VOORSTELLEN ter Classicale Vergadering
Op 25 Juni a.s. gaan wij D.V. ter classicale vergadering.
We zullen op deze vergadering onze mening moeten kenbaar maken over voorgestelde reglementswijzigingen of nieuwe reglementen.
De commissie van advies, ingesteld door het Hoofdbestuur van de Geref. Bond wil hierover gaarne het volgende onder uwe aandacht brengen.
Zij hoopt daarmede onze kerkeraden van dienst te zijn bij de besprekingen, welke in de kerkeraadsvergaderingen zullen worden gehouden en bij het bepalen van het advies, dat moet worden uitgebracht.
1. De wijziging van art. 7 van het Reglement op het Examen bedoelt het afgeven van een bewijs door de kerkelijke hoogleeraar in de praktische theologie, na ingewonnen advies van de docent in de kerkmuziek, dat gedurende een jaar getrouw de lessen van de docent in de kerkmuziek zijn gevolgd.
Deze wijziging wordt voorgesteld, omdat de Generale Synode besloten heeft, deze lessen in de kerkmuziek aan de Universiteiten te doen geven. Het belang dezer lessen moet nu door bedoelde wijziging worden duidelijk gemaakt.
We menen, dat er geen bezwaar tegen gemaakt kan worden, dat predikanten iets afweten van kerkmuziek. Daarom kunnen we vóór deze wijziging zijn. Wel willen we er deze opmerking bij maken, dat we er ons tegen zouden verzetten, wanneer een liturgie werd aangeprezen, welke in strijd moet worden geacht met de kerkdienst als dienst des Woords.
2. Wijziging van art. 50 van het Algemeen Reglement en van art. 6 van het Reglement op het Examen bedoelt inplaats van driemaal, viermaal per jaar gelegenheid te geven tot het doen van proponentsexamen mogelijk te maken. Te meer, nu na het proponentsexamen nog 'n hulppredikerschap van een jaar verplicht is.
Vóór.
3. Toevoeging aan artikel 14 sub 4 van het Synodaal Reglement op de Kerkeraden :
„met dien verstande, dat huwelijken van personen, van wie een vorig huwelijk niet door de dood ontbonden is, niet kerkelijk worden bevestigd".
Bij deze toevoeging is een rapport gevoegd, waaruit ons duidelijk wordt, waarom deze slotconclusie is opgesteld.
Ongetwijfeld zijn wij het er allen over eens, op grond van de Schrift, dat het huwelijk niet verbroken mag worden naar de ordening Gods. Velen zijn er inderdaad, die de ontrouw der andere partij om Christus' wil dragen. Ook kunnen wij er ons mee verenigen dat in geval van hoererij, Jezus de echtscheiding niet gebiedt.'
Maar wel menen we, dat echtscheiding in zoo'n geval geoorloofd is, al moet steeds aangedrongen worden om tot de uiterste grens te dragen en tot betere verhoudingen te geraken. Het rapport erkent ook zelf dat de strijd een grens bereiken kan, waarop de wapens moeten worden neergelegd. De betrokkene moet dan in eigen gemoed ten volle verzekerd zijn. Ook erkennen we de grote moeilijkheid, ja zelfs dikwijls de onmogelijkheid om de schuldvraag recht te beantwoorden.
Toch menen we, dat de Kerk hier wel een taak heeft en zo mogelijk moet trachten de schuld te peilen bij beide partijen. Is de scheiding nog niet voltrokken, dan kan de Kerk daardoor beter in staat zijn om een mogelijke betere verhouding in het huwelijk te bewerken. We staan hier wel voor een buitengewoon moeilijk werk, omdat er zoveel is, dat zich aan onze beoordeling onttrekt. Des te ernstiger de Kerk zich echter bezig gehouden heeft met de nood in een bepaald huwelijk, des te beter zal ze ook weten, waarom een scheiding zich voltrekt en eventueel een volgend huwelijk wordt aangegaan. Daardoor zal ze te beter in staat zijn dat woord te spreken, dat in zulk een geval gesproken moet worden.
Uitgaande van de, paar goddelijke ordening, onontbindbaarheid van het huwelijk, en overwegende, dat het schier onmogelijk is de volkomen onschuld van een of andere partij vast te stellen, kunnen we wel adviseren ons vóór op de voorgestelde toevoeging te laten horen.
Toch kunnen we verstaan, dat er zijn, die gaarne een uitzondering zouden willen maken voor 't geval een huwelijk ontbonden is door hoererij. Wanneer dan de partij, die door de kerkeraad, na gedaan onderzoek, onschuldig geacht wordt, een huwelijk aangaat en huwelijksbevestiging vraagt, zou men huwelijksbevestiging in zulk een geval niet willen weigeren. Ook in de commissie van advies leeft deze mening.
Daarom besloten we om degenen, die er zó over denken en dit gaarne tot uitdrukking brachten, de volgende toevoeging aan de hand te doen : tenzij de weg der verzoening door een nieuw huwelijk van een der bedoelde partijen is afgesloten en de andere partij, die kerkelijke bevestiging van een volgend huwelijk vraagt, naar het oordeel van de kerkeraad kennelijk onschuldig is aan de hoererij, waardoor het vorige huwelijk ontbonden werd.
ADVIES
aangaande het Reglement betreffende de kerkelijke medewerkers :
In de, eerste plaats acht zij de voorgestelde reglementswijziging te vroegtijdig. Waarom daarmede niet gewacht tot de nieuwe Kerkorde gereed is ? Wij vrezen, dat het de bedoeling zal zijn, om deze eventueel aangenomen wijziging aldus op te nemen in de nieuwe Kerkorde. Daarom is dus nu reeds grote waakzaamheid geboden.
In de tweede„ plaats blijkt duidelijk uit verschillende artikelen van bovengenoemd Reglement, dat men aan deze kerkelijke medewerkers niet zozeer een bediening als wel al te zeer een kerkelijk ambt wil geven, een plaats naast de ambtsdragers. Dit blijkt al direct uit artikel 1, waar gesproken wordt : naast de ambtsdragers enz. Ook uit artikel 8, waar de wijze van afkondiigng beantwoordt aan die van de ambtsdragers. Dit ambtelijk karakter blijkt voorts ook uit artikel 9, waar artikel 34 van hei Reglement op de predikantsplaatsen, dus de procedure t.o.v. ambtsdragers, op deze kerkelijke medewerkers wordt toegepast. Dit geldt eveneens artikel 11, waar artikel 53 van het Reglement voor kerkelijk opzicht en tucht t.a.v. ambtsdragers ook hier wordt toegepast.
In de derde plaats gaat ons bezwaar tegen de grote bevoegdheid, die men aan de regionale of algemene organen der Kerk wil geven. Van deze organen is sprake in artikel 2, ten 3e ; art. 3, al. 2 ; art. 4, al 1 ; art. 6 e.d. Vooral art. 4, eerste alinea, dient nader omschreven te worden, opdat duidelijk blijke welke „aard van de arbeid" hier bedoeld wordt en hoever de bevoegdheid van een door de organen der Kerk aangestelde medewerker gaat, vooral in verband met de Kerkeraden, waarmede hij in aanraking zou komen of zou moeten samen werken. Een ernstig bezwaar geldt art. 26, waar de Centrale Commissie een nevenregering der Kerk dreigt te worden. En wanneer in de Toelichting (blz. 9, onderaan) wordt gezegd : Daarbij blijft, hoewel uit de aard der zaak enz., dan zou men, gezien het voorgaande, eigenlijk moeten lezen, dat alleen het benoemingsrecht van de kerkelijke medewerkers aan de plaatselijke Kerkeraad blijft. Door dit alles wordt de autonomie van de plaatselijke Kerkeraad ernstig ondermijnd en dreigt de chaos in onze Kerk nog groter te worden. Wij zouden aan de regionale en algemene organen slechts een adviserende stem willen geven, zodat we art. 6, ten 1e, geheel zouden willen schrappen en ten 4e. aldus wijzigen : dat een instructie is opgesteld betreffende de door de te benoemen kerkelijke medewerker te verrichten werkzaamheden, welke is goedgekeurd door het Classicaal Bestuur, c.q. de Algem. Synodale Commissie, na advies van het orgaan of de organen van bijstand enz.
Aldus gelezen, wordt de zelfstandigheid der plaatselijke Gemeente niet aangetast hebben de organen van bijstand inderdaad een „bijstaande" functie, waardoor zij niet regeren, maar dienen.
Ten slotte willen wij nog wijzen op art. 15 en de vraag stellen : mag een kerkelijke medewerker solliciteren of is hij ook in dit opzicht gelijk aan ambtsdragers ?
Art. 18 : de Algem. Syn. Commissie behoort bedoelde regelen vast te stellen langs de gewone kerkelijke weg, dus ook via de Class. Vergadering.
Art. 19 : wij wensen geen vrouwelijke evangelisten, zijnde in strijd met 1 Tim, 2 vs. 12.
Art. 28 : ontvangt de Synode een blanco mandaat. Hetzelfde bezwaar geldt reeds art. 1 ten aanzien van de daar genoemde „voorwaarden". Welke zijn dit ? Ook hier moet de Generale Synode de gewone kerkelijke weg bewandelen en haar voorwaarden ter goedkeuring aan de Kerk voorleggen.
In de Bijlage wordt de belofte genoemd : in gehoorzaamheid aan de Heilige Schrift en staande op de bodem der belijdenisgeschriften. Dit is te vaag en moet nader worden omschreven, daar we anders geen zekerheid hebben, dat lieden, wier leer geheel in strijd is met onze confessie, als medewerkers in de Kerk worden toegelaten.
Ook verzetten we ons tegen het voorstel, vetgedrukt op pag. 10, waardoor vele onderwijzers van de Openbare School — zo deze voorgestelde reglementswijziging wordt aangenomen — als ambtsdragers in onze Kerk zouden komen te staan.
Om boven uiteengezette redenen kan dus ook de voorgestelde wijziging van art. 16 van het Regiem, op de Kerkeraden onze instemming niet hebben. Hier immers worden de bedoelde medewerkers volkomen op één lijn met de bestaande ambtsdragers gesteld. Dit streven is af te keuren.
Ook verklaren wij ons tegen de wijziging van art. 35 in het Reglement voor Kerkelijk Opzicht en Tucht. Ook deze voorgestelde toevoeging wil het ambtelijk karakter der medewerkers beaccentuëren. De voorgestelde wijziging behoort niet in alinea 2, maar in alinea 1 van bedoeld artikel te geschieden, waardoor zij op één lijn komen met de godsdienstonderwijzers en onder het opzicht van de Kerkeraad vallen.
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van donderdag 12 juni 1947
De Waarheidsvriend | 6 Pagina's
Bekijk de hele uitgave van donderdag 12 juni 1947
De Waarheidsvriend | 6 Pagina's