De Waarheidsvriend cookies

Voor optimale prestaties van de website gebruiken wij cookies. Overeenstemmig met de EU GDPR kunt u kiezen welke cookies u wilt toestaan.

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies zijn verplicht om de basisfunctionaliteit van De Waarheidsvriend te kunnen gebruiken.

Optionele cookies

Onderstaande cookies zijn optioneel, maar verbeteren uw ervaring van De Waarheidsvriend.

Bekijk het origineel

MEDITATIE

Bekijk het origineel

+ Meer informatie

MEDITATIE

Want hij reisde zijn weg met blijdschap

8 minuten leestijd

Hand. 8 vers 39 slot

Wanneer wij ons een ogenblik neerzetten om te denken over bovenstaande woorden en we kijken ze eens aan, dan rijzen er al aanstonds verschillende vragen.

Wie is die hij ? Van wie wordt hier gezegd, dat hij zijn weg met blijdschap reisde ?

Het antwoord op deze vraag plaatst ons midden in het schone verhaal van de Moorse kamerling, zoals dit te lezen staat in de tweede helft van Handel. 8. Van hem weten we niet zo heel veel af; maar toch genoeg, om jaloers op hem te zijn.

Deze kamerling was van afkomst heiden. Hoogstwaarschijnlijk echter was hij op de een óf andere wijze met de godsdienst van Israël in aanraking gekomen en sedert dien bevredigden zijn afgoden hem niet meer. Hij voelde dat hij daarmee bedrogen moest uitkomen voor tijd en eeuwigheid. En daarom ging hij het zoeken bij Israels God. Zodoende kwam hij er ook toe, de tempel in Jeruzalem te bezoeken.

Daarnet zeiden we, dat we van die Moorse kamerling niet zo heel veel afwisten. En enerzijds is dit ook wel zo. Maar zopas ontdekten we dan toch een heel belangrijke trek bij deze overigens onbekende man: hij was zoekende. Nu zegt dit op zichzelf nog niet zoveel. Want sinds de mens door de zondeval de gemeenschap met zijn God verloor, is hij het éne nodige kwijt, en als gevolg daarvan zien we heel het mensdom zoeken. Alleen: dit zoeken geschiedt in verreweg de meeste gevallen op volkomen verkeerde wijze.

Dit alles brengt er ons echter niet toe, aan de zoekende kamerling voorbij te gaan als zijnde een gewoon verschijnsel. Er is een goed zoeken, èn een verkeerd. De uitkomst van de historie, die we boven deze overdenking schreven, doet ons zien, dat we hier met het rechte zoeken te doen moeten hebben. En daarom verdient het onze volle aandacht. Wellicht kunnen we er nog eeuwig voordeel mee doen. Want ook wij zijn van nature God totaal kwijt, ook wij zoeken wellicht. Als we het dan maar op de goede plaats doen!

Zien we daartoe nog eens verder naar de kamerling. Hij zocht, want de ware vrede kende hij niet. Heel scherp voelde hij, dat hij iets tekort kwam; wat hij toch voor zijn bestwil onmogelijk kon missen. Vandaar zijn rusteloos zoeken. Ja, rusteloos, dat mogen we gerust zeggen, want deze man had er een reis van Soedan, bezuiden Egypte, tot Jeruzalem, voor over. Een ieder kan op de kaart nagaan welk een afstand dit is, een afstand, die, gezien de toenmalige verkeersmiddelen, zeker nog dubbel telde ook. Maar de kamerling bedacht zich geen ogenblik. Voor hem telde deze lange bezwaarlijke reis in 't geheel niet. En hoe zou het ook, wanneer het mag gaan om het eeuwig behoud ? Daar valt immers al het andere volkomen bij weg ? Hiervan heeft de Moorse kamerling ongetwijfeld iets gevoeld.

Des te smartelijker echter moet het voor hem geweest zijn, toen hij moest merken dat hij heel die lange tocht tevergeefs gemaakt had. Tevergeefs ? Ja, zeker, want hij had in Jeruzalem niet gevonden, wat hij zocht. Zonder vrede in zijn hart moest hij terugkeren. Hoe kwam dit? Hij had toch de tempeldienst bijgewoond, zij het dan misschien van verre ? Inderdaad, maar dit alles, al was het misschien op zichzelf schoon, indrukwekkend en aangrijpend genoeg, baatte hem toch totaal niets, want het bracht hem de Christus niet. 't Was alleen maar ceremonie, vormendienst. En dit schenkt nooit het Ene nodige. Ook thans is dit nog precies zo.

Geen wonder dus, dat de kamerling onverrichterzake weer naar huis terug moest. Want zonder Christus is de ware vrede nu eenmaal niet mogelijk, voor die Moorman niet, en voor niemand. Ook voor u niet, lezer.

Loopt het nu dus verkeerd af met die man ? Moet hij zó, in zó'n zielstoestand, naar zijn verre land terug ? — zo hoor ik in gedachten iemand vragen.

De vraag stellen is echter haar beantwoorden tevens. Dat voelen wij allen. Zal Gods Woord waar zijn, dan kan het met die man niet verkeerd aflopen, dan kan dit het einde van de geschiedenis niet zijn.

Neen, want de Heere heeft de kamerling in het oog, gelijk Hij alle ware zoekers in 't oog heeft. En zo volgt dan de ontmoeting tussen hem en de Evangelist Filippus. Het is onze bedoeling niet, hierbij nu uitvoerig stil te staan. De geschiedenis mag trouwens bij u als bekend verondersteld worden. Zodoende zult ge dan weten dat gedurende die ontmoeting het grote gebeurt in het leven van de Moorse kamerling : hij ontvangt Christus en daarmee ook volkomen alles wat hij zocht. Of neen, zo is het niet, die kamerling heeft veel meer gevonden dan hij zocht, want bewust naar de Christus zoeken deed hij niet, en toch mocht hij Hem ontvangen. Het zal hem gegaan zijn, zoals het nu nog ieder gaat, die Christus mag gaan zien als zijn persoonlijke Borg : daar wordt met de koningin van Scheba uitgeroepen : de helft was mij niet aangezegd. Zo is achteraf zijn lange reis dan toch nog niet vergeefs geweest. En wat er nu van die reis nog volgt, is ook heel anders dan het begin. Komt de Heere Jezus Christus in ons leven, dan wordt ook inderdaad alles volkomen anders. Die reis van de kamerling geschiedde nu verder met blijdschap.

Hiermee zijn we weer gekomen bij de woorden, die boven deze overdenking staan. Hopenlijk is intussen veel daarvan ons duidelijker geworden. Toch is er nog wel reden tot een enkele opmerking.

Hij reisde zijn weg met blijdschap, staat er. En het staat er met nadruk. Als een tegenstelling tot hetgeen er aan was voorafgegaan. We kunnen dit zo goed voelen, wanneer we heel deze geschiedenis eens achter elkaar lezen. Trouwens daarnet zagen we hier ook al iets van. In het begin was er helemaal geen blijdschap, eerder het tegendeel. En dat kon ook onmogelijk anders. Bij die kamerling zo goed als bij u en bij mij, lezer. Het is goed, daarop nog even scherp te letten. Zonder de Heere Christus toe te behoren kan er nooit ware blijdschap in ons leven zijn. Misschien wel blijdschap. Och, die is er ogenschijnlijk genoeg onder de mensen, zelfs tegenwoordig. Maar dat is altijd blijdschap met een bittere nasmaak, nooit de ware. Hij bemoedigt niet, is hol. Hebt ge dit verschijnsel bij uzelf misschien al eens opgemerkt, lezer ? En deed het u pijn ? Liet het u zo ongenadig duidelijk zien, dat het hier nooit te zoeken of te vinden is ? En deed het u de blik slaan naar omhoog ? Gelukkig, als het zo mag zijn, want dan zal de Heere u laten vinden. Op Gods tijd, zeker, maar vinden zult ge. Christus zal uw deel worden. En dan komt er ook ware blijdschap.

Nu moet ge goed opletten. Ware blijdschap, dat wil niet zeggen : aanhoudende, onaangevochten blijdschap. Satan zit niet stil. Maar dat neemt niet weg : moogt ge Christus hebben, dan, maar dan ook alléén, kunt ge de rest van uw levensreize blijmoedig afleggen. Blijdschap kent ge dan, omdat u de zonden vergeven zijn en ge in Christus God uw Vader moogt weten.

Blijdschap — ook in de tegenheden des levens, omdat ge weet, dat deze verdrukking, die haast voorbijgaat, in het niet zinkt vergeleken bij de heerlijkheid, die u wacht.

En om nu dit éne nog maar te noemen: Blijdschap, ook in de tegenwoordige tijd

Kijk, dat wil wat zeggen. Neen, wij bedoelen hier geen lichtvaardig optimisme, want het is nog altijd geen ware vrede, ja maar echte blijdschap óók nu. Die wordt niet veel gevonden. En hoe kan het ook; de oorlogsdreiging hangt in de lucht. Het is nog verre van goed op de wereld, ook nu de oorlog al ruim 2 jaar voorbij is en wanneer we op de enorme geestelijke verwildering alom letten, vragen we ons wel eens met zorg af : Wordt het ooit nog wel goed? Gaan we het einde niet tegen ? Inderdaad, dat gaan we. De teekenen wijzen er op, al weet niemand, behalve de Vader, de ure precies.

Zie, dit alles klinkt zo somber, om niet te zeggen onheilspellend. Als dit waar is, en het is waar, wie kan er dan nog blijde zijn ?

Maar, zie nu het wonder. Ook in dit alles is de ware geloovige blijde. Zeker, de steeds toenemende afval is hem zeer plijnlijk. Maar daarbij blijft hij toch niet staan. Wanneer dit alles heenwijst naarde naderende wederkomst des Heeren, dan verheugt hij zich daarin zeer. Want die wederkomst is voor de ware Kerk altijd een onderwerp van hoop en vreugde geweest. En, hoe kan het ook anders ?

Tenslotte: wat betekent het woordje : want, waarmee het woord van de overdenking begint? Want geeft altijd een reden aan. Zo ook hier. Het geeft hier aan de reden waarom de kamerling Filippus niet meer zag. Hij zag hem niet meer, lette niet meer op Filippus, omdat hij zijn weg met blijdschap reisde. Filippus werd nu ook door de Geest naar een andere plaats gevoerd. Hij was voor de kamerling het middel geweest. Maar nu de kamerling Christus heeft mogen zien, nu valt Filippus helemaal weg, hij telt niet meer mee, in zijn blijdschap ziet de kamerling hem niet meer. Het is bij hem : Jezus alléén. Al het andere zinkt daarbij in het niet.

Tenslotte deze vraag : hoe kan dit alles nu ook in ons leven waar worden ? Want daar komt heh toch op aan. Wat baat het ons al liep het met die kamerling zo goed af?

Het verhaal zelf geeft hierop het antwoord : als wij maar mogen zoeken. Biddend, en Gods Woord lezend. Lezer doet ge dit ? Daarop komt het aan. Want, zoekt, en, ook gij zult vinden.

(Rotterdam-Heijplaat.)

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van donderdag 12 juni 1947

De Waarheidsvriend | 6 Pagina's

MEDITATIE

Bekijk de hele uitgave van donderdag 12 juni 1947

De Waarheidsvriend | 6 Pagina's