VRAGENBUS
Vraag:
a). Wanneer er gesproken wordt in het Evangelie van „noch in deze, noch in de toekomstige eeuw" wat wordt er dan met het laatste bedoeld " Dat kan moeilijk de bedoeling hebben van een eeuw, als tijdperk van honderd jaar en ook kan de tweede eeuw niet bedoeld zijn ?
b). Wanneer er in Gen. 8:22 gesproken wordt, dat ,,voortaan" zullen zijn zaaiïng en oogst, zomer en winter enz. wil dit dan zeggen, dat zulks vóór dien tijd niet het geval was ?
c). In een Kerkbode las ik van twee predikanten, dat zij, bij de nieuwe spelling „Here" schreven, inplaats van met twee e's. Is dit wel juist ? Is HEERE niet een eigen naam ? Ik hoorde van iemand, dien ik dezelfde vraag stelde, dat men dat destijds had gedaan, maar tegenwoordig zou men ééne e genomen hebben. Ik betwijfel dit, want Heerengracht wordt ook niet Herengracht en Heerenveen blijft toch Heerenveen. Naar mijn gedachte moet dus Heere blijven zooals wij dat gewoon zijn.
d). In de Schrift wordt wel gesproken van glasvensteren, maar voor zoover ik dat heb kunnen onderzoeken was er in dien tijd geen sprake van ruiten. Er was wel eerder glas, dat is bekend, maar men had er nog geen ruiten van gemaakt. Ook Ir. Knuttel, die een Handleiding over Bouwkunst schreef, is van die meening.
Antwoord: bij a : Eeuw beteekent hier, zooals u vermoedt, geen tijdperk van honderd jaar.
Deze eeuw is de wereld van thans, de toekomende eeuw ziet op de eeuwige toekomst. Wij verwachten een nieuwen hemel en een nieuwe aarde, waar gerechtigheid woont. Gij kunt ook spreken van deze bedeeling en de toekomende.
bij b : Neen, dat is het niet, maar God verbindt zich in het Noachietisch verbond om de ordeningen des hemels niet meer te verstoren, zooals in den zondvloed. Hij verzekert den mensch, dat tot de voleindiging de jaargetijden, zaaiïng en oogst, niet zullen ophouden. Dat is een daad van Gods algemeene genade.
bij c : Het komt mij voor, dat u gelijk heeft en dat wij Heere als eigen naam Gods kunnen blijven schrijven.
bij d : U doelt waarschijnlijk op Jesaja 54 : 12. Inderdaad zijn glasvensters eerst van veel later tijd, hoewel glas reeds in de oudheid bekend was (Phoenicie). Het woord venster moet daar dooreen ander woord worden vertaald. Prof. Ridderbos stelt voor : „En ik maak robijnen tot uw tinnen, en uw poorten tot karbonkels en geheel uw grens tot edelgesteenten".
Vraag : Met belangstelling lees ik telkens „De Waarheidsvriend" en dan ook dat hoekje daarvan, waarin u ingekomen vragen beantwoordt. Nu wil ik u ook graag een vraag stellen, waarmee wij op onze J. V. niet in het reine kunnen komen en wel naar aanleiding van Hebreen 6 : 4 tot 7.
Hierin wordt gesproken over zulken, die de gave des Heiligen Geestes gesmaakt hebben en het goede woord Gods en de krachten der toekomende eeuw en tóch afvallig worden. Hoe bedoelt de Apostel dit ? Het kan toch niet waar zijn dat zij, die de genade Gods in Christus door den Heiligen Geest hebben mogen smaken, de in Christus geheiligden dus, weer tot afval komen ? Zij zijn toch in Gods handpalmen gegraveerd en niemand kan hen toch uit Zijn hand rukken ? In de Dordtsche leerregels (1-6, verwerping der dwalingen) wordt dit een grove dwaling genoemd en nog verwezen naar Matth. 24 : 24 ; Joh. 6 : 39 en Rom. 8 : 30. Het kan dus niet waar zijn, maar hoe is dan de zuivere uitleg van dit Schriftgedeelte ?
Antwoord: In de door u aangehaalde verzen wordt juist geleerd, dat er geen afval der heiligen mogelijk is.
Maar, zult gij zeggen : Er wordt toch gesproken van eens verlicht te zijn geweest . . . . . . en afvallig worden. Hoe is dat dan ?
Let eens op vers 9 : „Maar, geliefden wij verzekeren ons van u betere dingen, en met zaligheid gevoegd, hoewel wij alzoo spreken." Betere dingen, waaraan zaligheid eigen en verbonden is.
Als vers 9 zegt : hoewel wij alzoo spreken, indien wij ook op zulk een wijze spreken, geeft reeds te kennen, dat hier op een wijze gesproken is, die in een bepaalden zin oneigenlijk is.
Er is sprake van afvalligen in de kerk van die dagen, zooals er in alle tijden en ook in onze dagen sprake van kan zijn. Denk maar eens aan de ontkerstening.
Zulke afvalligen kunnen echter geen deel hebben gehad aan een waarachtige wedergeboorte, want dan zou het werk van den Heiligen Geest liegen. En dat nu, zegt deze Schrift, is onmogelijk. Het is onmogelijk, dat de heiligen Gods afvallen en wederom tot bekeering komen.
Dan toch zou dit beteekenen, dat het werk van Christus vergeefs ware geworden. Het fundament, dat gelegd is, zou weggezonken zijn. Zulke afvalligen zouden zich een nieuw fundament oprichten. Dat nu is de vermaning van het eerste vers : laat oiis niet wederom een fundament leggen, want het fundament is gelegd.
De brief spreekt alzoo van afvalligen, omdat er verslapping en achteruitgang bij de lezers werd gevonden en zij a.h.w. weer van nieuws aan moesten worden onderwezen. En nu worden zij er op gewezen, dat dit een hoogst bedenkelijk teeken is. Denk er wel om, zoo wordt gezegd, dat het niet mogelijk is de gaven des Heiligen Geestes genoten te hebben, deze te verachten en weer een nieuwen grond te vinden.
Want er is slechts één fundament, en gelijk de aarde door den regen wordt gedrenkt en zoowel goede vruchten als doornen en distelen voortbrengt, zoo zal ook het Woord Gods zijn loop hebben. (Vgl. Hebr. 6 : 7 en 8 ; Jesaia 55 : 10 ; 1 Cor. 3 : 10 v.v.).
Hier wordt dus de nadruk gelegd op de volstrekte eenigheid en algenoegzaamheid van het werk der verlossing.
Vraag: Door enkele leden onzer kerkelijke gemeente is voorgesteld het „stille" gebed in te voeren bij onze kerkdiensten. De bedoeling is, dat voortaan een ieder, als hij (zij) de kerk inkomt, meteen op zijn plaats gaat zitten, om pas als dominé met de kerkeraad binnenkomt, men dan het stille gebed doet.
Misschien ben ik wat conservatief, maar m.i. lijkt dit wat modern. Kunt u mij soms de juiste weg aanwijzen, die wij hierin moeten gaan ?
Antwoord: De bedoeling is dus, dat de gansche gemeente tegelijk in het „stil gebed" gaat. Daarmede wordt het persoonlijk gebed, dat de kerkganger pleegt te doen, opgenomen in de liturgie en een onderdeel van den Dienst des Woords.
Wat moet men daarvan zeggen ?
Het blijft toch bedoelen een persoonlijk gebed, waarin men zijn persoonlijke nooden voor God uitspreekt en een zegen afsmeekt voor zichzelf en anderen, ook voor den predikant.
Daardoor blijft het onderscheiden van het voorgebed bij monde van den Dienaar des Woords, d.i. de voorbede der gemeente voor de nooden der Christenheid, de kerk, de overheid en wat de situatie gebiedt..
Deze voorbede der gemeente is bevolen en behoort tot de roeping der kerk. Maakt daarom deel uit van den Dienst des Woords.
Het "stil gebed" heeft daarentegen een zuiver persoonlijke betrekking. Het is strikt persoonlijk en hoe aanbevelenswaardig ook, het is als zoodanig geen onderdeel van den Dienst des Woords. Als liturgische handeling neemt het althans den vorm aan en loopt nog meer gevaar een vorm te worden. Reeds daarom bevelen wij het „stil gebed" niet aan. Het is een stap in de richting van een liturgischen dienst, dien wij niet moeten bevorderen.
De kerkeraad draagt den predikant in het gebed op en vraagt een zegen voor den Dienst des Woords. Hij is belast met de herderlijke zorg der gemeente. Dat is de taak van den kerkeraad als geheel en heeft dus een goeden zin.
Dit sluit nog ganschelijk niet uit, dat de predikant en de leden van den kerkeraad ook persoonlijk hun nooden en beden voor den Heere nederleggen.
En de leden der gemeente, die zich stellen onder de bediening des Woords, vinden in eigen leven aanleiding om den Naam des Heeren in persoonlijk gebed aan te roepen.
Dat persoonlijke verliest van zijn beteekenis, als men daarvan een liturgische handeling maakt.
De orde of stilte vóór den dienst wordt er geenszins door bevorderd. Men geeft zelfs aanleiding voor het tegendeel.
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van donderdag 29 mei 1947
De Waarheidsvriend | 6 Pagina's
Bekijk de hele uitgave van donderdag 29 mei 1947
De Waarheidsvriend | 6 Pagina's