De Waarheidsvriend cookies

Voor optimale prestaties van de website gebruiken wij cookies. Overeenstemmig met de EU GDPR kunt u kiezen welke cookies u wilt toestaan.

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies zijn verplicht om de basisfunctionaliteit van De Waarheidsvriend te kunnen gebruiken.

Optionele cookies

Onderstaande cookies zijn optioneel, maar verbeteren uw ervaring van De Waarheidsvriend.

Bekijk het origineel

MEDITATIE

Bekijk het origineel

+ Meer informatie

MEDITATIE

PINKSTEREN

10 minuten leestijd

„en het zat op een iegelijk van hen". Hand. 2 vs. 3 (slot).

Pinksteren, het Pinksterwonder, 20 eeuwen geleden geschied, dat wij in deze dagen herdenken, kan genoemd worden: de vuurdoop van Gods Kerk.

Zoo ziet het ook dat oude PinksterHed, dat zingt:

De Pinkster-feest verscheen Als snellijk viel beneen De Geest, daar elk op hoopte; Die, als eens winds gedruis Terstond vervulde 't huis en met den vier haair doopte.

Pinksteren, de vuurdoop van Gods Kerk, dat wil in dit verband betekenen, dat ze volledig wordt toegerust tot den strijd. Pinksteren is immers in geheel uitnemenden zin voor Gods Kerk de vervulling van het woord: „Die zal u met den Heiligen Geest en met vuur doopen". (Matth. 3 vs. 11). De vuurdoop der Kerk is haar Geestesdoop. Door Christus, Die Hem van den Vader ontving en doorgaf aan de Zijnen. Zoo staat het in Handel. 2 vs. 33.

En die Geestesdoop betrof niet alleen de Kerk als geheel, maar ook elk van haar leden, de ongeveer 120 personen, die op den dag van het Pinksterfeest bijeen waren. Zoo zegt het de tekst, dien wij overdenken, als daar staat: „en het zat op een iegelijk van hen".

Daar zijn maar heel weinig schilderijen van het Pinksterwonder, en die er zijn, bevredigen slechts matig of heelemaal niet. Geen wonder! Pinksteren laat zich niet uitbeelden. Het wezenlijke ontglipt aan penseel en doek. Het geestelijk gebeuren, daar in Jeruzalem is zelfs al moeilijk onder woorden te brengen, laat staan dat het uitgebeeld kan worden. Zie het maar in den tekst en zijn omgeving. Het is een worstelen met de taal. Vandaar die, om zoo te zeggen, tastende uitdrukkingen : als van „een geweldigen gedreven wind", „als van vuur''. Het was geen wind en het was geen vuur. Het leek er alleen maar op. Doch met dat al staan we nog immer maar aan den buitenkant. Het gaat daarin nog steeds over de teekenen. En die verdwijnen straks. Doch het wezenlijke blijft.

Wat is dat ? Dat is het eigenlijke, waarom het gaat in onzen tekst. Dat is het enkele woord „het", in het oorspronkelijke niet eens met een eigen woord aangeduid, maar verscholen in den werkwoordsvorm.

Wat is daarmede bedoeld? Het vuur? De verdeelde tongen ? Neen, waarlijk niet. Lees maar het vervolg van den tekst in vers 4: „en zij werden allen vervuld met den Heiligen Geest".

Dat heele wondere gebeuren, verhaald in woorden, waarin het worstelt om klare aanduiding, dat wordt nu samengevoegd in dat enkele woord: „het" in onzen tekst.

Dat is het nedervaren van den Heiligen Geest, en dat nederkomen van God den Heiligen Geest, houdt op, als het die 120 bereikt, zich zet op elk van hen, en allen saam en ieder afzonderlijk bezit.

„en het zat op een iegelijk van hen". In elk van hen kwam de Heilige Geest op die wonderlbare wijze Zijn intrek nemen.

De Kerk van den nieuwen dag was geboren, was tot een eigen zelfstandig bestaan gekomen. Ze was wereldkerk geworden. Zendingskerk. Tempel des Heiligen Geestes. Woonstede Gods in den Geest.

Lang had de Heilige Geest boven haar gezweefd. Gezweefd en gewerkt in de belofte : „Ik zal in hen wonen". Daarop duidt die eigenaardige aanteekening in Joh. 7 vs. 39: „want de Heilige Geest was nog niet, overmits Jezus nog niet verheerlijkt was''. Daarin is niet gezegd, dat de Heilige Geest toen nog niet bestond. Neen, Hij is er immers van eeuwigheid en leidde al Gods kinderen onder de Oude bedeeling.

Op Pinksteren kwam de vervulling van die belofte. Nu was er het eigen gezinsbestaan der Kerk, waar ze voorheen wegschool in Israël. Thans is God Drieëenig in Zijn huis, de Kerk, gaan inwonen en is zij Zijn woonstede. Daarom kunnen wij van Pinksteren spreken als de inwonende daad Gods in den Heiligen Geest.

Maar nu is het ook te verstaan, dat er tengevolge daarvan iets, neen, veel, wat groots geschiedde. Laat er onder ons een ziel zijn, tot wie God in Zijnen Heiligen Geest kennelijk is ingekomen. Dat kan niet verborgen blijven. Voor haar zelve niet. Dan is er op z'n minst een beven voor Gods Woord, dat zich nu als een macht doet kennen in de eischen der Wet, in de beloften des Evangelies ; en er openbaart zich een verlangen naar Christus als den Eenige, in Wien God heil beschikt. En als het doorzette, doorbrak en wij tot ruimte kwamen, ja, macht ontvangen kinderen Gods te worden dan moet het geuit, naar het woord van den psalmist:

Hoort, wat mij God deed ondervinden. Wat Hij gedaan heeft aan mijn geest.

En zie in dit licht nu eens het wondere gebeuren van den Pinksterdag. In die vergadering van de 120 daalt Gods Geest in, zoo, dat ze wordt Kerk, huis van den Heere Christus, en neemt bezit van ieder afzonderlijk. Is het dan wonder, dat ze spreken ? Ze moeten. Ze worden door den Geest in vervoering gebracht. In machtig enthousiasme verkondigen zij de Magnaha Deï, de groote werken Gods.

Dat maakte indruk. De menschen begonnen te beven en te sidderen. Lees het maar in vers 7. En straks staat er weer : ,,en zij ontzetten zich allen en werden twijfelmoedig'' (vs. 12).

Zeker, er was ook een andere reactie. Men ging de zaak ridiculiseeren : „ze zijn vol zoeten wijns". Zoo iets is altijd goedkoop, want men krijgt de lachers op z'n hand.

Wee u, als ge dien weg opgaat. Het lachen zal u vergaan. Want ge tast het werk aan van dien God, van Wien geschreven staat: „Die in den hemel woont, zal lachen, de Heere zal ze bespotten".

En hoe staat het thans in dezen met de kerk als geheel, met wie daarin behooren tot Gods Kerk? Is er de reactie van de buitenstaanders : „Wat wil toch dit zeggen"? Leven wij uit de groote dingen Gods, spreken wij er uit? Zóó, dat van verre staarden bang worden voor zichzelven, hun geweten geraakt wordt? Is het niet veelszins zóó, dat de indruk gegeven wordt van een vorm, waaraan het leven ontvlood? De val der volkeren is de val der kerk.

Er is veel actie en bedrijvigheid in het kerkelijk leven van onze dagen. Goed bedoeld. Best bedoeld. We willen geen oogenblik twijfelen aan den ernst dier bedoelingen. En het wordt ingezet met élan. Een ijver vaak om jaloersch te maken.

Men heeft gezegd: „er moet muziek in de kerk komen''. Die is er, gezien al dat „activeerend'' werk. Maar is er het lied des levens, het lied des Geestes ?

De kerk zijn wij. Wat is Pinksteren voor ons persoonlijk ? Ik heb het niet over den vorm. Dit is de vraag : Hebben wij den Heiligen Geest ontvangen? Zonder dien Geest is het geen Pinksteren, ook al wijst de kalender den datum aan. Of doen wij maar alsof ? Dan zijn wij in wezen gelijk aan hen, voor wie Pinksteren opgaat in het uitwendige. Weet het wèl: „Zoo iemand den Geest van Christus niet heeft, die komt Hem niet toe". (Rom. 8 vs. 9). Dat beteekent, dat gij ligt onder den toorn Gods en onder dien toorn eeuwig zult blijven en vergaan, tenzij gij wederom geboren wordt. Zoo pas citeerde ik het woord : „Er moet muziek in de kerk komen". Ik neem het hier over. Maar dan muziek m. den zin van Psalm 40 vs. 4: „En Hij heeft een nieuw lied in mijnen mond gegeven, een lofzang onzen Gode; velen zullen het zien en vreezen en op den Heere vertrouwen". Bid om den Geest der genade en der gebeden. Bid zonder ophouden. Want ook gij moet Hem hebben!

Onze tekst, hoezeer ook sprekend van het geheel, is tenslotte streng persoonlijk. Elk van die 120 saamvergaderden kreeg het, werd in bezit genomen door dat wondere, aangegrepen door die kracht „als van een geweldigen gedreven wind", gedoopt met dat vuur, begiftigd met een tong als van vuur. Ieder was een gedrevene door den Geest.

Zie, men legt in onze dagen sterk den nadruk op het geheel; er wordt gesproken van „den Geest der Kerk". En de stemmen gaan op, dat men juist door dat geheel gedragen, als enkeling boven zijn nood, zijn twijfel en moeite en ongeloof moet uitkomen. Ook in dezen is er het „hoog-kerkelijke".

De Heilige Schrift kent ook de beteekenis en de waarde van het geheel voor den enkeling. Met name in den strijd en de worsteling des geloofs. Niemand zal het kunnen en willen tegenspreken. En nog minder, dat er tijden geweest zijn, waarin wij daar veel te weinig mede hebben gerekend.

Maar dat alles neemt niet weg, dat het tenslotte gaat om onze persoonijke verhouding tot God, waarbij alle menschen aan kant gezet worden door den Heere, en Hij ons stelt voor Zich. Het komt aan op de persoonlijke doorleving des geloofs, het persoonlijk kennen van de gave des Heiligen Geestes, het uit God geboren zijn. Dat predikt ons de tekst, als hij zegt: „en het zat op een iegelijk van hen".

En daarom sta hier de vraag : Heeft ieder van ons den Heiligen Geest ?

Zijt ge gedoopt met den Heiligen Geest en met vuur ?

Schrikt ge van die vraag ? Weert ge die af, met te zeggen, dat zulks niet is te denken, dat het veel te groot is ?

Schrik maar, doch weer niet af. Op hoe vrome wijze ge dat ook inkleedt, het openbaart in alle naaktheid uw goddeloosheid.

Wij zullen allen dien Geest moeten hebben en Zijn leidingen kennen. Allen, ouderen, jongelingen, jongedochters, kinderen en grijsaards. Ik mag niemand loslaten. Petrus vergat ook niemand. Allen kregen een beurt.

Weet ge, waarom dit alles ? Gij moet Christus als uw Redder en Borg hebben. Om dat ééne gaat het in de genade van den Heiligen Geest. Want Die alleen voert u naar Hem en Hem naar u. Die maakt plaats in uw hart voor Christus, door uw zonde en schuld te ontdekken en uit te branden. „Niemand kan zeggen Jezus den Heere te zijn, dan door den Heiligen Geest". Maar evenzeer geldt, dat niemand, die door den Geest Gods spreekt, Jezus eene vervloeking noemt". (1 Kor. 12 vers 3).

Bid daarom om den Geest, indien Hij niet uw deel is. Maar rust ook niet in dat bidden, want dan heelt ge de breuk op haar lichtst, om in de vallei des doods te blijven neerliggen. Bid aanhoudend om het ontdekkend licht des Geestes.

En als dan de Geest over u komt, zal Hij u ontdekken aan uw zonde, uw schuld, uw verlorenheid, en dat gij altijd uzelf zoekt en verlost moet worden uit al die gebondenheid. Ge zult u leeren kennen: ellendig en jammerlijk en blind en naakt, volop levend in de werken des vleesches.

Maar als die ontdekking over ons komt en wij schuld verloren en verbroken voor God in onzen nood ontdekt worden, zie, dan verkondigt ons de Geest, dat Christus in al Zijn rijkdom Zich gaf voor zulken. Ja, Hij draagt in de beloften des Evangelies, Gods goedertierene beloften in Christus Jezus, Immanuël, in de diepten van het verloren en verbroken harte in, zóó, dat wij Hem kennen leeren als onzen Heere, om; dien Vorst des levens te omhelzen als onzen doodsverwinnaar en zondenvernieler. Als den Eenige, in Wien God ons de wegen des levens bekend maakt en vervult met verheuging door Zijn aangezicht.

Welzalig allen, die zoo in bezit genomen zijn door den Geest. Zij zullen Hem kennen als onwederstandelijk : „een geweldigen gedreven wind". Ja, als de bezieler, Die licht geeft en warmte en gloed. Hij geeft een mond om te belijden de Magnalia Deï. Hij doet getuigen :

Gij zijt mijn God, U zal ik loven; Verhoogen Uwe majesteit.

Mijn God, niets gaat Uw roem te boven, U prijs ik tot in eeuwigheid !

(Zeist)

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van donderdag 22 mei 1947

De Waarheidsvriend | 6 Pagina's

MEDITATIE

Bekijk de hele uitgave van donderdag 22 mei 1947

De Waarheidsvriend | 6 Pagina's