De Waarheidsvriend cookies

Voor optimale prestaties van de website gebruiken wij cookies. Overeenstemmig met de EU GDPR kunt u kiezen welke cookies u wilt toestaan.

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies zijn verplicht om de basisfunctionaliteit van De Waarheidsvriend te kunnen gebruiken.

Optionele cookies

Onderstaande cookies zijn optioneel, maar verbeteren uw ervaring van De Waarheidsvriend.

Bekijk het origineel

Samuël, een zoon der Wet.

Bekijk het origineel

+ Meer informatie

Samuël, een zoon der Wet.

FEUILLETON

4 minuten leestijd

51)

„Ik zou het nu wel willen vertellen — ik kan het toch niet langer voor mij houden. Ik had het zoo graag al eens éér verteld.

Het is mij alleen overkomen, maar ik kan het niet langer in mijn eentje dragen. Gijlieden zult mij wel niet verraden, — en ook al deedt gij dat, dan is het mij nog goed." Hij stond op, rekte zijn sterk lichaam uit, en liep, vóór hij ging zitten, nog een paar keer heen en weer.

„Verraden zult u niemand van ons, " zei Mandel koel. „Laat ons maar weten, wat het is. Het is altijd goed elkander te kennen, als men buren is." Maar de Thora-schrijver voegde er vriendelijk nog aan toe : „Stort je hart maar eens uit. Is het een groote schuld, dan hoort u de Eeuwige, en wij zullen zijn als zulken, die niets gehoord hebben. Wij komen ook uit bloed en tranen. Het zal wel niet iets zijn, dat wij niet kennen. Jossele met de kruik, je moogt gerust vertellen, en ook den knaap behoeft gij niet te ontzien. Hij spreekt over niets, waar hij niet over spreken mag."

„Met de kruik, ja, met de kruik !. Het moet er toch één keer bij mij uit, en dan zal ik er misschien zelf niet meer zoo voortdurend aan behoeven te denken." De vreemde man nam zijn zitplaats weer in, en steunde zijn voorhoofd op zijn hand, die op zijn knie rustte. „Dezen nacht gaan alle onweders over ons heen, en de wolken zullen gaan schreien, en allen zal het hart lichter worden, en de angst is vergeten, en de banden om onze borst zijn stukgesprongen, - waarom ook niet bij mij ? Dan zal ik niet meer denken, dat de Heere der heirscharen mij met Zijn bliksem, dreigt, en met Zijn donder mij scheldt, en ik zal afwachten, of Hij mij ook vergeeft, als Hij het laat regenen over het land." En hij vertelde alles - in het begin nog met horten en stooten, toen sneller en menigmaal met woorden, die hartstochtelijk over elkaar heenrolden.

In Jossele's vroegere woonplaats inde de man, die aan het hoofd stond van de gemeente, de belastingen op heel strenge wijze. Naar nalatige betalers zond hij den gemeentedienaar, die voortreffelijk de kunst van spionneeren verstond, en die ook bij de armsten nog wel iets wist te vinden, dat te verpanden was, terwijl hij bij vermogenden juist graag een oogje toe deed, voor het geval zij de helft van het door hen verschuldigde bedrag maar aan hem zelf betaalden. Deze man nu kwam op 'n dag bij een ouden kleermaker, om hem voor de rechtbank te dagen, voor het geval hij de nog steeds niet betaalde som van eenige roebels niet betalen kon. Jossele was daar toevallig aan huis, want hij was verloofd met de dochter, en had haar zoo. juist als eerste stuk in de huishouding een mooie, stevige houten kruik gebracht, die hij van zijn eigen ver­ dienste als waterdrager had gekocht. Nu zat hij met haar en haar vader in de achterkamer, en zij maakten huwelijksplannen. Een lange ziekte had den kleermaker in een benarden toestand gebracht. De belastingbeambte sloeg zóó hevig op de deur, dat de oude man over zijn heele lichaam sidderde, toen hij de deur wou gaan opendoen. Jossele hoorde een woordenwisseling tusschen een ruwe en een angstige stem. Het meisje deed de deur een eindje open, en stak haar hoofd naar binnen. Hij stond achter haar. „En zou jij niets in huis hebben ? Ben je mal ? " schreeuwde de kerel. „Die Jood heeft toch nog te eten gehad, want hij leeft immers nog en dat Jodengebroed ook. Kijk, kijk, een knappe meid, en die ziet er ook nog heelemaal niet verhongerd uit." Jossele's meisje had zich heelemaal naar voren gewaagd, om de uitspraken van haar vader te gaan bekrachtigen. „Wij hebben wat van vrienden gekregen, toen vader ziek was, maar of wij morgen weer iets zullen krijgen, dat weten wij nog heelemaal niet." Zij sprak bittere waarheid.

„Dacht je, dat ik dat geloofde, jij, Jodenmeid ? En daarbij worden er dan ook nog nieuwe meubels aangeschaft ? Kijk, die nieuwe waterkruik eens, daar op de bank ! En dan wil men den gerechtsdienaar niet eens zijn zure reis betalen ! Nu wil ik niet alleen die twee roebel hebben ; ik wil ook de kruik nog !"

(Wordt vervolgd.)

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van donderdag 15 mei 1947

De Waarheidsvriend | 6 Pagina's

Samuël, een zoon der Wet.

Bekijk de hele uitgave van donderdag 15 mei 1947

De Waarheidsvriend | 6 Pagina's