MEDITATIE
De OPBRENGST
Handelingen 13 vers 48 „Als nu de heidenen dit hoorden, verblijdden zij zich en prezen het Woord des Heeren, en daar geloofden zoovelen als er geordineerd waren tot het eeuwige leven."
Er is al heel wat gepreekt op de wereld, sinds het oogenlblik, waarop de Heere Jezus Zijn discipelen uitzond met den last: „Gaat dan henen, onderwijst alle volkeren". Heel wat is er gepreekt, door bekende en onbekende mannen, op bekende en onbekende plaatsen, vanaf de hoogte van den kansel voor een schare, en vanuit de diepte, midden onder de menschen, mogelijk in een ontmoeting van „slechts" twee of drie.
Wij denken nu niet aan al de dwalingen, door dwaallichten verbreid, in „cellenbouw" of voor een massa, helaas ook zelfs tot op den kansel toe. De vorst der duisternis deed en doet zich vaak voor als engel des lichts. Wee hem en wie hem toebehooren!
Maar wij denken aan den weg, dien het Woord neemt door de wereld. Als een zaad wordt het uitgestrooid. Het zaad is goed. De redenen des Heeren zijn reine redenen.
Het Woord Gods is ook levend en krachtig. Het snijdt scherper dan een tweesnijdend zwaard. God zendt het om geest en diepste levenssamenhang der menschen te onderzoeken en onder Zijn oordeel te brengen. Kent gij, deze zuivere kracht der Waarheid ? Weet gij van het beven voor het Woord, het buigen voor zijn grootheid? Hebt gij u voor het aangezicht van Gods Woord al moeten vernederen ?
Zoo neen, dan hebt gij nog nooit geloofd.
Er is al heel wat gepreekt op de wereld. De Heere heeft Zijn Woord doen uitgaan. In het Oude Testament, van Abram's roeping af, beperkt tot Israels volk. In het Nieuwe Testament uitgebreid tot de heidenen. God heeft de prediking genadig gegeven. Hij heeft de verkondiging nadrukkelijk bevolen. Christus heeft Zijn gezanten gezonden. De banier der Waarheid is ontplooid. De Opperste Wijsheid roept overluid daarbuigten: „Keert u tot Mijn bestraffing; zie, ik zal mijn Geest ulieden overvloediglijk uitstorten, ik zal mijn woorden u bekend maken". In deze verkondiging is alle hoop, ten spijt van den spot der wereld, die haar niet gelooft, ten spijt ook van de gedachten der dwazen, die hun ongeloof op Gods rekening stellen en zeggen: wat helpt het hooren der prediking, want ik blijf er dezelfde bij. Er is hoop, want het Woord des Heeren is levend en krachtig. Het is het Woord van den levenden God. „Mijn hart roept uit tot God, die leeft, en . . . . . aan mijn ziel het leven geeft". De prediking is niet ijdel, want Christus is opgewekt!
Daarom, omdat de prediking de zaak is van den Ruiter op het witte paard, met boog en kroon, die uitgaat overwinnende en opdat Hij overwon. Hij draagt de kroon van het Koninkrijk, dat niet van deze wereld is. Zijn gezanten, die Hij uitzendt om onderdanen onder Zijn kroon te vergaderen, ondervinden wat het beteekent: niet van de wereld te zijn. „Ik heb hun Uw Woord gegeven; en de wereld heeft ze gehaat, omdat zij van de wereld niet zijn, gelijk als Ik van de wereld niet ben'.
Wat al moeite staan zij uit, die verwaardigd worden tot de bediening van dat Woord. Paulus, bij wiens arbeid onze tekst ons bepaalt, kende de tegenkanting tegen zijn persoon om des Woords wil. Slagen, gevangenissen, steeniging, gevaren, arbeid, moeite. Hij kende ook de tegenkanting tegen het Woord zelf. De wijsheid der wereld verachtte de Waarheid. De trots der eigengerechtige vroomheid verwierp den Weg der vrije genade voor schuldigen. Handelingen 13 leert, in Paulus' prediking tot de synagoge, dat Christus andermaal kwam tot het Zijne, doch dat de Zijnen Hem niet hebben aangenomen.
Moeizame arbeid is in de prediking verricht. Wie er waarlijk door den Heere Zelf in wordt geroepen, doorleeft met Psalm 126: „Die het zaad draagt, dat men zaaien zal, gaat al gaande en weenende". Heel de uitvoerige prediking van den apostel op zijn eerste zendingsreis te Antiochië in Pisidië, wordt ons hier beschreven. Al was Paulus er niet onkundig van, dat de Heere beizig was het oude Israël te verwerpen als oordeel over hun verwerping van den Messias, zoo wendt hij zich toch naar Gods bevel, allereerst tot de synagoge. „Beginnende van Jeruzalem". Gehoorzaam in het gebod, is hij blind in de uitkomst, die zoo anders uitvalt, dan Paulus zou hebben gewenscht. Van het zaad, dat hij van Godswege uitstrooide, was de opbrengst onder zijn maagschap naar het vleesch zoo gering. Het was zijn hart een gedurige smart. De verwerkelijking van het woord der beloftenis gaat langs de lijn der verkiezing. De Heere blijft in Zijn eigen werk souverein.
Toch ontbreekt de blijdschap niet. In den hemel niet, omdat onder het gepredikte Woord zondaren zich bekeeren. En op aarde niet, omdat de groote Gastheer met dat Woord hongerigen mildelijk voedt. Handelingen 13 zegt in vers 42, dat de heidenen baden, dat tegen den naasten sabbat hun dezelfde woorden zouden worden gesproken.
Daar was een honger naar het Woord gewekt, die allesoverheerschend wordt, omdat hij vrucht is van den Heiligen Geest en dientengevolge de kracht der Waarheid openbaar maakt.
Zij geloofden.
Dat wil zeggen: zij werden overtuigd, dat is: overwonnen. Daarom werden zij door dat Woord in 'zichzelf zóó arm gemaakt, en bij zichzelf zóó schuldig bevonden en dus voor God zoo onwaardig gesteld, dat de waarde van Christus en Zijn verdiensten het eénige werd, dat hun droevig hart verheugen kon. Zij geloofden, nog vóór dat zij zichzelf geloovigen dorsten rekenen. Want ook en juist in hun geloof hadden zij niet zichzelf in het oog, maar den Heere Jezus, Die hun in het Woord werd aangeboden.
Zij hebben daarom allereerst zich verblijd over het wonder, dat het Woord tot hen kwam.
Teeken van hun verbrijzeld hart. Wat onvernederd is van hart, acht alle weldaden Gods gewoon, tot zelfs de zending van Zijn Zoon in het vleesch. Met de Schriftgeleerden uit Mattheüs 2 kan men tot de zoekende wijizen zeggen dat Christus te Bethlehem zal worden geboren, doch het hart wordt niet opgewekt en de geest niet levendig om uit te gaan en het Kindeke te aanbidden.
Deze heidenen waren klein bij zichzelf en daarom werd het hun groot, dat God hun met Zijn Woord bezocht.
Hun blijdschap evenwel ging dieper. Is een hongerige blij, als iemand hem brood belooft, is hij dat te meer, als hij het brood ziet, hij is 't meest verblijd, als het brood in zijn hand, in zijn mond, in zijn maag is. Dit geestelijk ontvangen van het Woord, dit geestelijk eten van Christus-in-het-Woord, is geloof. Het behoort tot datzelfde geloof, te verstaan, dat het niet van of uit onszelf is. Maar het behoort mede tot dat geloof, dat het ten laatste verstaat en doorleeft, niet zonder Christus te kunnen zijn. Het behoort tot de blijdschap des geloofs, alles voor Christus op te geven en naar diezelfde mate Hem voor ons hart deelachtig te worden.
Kent gij deze bewegingen uwer ziel ten opzichte van Christus ? Hieraan alleen kan immers de echtheid van het geloof worden onderscheiden.
Als wij lezen, dat er zoovelen geloofden, als er tot het eeuwige leven geordineerd waren, dan wijst deze tekst ons op den laatsten oorsprong van het geloof : de vrije ibedeeling van den souvereinen God. Achter dezen laatsten oorsprong is er geen andere meer. Want achter God is niemand. „Uit Hem en door Hem en tot Hem zijn alle dingen. Hem zij de heerlijkheid in der eeuwigheid, Amen".
Uitverkiezing, meest bestreden leerstuk.
Geen wonder, want nergens wordt God in Zichzelf meer verhoogd en al wat zondaar is in zichzelf meer vernederd dan hier.
Waag daarom geen pogingen om hier weg te nemen — om hier te verzachten — zelfs om hier „goed te praten" wat dit stuk aan ergernis heeft voor den natuurlijken mensch. Wie dit waagt, doet aan de Waarheid zelf hier afbreuk. Het Woord verkondigt den majestueuzen God, Die u geen verlof vraagt om als verheven pottebakker uit denzelfden klomp te maken het ééne vat ter eere en het andere vat ter oneere.
Gij kunt het stuk der verkiezing niet zóó beschrijven of beredeneeren of zoolang wenden en keeren, totdat het aannemelijk wordt. Gij kunt er alleen voor gewonnen, gij kunt er alleen voor en door overwonnen worden.
Zij geloofden. Zij waren overwonnen en mitsdien gehoorzaam gemaakt aan het evangelie.
Is het stuk der verkiezing dan evangelie, blijde boodschap ? Ja toch, want al wat de Heere omtrent de genade bekend maakt is evangelie, is blijde boodschap. Zou dat dan niet gelden voor de diepste bron, waaruit de genade opwelt: het welbehagen Gods ?
Daarom staat er midden in dezen tekst: „en zij prezen het Woord".
Vergeet niet, dat het Woord de uitverkiezing leert. En vergeet ook niet, dat het geloof het Woord in al zijn deelen liefkrijgt. En bedenk daarbij, dat het waarachtig geloof van Gods kinderen deze genadegave is, waardoor wij alle wijsheid buiten het Woord verloochenen.
„Uw Woord is de Waarheid".
Waar niets meer in onszelf te prijzen is, daar is alles in God den Heere te prijzen. De hoogte der verkiezing klopt op de diepte van onizen val. Dit is geen begrijpen, maar wel verwonderen. „O, diepte des rijkdoms".
God geeft de verkiezing in het hart der Zijnen als altaar der aanbidding.
Hij legt de verkiezing als onwankelbaar fundament onder hun wankele voeten.
Hij toont, onder al de moeiten en onder al het zwoegen en zuchten Zijner gezanten, dat er toch een opbrengst van hun zaad wezen zal. Het Woord is voorspoedig tot al hetgeen waartoe Hij het zendt.
(Ameide)
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van donderdag 5 juni 1947
De Waarheidsvriend | 6 Pagina's
Bekijk de hele uitgave van donderdag 5 juni 1947
De Waarheidsvriend | 6 Pagina's