toon Uw gezag ; Betwist Uw zaak, wees onze Pleitbeslechter !
't Is aangrijpend schoon, heel deze bidpsalm. Voor wien het Woord des Heeren er in beluisteren mag, is het als de klop op de hemelpoort : Heere, het gaat om Uwe zaak om Uwe eere.
Onuitwischbaar is deze bede ingegrift in ons gemoedsleven. Het beroep, dat hierbij gericht wordt op des Hoogsten bijstand alleen, is zoo glashelder, dat hierbij alle toelichting als overtollig, ja, zelfs schadelijk in uitwerking zou blijken te zijn.
't Eenige wat u en mij niet loslaten mag is „als ik God den Heere uit het oog verlies en het van iets of iemand anders verwacht geholpen te zullen worden, is het verloren". Daar is maar één Naam onder den hemel gegeven, door welken wij moeten zalig worden. De zaligheid is in geen andere. Predikt dat Evangelie aan alle creaturen. Begin maar te Jeruzalem en eindig niet eerder, voordat deze cyclus is volgemaakt. Deze prediking zal nooit ijdel zijn in den Heere. Naar welke zijde hef oog zich moge richten en naar welke kant het oor te luisteren worde gelegd, dit staat onbewogen.
Het gevaar wordt niet bezworen en de gemeente, naar Zijn Naam genoemd, niet veilig gesteld, dan alleen waar de bede opklimt : „Geef 't wild gediert', dat niets in 't woên onziet. De ziele van Uw tortelduif niet over". Heere, ik wacht op U.
Te meer, waar de toestand van ons kerkelijk leven ernstiger is dan ooit. Wij maken een onderdeeltje uit van een geheel, waarvan niemand u kan zeggen in welke richting zich dit alles beweegt. Velen zijn met huivering vervuld, wat de toekomst betreft. Waarheen uw oog zich richte, het is overal verwarring, niet willen luisteren naar het liefelijk aanbod des Allerhoogsten : Neigt uw oor en komt tot Mij, hoort en uwe ziel zal leven. Waarom weegt gijlieden geld uit voor hetgeen, dat geen brood is, en uwen arbeid voor wat niet verzadigen kan ?
Zie, Ik heb Hem tot een getuige der volken gegeven, een Vorst en Gebieder der Volken. Van Wien zou dit anders mogen gelden dan van Christus, den Heere ?
Hij alleen is onze Behouder. Met dit als richtingswijzer ga ik verslag geven van wat ons als beheerder der ons toebetrouwde gelden van onzen Gereformeerden Bond werd ter hand gesteld.
Wat ons boekjaar aangaat, is een kleine wijziging aangebracht. Dit liep tot nu alttjd van 1 Dec. tot 30 Nov. van het daarop volgende jaar. Alzoo prijkten immer twee jaren naast elkander. Zoo zou het thans loopen van 1 Dec. 1945—30 Nov. 1946. In overleg met het Accountantskantoor, welke de boekhouding de laatste jaren geregeld controleert, is deze wijziging aangebracht om van nu af aan te spreken over boekjaar 1946 en verder. Zoo hebben wij thans inplaats van 12 maanden, 13 maanden ter verantwoording u voor te leggen. Wat ? , dat heb ik zeker niet goed beluisterd, als dat maar zonder ongelukken afloopt. Nu, laat dit maar zoo. Als het alles zoo goed afliep als deze verantwoording eindigt, dan zou het niet heelemaal onmogelijk zijn dat ge als slotwoord tot deze conclusie komt : „geef me nog maar zoo'n ongelukkige sluitsom".
'k Geloof, dat de rekeningen, door ons opgemaakt, zelden of nooit uitkomen. Tevreden met hetgeen de vloedgolf van den huidigen dag op onze kusten afzet, zijn er weinigen meer. Of wij hieromtrent een afkeurend oordeel laten hooren, zal al heel weinig gewicht in de schaal leggen. Dit staat vast: dubbele waakzaamheid met een teeder gebedsleven is meer dan ooit gebiedend. Wie een van deze twee uit het oog verliest, verkrijgt een uitkomst, omgekeerd evenredig aan wat hij zich had voorgesteld. De God des heils heeft óns niet van noode, maar wij daarentegen Hèm in alles. Het Woord des Heeren tot Zijn jongeren zegt ons : „Zonder Mij kunt ge niets doen". Zullen wij leiding geven aan ons volk, zoo moet elke hoogte worden geslecht en vermeden, terwijl de kleinste in het geweer, die oprijst van de knieën, met de palmtak der eere gaat strijken. De tijden die achter ons liggen, hebben dit afdoende bewezen. Geen grooter ramp zou ons dan ook kunnen treffen dan deze, dat de meening zou worden gekoesterd dat wij iets op ons zelve zouden beteekenen. De Gereformeerde Bond is dan alleen krachtig, als hij zijn verwachting stelt in de trouw en ontferming Godes. In dit gevoelen zijn wij met onze taak voortgegaan ook in het afgeloopen jaar. Onze arbeid viel ons dezen winter moeilijker dan ooit. De nood evenwel kwam op veler schouders zwaar te rusten. De prediking des Woords is voor ons, gereformeerden, in de belijdenis een zaak van het hoogste gewicht. Ons volk heeft er om gebeden en bidt er nog om. Ons volksdeel heeft er schatten voor geofferd en draagt nog schatten er voor bij. 'k Word er dagelijks door beschaamd, hoeveel onze menschen met ons meeleven. Ja, geen moeite en zorg houdt hen terug om een enkel steentje bij te dragen om de gaten eenigszins te dichten. 'k Noem maar dit ééne.
Door den druk van de bezetting was het niet meer mogelijk om het noodzakelijk contact met onze menschen te behouden. Onze courant mocht niet meer verschijnen. Hiermede was een onzer gevoeligste plekken getroffen. Wat dit voor den Bond beteekende, begrijpt ieder, die eenigszins oog heeft voor het noodzakelijke met elkander te correspondeeren. En wat ook niet vergeten mag worden, de verantwoording van den Penningmeester en verder van het geheele Bestuur, kregen geen publiciteit. 't Moest kwijnen.
Doch toen weer De Waarheidsvriend verscheen, hoevelen onzer oud-lezers en leden van den Gereformeerden Bond in stilte traden nu naar voren. De actie, door onzen ijverigen Scriba ingezet en voortgezet tot den huigen dag, heeft naast de moreele invloed, niet minder de saneering van ons budget ten gevolge.
't Saldo 31 Dec. 1946 leverde voor onze kas nu reeds eenig voordeel, n.l. ƒ 1278.98. Dit komt mede voort uit de ernstige lust van onze menschen om hiermede de zaak, waarvoor zij warm voelen, mede te helpen slagen. Wij zijn hiervoor hoogst erkentelijk.
Wanneer wij volgens onze methode inkomsten en uitgaven naast elkander plaatsen, zoo is ook thans ons overzicht het gemakkelijkst, te overzien.
Onze inkomsten bedroegen ook ditmaal de niet onbelangrijke som van ƒ 26897.48
Onze uitgaven waren niet klein doch liepen niet hooger dan ƒ 15882.83
Alzoo was er een batig saldo van ruim 11 duizend gulden, zegge ƒ 11014.65
't Is wel iets, wat de aandacht mag trekken, dat in onzen tijd nog gesproken mag worden van een batig slot. Wij kunnen in een verslag als het onze uit de verschillende rubrieken wel niet alles met name noemen ; toch is er iets, wat wij met een beklemd gemoed hadden gadegeslagen. Juist hierom, omdat wij sedert jaren gewoon waren aan het houden van de Paaschcollecte voor onze fondsen. Toen de Synodale regeling deze bestemde voor verschillende doeleinden, waren wij, eerlijk gezegd, in een zeer moeilijke situatie geraakt. Ons Studiefonds was hierop berekend. Noode zagen wij dezen steun ons ontzegd. Daar was nu eenmaal niets tegen te doen.
Zie, nu daarop eenmaal het oog was gevallen, werd een andere datum opgezocht. En toen de actie in De Waarheidsvriend, hier even een streepje onder plaatste, was de zaak weer in orde.
Onze alumni, ten getale van even boven de 20, van wie onderscheidenen reeds hun intrede hebben gedaan in de pastorie in de laatste maanden, waren met mij verheugd, dat zij thans het ambt van Evangeliedienaar mochten aanvaarden. De Heere geve hun wijsheid en lichte hen voor en zij hun nabij in alles.
De studietoelage is in onze dure tijden wel iets hooger geworden dan wij gewoon waren. Er viel eenvoudig niets tegen te doen.
Wij zouden de wetten der piëteit schenden, als bij de post „legaten" niet even werd stil gehouden. Tot twee malen toe kwam de tijding, dat de Gereformeerde Bond bij testament bedacht was door een zuster der gemeente. Het eerste kwam uit Bodegraven, n.l. van wijlen mej. Byman, aldaar. Enkele weken daarna kwam het tweede legaat, en wel uit Amsterdam, van wijlen mej. Van Biezen. Onze vriend en collega ds. Remme wist er wel iets van, dat zulks in de gedachte geleefd had van deze zuster der gemeente, die hij op zijn weg had ontmoet.
Deze twee legaten, de eerstgenoemde bedroeg 50 gulden, de Iaatste 250 gulden, behoorden niet tot die erfenissen, waarover gehandeld wordt als van groote beteekenis. Toch is dit niet juist. Wij zijn er dankbaar voor en denken aan het spreekwoord :
Wie het kleine niet eert. Is het grootere niet weerd.
Heel in het slot mag ik met bizondere attentie hier nog melding maken van een vijftal, die in de jaren, welke zij doorbrachten aan de Universiteit alhier, nog eens gedachten aan wat zij als alumni van den Gereformeerden Bond hadden ontvangen als steun bij hun studiën. Namen worden in den regel niet genoemd, 't Heeft mij bizonder goed gedaan. Hieruit spreekt erkentelijkheid voor de steun, hun spontaan verstrekt. Het maakt onze arbeid lichter. De drie jongsten van deze zonden ieder 50 gld. ; de oudere zond mij 65 gld., en die er nog restte zond mij 300 gld.
Zooals ik reeds opmerkte, doet mij dit echt goed. 'k Ben er kinderlijk blij mee. De Heere zegene u tezaam en geve u uit Zijne volheid wat u noodig hebt op uw paden. Lichte Hij u voor en steune u in uw vaak moeilijken arbeid.
Zij de Gereformeerde Bond voor ons tezamen de samenbindende kracht, welke uitstraalt van Hem, Die over dood en graf triumpheerde, het bevel overgevend in de handen Zijner jongeren, zeggende : Predikt het Evangelie, in gebed, of vindt ge het beter, gedragen ter eener zijde door het woord : Mij is gegeven alle macht in hemel en op aarde ; ter anderer zijde : Ziet, Ik ben met ulieden alle de dagen, tot de voleindiigng dezer wereld.
'k Heb het gezegd.
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van donderdag 1 mei 1947
De Waarheidsvriend | 6 Pagina's
Bekijk de hele uitgave van donderdag 1 mei 1947
De Waarheidsvriend | 6 Pagina's