WOORD en GEEST
Veel wordt er gewezen op den Pinkstergeest. De Heilige Geest is uitgestort. De Heilige Geest werkt. De Heilige Geest zal het doen. Van verschillende zijden kan men het hooren. Men beroept zich op het werk van dien Geest en wil zijn geloof daarop richten, de hoop koesteren, dat het menschelijk ondernemen ook in al het kerkewerk door dien Geest geheiligd en gezegend zal worden.
Daar is iets goeds in, in zooverre de overtuiging post vat, dat het menschenwerk zonder dien Geest tot teleurstelling en mislukking gedoemd is.
Zonder twtjfel werkt de Heilige Geest. Veel meer en veel dieper dan wij ons veeltijds bewust zijn en dat op veel breeder terrein dan wij veeltijds gelooven of aannemen.
Wat zou er van de wereld worden, als de Heere Zijn Geest terug nam ?
Men meene echter niet, dat wij op eenigerlei wijze beschikken kunnen over den Heiligen Geest, die altijd in het verborgene werkt.
Wij kunnen den Heiligen Geest bedroeven en zelfs tegen Hem zondigen.
Ook werken dasmonische machten in deze wereld. Ook leert de Heilige Schrift, dat er een geest dezer wereld is, die den Heiligen Geest wederstaat. Vandaar de vermaning : „Beproef de geesten, of zij uit God zijn".
Hoe nu zullen wij de geesten beproeven ?
Als de Schrift ons alzoo vermaant, moet er een toets der beproeving zijn, opdat het ons mogelijk zal wezen de geesten te beproeven.
De Heilige Geest is de Geest van Christus, de Geest, die ook in de profeten was (1 Petr. 1 : 11), en derhalve de Geest der profetie.
De profeten nu zijn den Geest der profetie onderworpen, zooals een andere Schrift zegt.
Daar ligt het nu.
De Geest der profetie, dat is de Heilige Geest, die is uitgestort om woning te maken in de gemeente Gods en Zijn werk te doen in deze wereld, ja, in deze wereld van zondaren. Hij is dezelfde Geest, die door de profeten gesproken heeft en door de apostelen, dezelfde Geest, die in alle waarheid leidt.
In dien Geest rust de verborgenheid van Gods Woord, door dien Geest heeft het Woord Gods gestalte aangenomen, gelijk het daar ligt in de Heilige Schrift.
Niemand kan zeggen Christus de Heere te zijn dan door dien Geest. Zoo is het ook door dien Geest, dat wij de Heilige Schrift als Gods Woord omhelzen en verstaan, dat God door de apostelen en profeten heeft gesproken en nog tot ons spreekt.
Men spreekt in onzen tijd over het Schriftprobleem, zelfs in de kerk. En inderdaad is de Heilige Schrift een probleem voor het natuurlijk verstand. Een onoplosbaar probleem, gelijk de leer der schepping een probleem voor het natuurlijk verstand is.
Wie kan de scheppende daad Gods doorgronden ? Wie zou in het werk Gods zoo diep kunnen indringen, dat hij daarvan een klaar begrip, indien ook maar een begrip, zou hebben. De geopenbaarde dingen zijn voor ons en onze kinderen. En ook ten aanzien van de geopenbaarde dingen reikt ons verstand niet verder dan de door God gestelde grenzen. Het oog kan niet meer waarnemen dan binnen de grenzen van het gezichtsvermogen is gesteld, ook het gehoor heeft zijn perken naar beneden en boven. Zoo vermag ook ons verstand niet verder te gaan dan het gegevene.
Zoo kunnen wij ook niet indringen in de verborgenheden des Geestes dan voor zoover het ons gegeven wordt door dien Geest.
Deze beperkingen zijn ons gezet in ons creatuurlijk zijn en zij zijn ons gezet, zoowel in ons natuurlijke psychische bestaan, als in ons geestelijk leven, zoo wij daartoe worden verwaardigd.
En nu is het zoo merkwaardig, dat de mensch de grenzen en perken van zijn z.g. natuurlijk vermogen, door de ervaring geleerd, erkent — zij het ook, dat hij in zijn hoogmoed altijd de verwachting koestert deze grenzen uit te breiden.
Ook dit is in zijn geschiedenis gegrond, want deze leert, dat zijn kennis van de dingen dezer wereld telkens weer wordt verruimd en nieuwe perspectieven opent.
Dat komt, omdat de mensch de grenzen, die hem gezet zijn, niet weet. Hij weet niet, hoever hij voortschrijden kan, waar het einde van zijn vermogen ligt, — of beter uitgedrukt, wat hem nog gegeven zal worden te ontdekken en uit te vinden van de wereld, waarin hij woont en waarvan hij een spiegel in zijn bewustzijn mag dragen.
Doch, wat hem ook gegeven moge worden, zeker is, dat hij leeft binnen de door God gestelde perken en dat hij die niet overschrijden zal. Hij draagt zijn leven niet in zich zelf. Hij is een schepsel. Daarom is alles afhankelijk. Zijn leven is een leven binnen de grenzen, door Zijn schepper gezet.
Indien nu de mensch, wat de doordringing van de „natuurlijke" dingen aangaat, reeds aan de hem gestelde perken is gebonden, zoodat hij slechts zooveel waarnemen en begrijpen kan, als hem gegeven is waar te nemen en te omvatten, hoe zou hij de goddelijke dingen kunnen verstaan ?
Dat is zelfs nog niet alles. Want het is niet zoo, dat hij afhankelijk is van het gegevene, maar ook van den vorm, waarin het gegevene wordt geboden. Dat geldt zoowel van het „natuurlijke" en van het geestelijke.
Wat zou de mensch nu willen ? Dat hem de geestelijke dingen niet met mate en niet in den vorm door God bepaald zouden worden gegeven ?
Zou hij meenen den Geest Gods te hebben, gelijk de Christus, niet met mate, zoodat hij vrij en ongebonden over de dingen, die des Geestes Gods zijn, zou heerschen ?
Ook de geestelijke dingen worden den mensch naar de gave der genade gegeven binnen de door God gestelde perken en in den vorm, door Hem besteld.
Dat is de verborgenheid van de Heilige Schrift als Gods Woord. In alle werken Gods zijn Woord en Geest gebonden, omdat zij uitgaan om den wil Gods te volbrengen en te vervullen.
Deze band is zoo nauw, dat de Heilige Geest ook genaamd wordt de Geest van Christus. En Christus is de Gezalfde, omdat Hij, het Woord Gods, met den Heiligen Geest gezalfd is.
Zoo gaan ook in het werk der profetie Woord en Geest uit, gestalte en vorm gevende aan de dingen, die God in een wereld van zondaren wil openbaren en opdat het Woord Gods zijn loop hebbe in de wereld.
Zij dan, die door de genade Gods worden geleid in de dingen, die des Geestes Gods zijn, leeren die dingen kennen binnen de grenzen van het geopenbaarde Woord Gods, zooals dat daar ligt en naar de mate, welke hun gegeven wordt.
Zoo is ook met dat profetische Woord, dat is Gods getuigenis, de eenige norm en toetssteen gegeven om de geesten te beproeven, of zij uit God zijn. Het Woord is ons gegeven als een regel en richtsnoer des geloofs, maar juist daarom ook tot een toetssteen.
Daaruit volgt echter, dat wij dan alleen verwachting kunnen hebben van de hulp van Gods Geest, zoo wij ons streven en leven richten naar het profetische Woord en de gehoorzaamheid betrachten, welke God van ons vordert.
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van donderdag 5 juni 1947
De Waarheidsvriend | 6 Pagina's
Bekijk de hele uitgave van donderdag 5 juni 1947
De Waarheidsvriend | 6 Pagina's