Samuël, een zoon der Wet.
FEUILLETON
Een verhaal uit het hedendaagsche Palestina
52)
Hier werd de verteller in de rede gevallen door Mandel, die luid uitriep : „Zoo'n gemeene kerel ! Is dat werkelijk zoo ? Is dat werkelijk zoo ? " Hij hield den adem in, en stampte op den grond, en zwaaide met zijn armen. Ook de anderen deden een gemompel hooren, waaruit te merken was, dat dit alles hun maar slecht aanstond, maar het werd nog overstemd door den donder, die onophoudelijk over de vlakte rolde en tegen den Karmel weerkaatste.
Jossele hield zijn hand boven zijn oogen tegen het licht van den bliksem. „Zij was een mooi en stevig gebouwd meisje, en ik hield dol-veel van haar. Het was al lang tusschen ons in orde".
„Verdelgd moge hij zijn ! Zoo'n liederlijke kerel ! Zoo'n verrader ! Zoo'n duitendief !"
„Schelden jullie toch niet zoo !" vermaande Sinaï. ., De vogelen des hemels spreken van Hem, en alles wat gevleugeld is, volgt hen daarin na. Hij zal van den grooten rechter zijn straf wel ontvangen".
Een vreeselijke knal, gepaard met een verblindenden bliksemstraal, die daar vlak bij scheen neer te vallen en alles in vlam scheen te zetten, deed hen van hun plaatsen opspringen, uiteengaan, en ontzet elkander aanzien, of zij geen van allen gedeerd waren. „Verschoon ons, o onze God, ons en ons vee, onze hutten en onze boom !" riep Sinaï uit, met uitgebreide handen temidden van al dat rumoer.
„Wat zijn wij voor U ? " Rea zocht angstig haar man en haar ouders op, — zij zou hen graag allen tegelijk hebben omhelsd. Samuel omhelsde de blinde, — allen waren vol angst om elkander.
Maar Jossele stond daar alleen.
Zijn gezicht was spookachtig bleek en vertrokken. Zijn stoppelige baard en zijn erg ongelijk afgeknipt haar gaven hem nog meer het voorkomen van een verwilderde. „Gelooft niet, dat de Euwige mij nu zoekt ! Weest niet bang, bij mij te zitten — God heeft reeds vele bliksems om mij heen geslingerd. Hij kent mij, — Hem heb ik het reeds lang geleden verteld. Laat ik het nu ook mogen uitvertellen : gij bewijst mij daarmede een dienst van medelijden".
„Laat hem nu doorspreken. Wie bij nacht weent, met hèm weenen de sterren aan den hemel", zei eindelijk, ademsoheppend en weer wat rustig geworden, de blinde. „Vertel door".
Zïïj gingen nu weer op hun plaatsen, maar Rea ging toch opgemerkt wat verzitten, leunde met haar bovenlichaam tegen haar man, doch keerde aanhoudend haar verbaasden blik naar den ander.
„Die gemeene kerel had den ouden kleermaker toegeschreeuwd : „Weet je niet, dat ik jou reeds één keer heb laten gaan ? Wat je toen moest betalen, is meer dan die kruik waard is, mijn vrouw heeft mij al dikwijls om zoo'n kruik gezeurd, — dus geef haar op, mèt de twee roebels !" Ik kon me niet meer goedhouden en kwam nu ook de kamer uit, ofschoon mjjn verhouding tot het meisje eigenlijk nog een geheim moest blijven. De gerechtsdienaar begon te lachen : Wat kruipt daar nog meer uit het gat te voorschijn ? Je hebt dus bezoek gehad, en misschien wel een gebraden kippetje gegeten ? En daarbij legde hij reeds zijyn hand aan de kruik".
„Vervloekte kerel, sla hem op zijn kop !" — schreeuwde Mandel buiten zichzelf.
„Dat is ook gebeurd . . . . . . "
Jossele kon een oogenblik niet spreken, het was alsof zijn heele lichaam beefde. Toen ging hij klankloos voort : „Ik hield de kruik al vast, en hief die hoog boven hem, — misschien wel vooral, opdat hij die niet in handen zou krijgen, — ik weet het niet precies. Daar stond maar een klein dik mannetje voor mij, met een rood gezicht. Maar toen hij nog zijn best deed, om de kruik te krijgen, liet ik die op zijn schedel vallen, met alle kracht. Ik hoorde het kraken van den ijzeren hoepel aan den onderkant, en toen lag hij voor mij met een gezicht als een lijk . . .. . . . . Ik hoorde den vader en mijn meisje nog schreien. Met de kruik in mijn hand ben ik toen over den doode heengestapt, en het huis uitgegaan — en al maar verder geloopen, verder geloopen, — tot over de grens naar Oostenrijk. Ik wist zelf niet wat ik wilde, en ik wilde niet, wat ik deed Ik heb knollen gegeten van de velden, en kersen van de boomen langs den grooteri weg. En in Oostenrijk heb ik wat gewerkt, en ik ben weer verder gegaan ; en toen ben ik in Turkeye gekomen, — en van Konstantinopel ben ik door Armenië gegaan — al maar de zeeplaatsen langs. Altijd maar weer heb ik gewerkt, en dan ben ik weer verder gegaan, en de kruik kon ik niet loslaten. Die is met mij mee gegaan, en die is mijn alles, mijn geluk èn — mijn ongeluk."
(Wordt vervolgd.)
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van donderdag 22 mei 1947
De Waarheidsvriend | 6 Pagina's
Bekijk de hele uitgave van donderdag 22 mei 1947
De Waarheidsvriend | 6 Pagina's