Braakland
Pinksterfeest. Uitstorting van den Heiligen Geest. Indien er één stuk der reformatorische theologie is, dat aan de belangstelling en aan de kennis der latere eeuwen tot op heden is ontgaan, althans niet genoegzaam de aandacht heeft gehad, is het het stuk van den Heiligen Geest.
Op zich zelf reeds is dit een probleem, aangezien het werk van den Heiligen Geest in de werken van Calvijn zulk een breede plaats inneemt en veelvuldig ter sprake wordt gebracht.
Zonder het werk van den Heiligen Geest kan men de Christelijke religie niet verstaan en in haar wezen waardeeren. En niet alleen dit, maar Calvijn wijst er telkens op, van hoe essentieele beteekenis het werk van den Heiligen Geest voor heel het leven, niet slechts van de kerk, maar ook van de wereld is. Daarom is de kennis van het werk van den Heiligen Geest voor geheel de Christelijke levensen wereldbeschouwing van zoo buitengewone en grondleggende beteekenis. En het is volstrekt geen wonder, dat de moderne cultuurwereld een toonbeeld van verwarring vertoont, waarin de sapren van het reformatorische leven schier ganschelijk zijn uitgewischt en althans slechts nauwelijks en op groote distantie kunnen worden opgemerkt.
Ter nauwernood verstaat men nog iets van de heiligheid des Geestes, en dan denkt men aan piëtisme en mysticisme, aan een „bekrompen" Christendom, aan den kring van „vrome" menschen, een type, dat zich ondanks alle verlichting handhaaft en in zijn stijl een historische variatie vertegenwoordigt, die men eigenlijk niet begrijpt.
De heiligheid des Geestes is in het algemeen bewustzijn verloren gegaan achter een profane algemeenheid van een wijsgeerig begrip : geest. Immers schrijft de mensch zich zelf toe in zijn wezen geest te zijn, als hij zich niet overgeeft aan een bruut materialisme. De 19e-eeuwsche geest kenmerkt zich door een goddelooze en onzedelijke profanie, miskenning en ontkenning van de heiligheid des Geestes, eenerzijds door alle dingen en inzonderheid den mensch tot een verschijning van den wereldgod te maken, anderzijds door hem als een natuurproduct te beschouwen.
En dit geldt niet alleen den Heiligen Geest, maar ook het Woord, dat aan alle dingen gestalte geeft.
Heilige Geest. Dat onderscheidt, hetgeen Godes is en het schepsel. Heilige Geest. Dat stelt afzonderlijk. Heilige Geest zet eerbiedige distantie. Want God is Geest. Hij alleen! Het schepsel is geen Geest, het is stof, vleesch.
De moderne mensch moet ontdekt worden aan zijn waan „geest" te zijn, opdat hij afleert te bazelen over geest en geestelijke dingen, welke niet anders dan objecten zijner inbeelding zijn.
In dat opzicht verdient het streven van K. Barth lof, als hij zich verzet tegen deze afgoderij. Hij gaat daarin echter te ver en bant God uit deze wereld uit. De mensch zou immers zulk een afgoderij en profanie niet kunnen bedrijven, als Gods Geest niet in de wereld woonde en werkte. Maar daarom te meer is het noodig, dat de mensch er bij wordt bepaald, dat hij raakt aan den boven de wereld verheven God, als hij „geest" zegt, omdat God alleen Geest is.
Als de mensch zich zelf tot Geest maakt pleegt hij roof aan de Allerhoogste Majesteit en onderwerpt hij zich aan een waan van den „geest dezer eeuw".
Geboren uit de spiratie van den Heiligen Geest werd de mensch tot een levende ziel, hetwelk wel een geestelijk wezen pleegt genoemd te worden, doch ten onrechte als „geest" wordt aangemerkt. Nog eens God alleen is Geest.
En welk een waan schuilt er in deze afgoderij! De mensch toch meent ook nog zich zelf als zoodanig te kunnen kennen, en acht zich niet alleen in staat alle dingen te doorgronden, — maar hij komt tot zulk een onderstelling, omdat hij in zijn waan nog verder is gegaan, als zou hij alle dingen uit zich zelf voortbrengen. Zoo maakt hij zich zelf tot God en schrijft zich goddelijke heerlijkheid toe.
Tot zulke dwaasheden komt een geslacht, dat zijn Schepper vergeet. Zeker de ervaring der laatste jaren heeft sommigen wel wat terug geroepen van deze dwalingen, doch van een massale ommekeer van dezen verkeerden geest, is weinig te merken.
Edoch, indien de mensch „Geest" ware, hoe klaar, en volkomen rnoest zijn verstand zijn. Hoe weinig kwam daarmede zijn worsteling om kennis en wetenschap overeen ?
Hoe kon de wereld zoo ellendig zijn, indien zij in het wezen Gods deelde ?
Deze vragen kunnen met vele andere worden vermeerderd.
Immers alle zoeken en worstelen, alle strijd en tegenstelling, alle dwaasheid en onkunde, alle ziekte en dood, alle nood en oordeel zou geen plaats kunnen vinden, indien wij „Geest" waren.
Maar, wat doet de mensch nu ? Hij trekt God omlaag in deze wereld, maakt Hem gelijk aan de laagste Zijner ordeningen, onderwerpt Hem zelf aan de dwaasheid van den mensch, die zulke dingen bedenkt.
Dit. is profanie van de ergste soort en gruwelijke ontkenhing van de heiligheid des Geestes.
De Heilige Geest teekent Zijn spoor in de kennis van zonde, gerechtigheid en oordeel.
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van donderdag 29 mei 1947
De Waarheidsvriend | 6 Pagina's
Bekijk de hele uitgave van donderdag 29 mei 1947
De Waarheidsvriend | 6 Pagina's