De Waarheidsvriend cookies

Voor optimale prestaties van de website gebruiken wij cookies. Overeenstemmig met de EU GDPR kunt u kiezen welke cookies u wilt toestaan.

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies zijn verplicht om de basisfunctionaliteit van De Waarheidsvriend te kunnen gebruiken.

Optionele cookies

Onderstaande cookies zijn optioneel, maar verbeteren uw ervaring van De Waarheidsvriend.

Bekijk het origineel

MEDITATIE

Bekijk het origineel

+ Meer informatie

MEDITATIE

OFFER EN VOORBEDE

9 minuten leestijd

Nu dan, indien Gij hun zonden vergeven zult! DocH zo niet, zo delg mij uit Uw boek, hetwelk Gij geschreven hebt. Exodus 32 : 32.

Voor ons ligt opengeslagen een donkere bladzijde uit de geschiedenis van het volk Israël. Hoe is het mogelijk, dat een volk, waaraan de Heere zoveel zorg besteedde, zo ontrouw kan worden. Toen God Zijn wet gaf, hadden zij gestaan rondom de rokende Sinai. Siddering en beving greep hen aan. Zij konden het bij dat verterende vuur niet uithouden. Daarom moet Mozes hun middelaar zijn. Maar wat duurde het lang ! Weken achtereen bleef Mozes op de berg. Het vuur brandde niet meer. En de vreselijke stem van God in de donder werd niet meer gehoord. Mozes kwam niet terug. Kan het ons verwonderen, dat het volk ging uitzien naar een zichtbare God ? De mens wil altijd iets voor ogen hebben. Zo wil het volk iets zien van zijn God. Daarom gaan zij naar Aaron en vragen : „Maak ons goden, die voor ons heengaan ! Want die Mozes, die ons uit Egypteland opgevoerd heeft, wij weten niet, wat hem geschied is".

Aaron geeft toe aan hun verlangen. Er wordt een gouden kalf gemaakt. Voor dat stomme beeld offeren zij hun goud. Zodra het beeld klaar is, juichen ze! Nog geen zes weken na de indrukwekkende wetgeving schendt Israël 't gebod Gods en verbreekt het Verbond. Mozes is nog steeds op de berg. Hij weet niet, wat daar beneden gebeurt. Maar God ziet het wel. Zijn toorn is tegen Israël ontstoken. Buitengewoon treffend is het, op welke wijze God tegen Mozes over Zijn volk spreekt. De Heere zegt : „uw volk heeft het verdorven". Hij noemt Israël niet langer meer Zijn volk. Er is met zulke wederspannigen niets te beginnen en daarom wil God niet meer met hen te maken hebben. Zij zijn het niet waard, dat God naar hen omziet. Met ondankbaarheid en afvalligheid beantwoorden zij de liefde en de trouw van hun Leidsman. God' kan Israël niet meer Zijn volk noemen!

Het moet voor Mo'zes wel een ontzaglijke beproeving geweest zijn, wanneer God hem het verleidelijke aanbod doet: „Ik zal u tot een groot volk maken!" Maar Mozes denkt niet aan zichzelf. Hij wil voor dat volk in de bres springen. Het enige wat hij doen kan, is: bidden! Denk nu niet, dat Mozes de zonde gering acht. In heilige verontwaardiging werpt hij de stenen tafelen in stukken. Hij daalt van de berg af en vernietigt het afgodsbeeld. Hij roept de Levieten bijeen om de overtreders met de dood te straffen.

Maar Mozes beseft ten volle : daarmee is de zonde tegen God nog niet verzoend. God is in Zijn eer aangetast. Daarover moet de hittigheid van Zijn toorn ontbranden.

Als de middelaar van het Oude Verbond weet Mozes, dat er een rechtvaardig God in de hemel is, Die Zijn recht handhaaft. Daarom heeft hij geen rust. De volgende morgen zegt hij tot het volk: „Gij hebt een grote zonde gezondigd, doch nu, ik zal tot den Heere opklimmen, misschien zal ik een verzoening voor u doen!" Let goed op dat woordje „misschien". Mozes is er niet zeker van, want hij weet, dat God de zonde ernstig neemt. Maar hij durft verzoening te gaan vragen, omdat hij er van overtuigd is : bij God is er genade en vergeving!

Gemakkelijk heeft Mozes het niet gehad. Veertig dagen lang bad hij tot God om verzoening te krijgen. De schuld van het volk moest worden weggedaan. Hij vergeet eigen nood en smart. Dat volk ligt hem na aan 't hart. Hoe zwaar het ook gezondigd heeft, hij kan het niet loslaten. Zo worstelt de middelaar met zijn God om de opgeheven arm der wraak tegen te houden en door verzoening de schuld weg te nemen. Zijn gebed is één machtige pleitrede. Hij staat ons hier getekend als de grote voorbidder, die tussentreedt voor een schuldig volk.

Mozes is niet radeloos, wanneer hij tot God bidt. Hij legt de overtreding van het volk voor Gods aangezicht neer. Er valt niets tegen in te brengen: het volk staat schuldig. Niets kan tot hun verdediging aangevoerd worden. Daarom probeert Mozes ook niet hun schuld te verkleinen of de zonde te vergoelijken. Het zou niet baten. Dan zou hij tekort doen aan Gods eer. Er blijft slechts éen uitweg over: te smeken om genade! Onder geen enkele voorwaarde mag het recht Gods geschonden worden!

Mozes bidt uit priesterlijk mededogen en tere bewogenheid. Hij kan zich niet verzoenen met de gedachte, dat al die mensen onder het oordeel van God zullen bezwijken. Let nu op de vindingrijkheid van het biddende hart. Hoewel alle verdediging uitgesloten is, voert Mozes toch krachtige pleitgronden aan! Hij houdt den Heere voor, dat Israël toch Gdds volk is en Gods eer er mee gemoeid is. Hij doet een beroep op de trouw des Heeren en herinnert God aan Zijn eens gegeven beloften. Hij grijpt God vast aan Zijn eigen woord: „Heere, gedenk aan hetgeen Gij Zelf hebt gezworen". Wat een vrijmoedigheid, om zo te pleiten en de laatste kans aan te grijpen. Hier is een vragen om ontferming, een worstelen om genade! „Indien 't mogelijk is, dat de schuld vergeven wordt, Heere, doe het dan om Uwszelfs wil! En zo niet, delg mij uit Uw boek, hetwelk Gij geschreven hebt!" Zonder dat volk wil Mozes niet behouden worden. Hij wil zelfs uit het boek des levens gedelgd worden, als het volk maar gered wordt. Hier zien wij den middelaar van het Oude Verbond in zijn grootheid. Hij biedt zichzelf ten schuldoffer aan! Waar het Gods eer betreft, is Molzes hard en streng. Maar hier is hij tevens de smekeling voor God; Hij treedt naar voren en pleit als een priester voor de goddelozen. Hij bidt om genade in de weg van het recht.

Heeft God Mozes' bede verhoord? Is zijn offer aangenomen ? Voorzover Mozes zichzelf aanbood niet. Want God zegt: Dien zou Ik uit Mijn boek delgen, die zondigt!" De Heere kan niet verhoren om het gebed van Mozes en kan zijn offer niet aanvaarden, omdat hij mens is, die geen rechtvaardigheid heeft. Het gebed van een een rechtvaardige vermag veel bij God, maar kan het oordeel niet afwenden, omdat hij niet aan het recht Gods kan voldoen. Dit laatste geldt alleen van de èene volmaakte Rechtvaardige, Jezus Christus !

Nu trek ik een parallel tussen Mozes en Christus. Israël had in Mozes een machtige voorbidder. En zonder die Middelaar des Ouden Verbonds zou God Zijn oordeel aan hen voltrokken hebben. Maar God gaf in de grote Middelaar des Nieuwen Verbonds, Jezus Christus een almachtige Voorbidder.

Hem zie ik daar die andere berg beklimmen, waar Hij aan het kruis geslagen wordt. Hij breidt Zijn handen uit en vangt Gods vernietigend oordeel over onze zonden op. Christus zegt: „O God, laat het maar komen, verpletter Mij, opdat zondaren behouden worden! Christus heeft geleden en is gestorven voor de zonden van Zijn volk.

Hij gaat onder in het oordeel Gods, opdat Hij Zijn vrijgekochten redden zou. Hij draagt Gods vloek, opdat zij vrijgesproken zouden worden. Hier is de Hemelse Hogepriester, die de zonden verzoend heeft met Zijn eigen bloed.

Wat God van Mozes niet kon aanvaarden, n.l. het offer van zijn eigen leven, dat heeft Hij wel aangenomen van Christus. Wat Mozes met zijn biddende handen niet heeft kunnen bewerken, n.l. de delging van de schuld des volks door zijn bloed, dat heeft Christus bereikt door Zijn armen uit te breiden aan het kruis en Zijn dierbaar bloed te storten voor de goddelozen.

Waarom kon Mozes het niet en Christus wel ? Omdat Christus door Zijn bloedstorting aan Gods gekrenkte recht voldaan heeft. Want recht moet er zijn en God moet aan Zijn eer komen. Welnu, God Iaat dit recht geschieden. In Zijn Zoon, Jezus Christus, draagt Hijzelf de verschrikkelijke last van Zijn toorn tegen de zonde weg. Als Christus aan het kruis hangt, doet de Rechtvaardige Rechter aan Hem recht! Dan straft Hij de zonde! Als ge naar het kruis van Golgotha ziet, leest ge in vlammend schrift: „Dien zou Ik uit Mijn boek delgen, die zondigt". God heeft Christus in onze plaats tot zonde gemaakt. Daarom legt God Hem op het altaar der verzoening, opdat Hij het offer zou zijn, waarin God behagen heeft. „En met deze éne offerande heeft Hij in eeuwigheid volmaakt degenen, die geheiligd worden".  Hoewel Christus alleen recht had om in Gods boek te staan vanwege Zijn gerechtigheid en heiHgheid, doet God alle ongerechtigheid op Hem aanlopen! Maar juist daarom valt Zijn genade ten deel aan allen, die door het geloof bij Hem schuilen. Want zij mogen geloven, dat het strenge recht Gods aan Hem voltrokken is, opdat de genade hun deel zou worden.

Door dit offer van Zijn eigen leven, heeft Chrises een machtige pleitgrond om voor ons te bidden. Christus is de Borg en Middelaar van een beter Verbond.

„Waarom Hij ook volkomen kan zalig maken degenen, die door Hem tot God gaan, alzo Hij altijd leeft om voor hen te bidden". Gelijk Mozes tot God ging om voor zijn volk in de bres te springen, zo treedt Christus tussen bij de Vader om voor de overtreders te bidden. Hij trekt degenen, die in Hem geloven, onder de vloek en het oordeel Gods vandaan en zegt: „Vader, Ik heb voor hen verzoening gedaan." Christus kan dat doen, omdat Hij Zich als Hogepriester geofferd heeft en als de Rechtvaardige voorspraak bidt!

Dit is de kern van het Evangelie der genade. Denk het u eens in : terwijl daar een volk danst om de afgoden en zich onbeiwust is van de komende toorn Gods, staat er een middelaar voor Gods aangezicht te bidden. Zo is Christus voor de troon Gods, biddend om vergeving voor ons, die in de zonde leven. Al vragen wij niet naar Hem, Christus denkt wel aan ons. Terwijl wij dartelend het verderf tegemoet gaan, heft de Middelaar Zijn handen op en vraagt vergeving! Die vergeving is er, omdat Hij bidt. Maar de kracht van Zijn gebed ligt hierin, dat Hij voor de zondaren geleden heeft. Hij gaat met het offer der verzoening tot de Vader en pleit op Zijn gerechtigheid! Daar vallen wij met onze verdiensten buiten. Elke zondaar, die genade ontvangt en tot geloof komt, heeft dit te danken aan 't offer en de voorbede van Christus ! Zo krijgt God alle eer. Ziende op die Ene Rechtvaardige, onze Voorspraak, zullen wij niets liever willen dan God groot maken. Ge zult het zien: Christus alleen is mijn gerechtigheid voor God. Eer ik naar Hem vroeg, heeft Hij mijn zonde en schuld verzoend. Stervend pleitte Hij voor mij en in de hemel is Hij eeuwig voor mij biddende ! Wanneer ge tot het geloof komt en in Christus verzoening vindt, is het niet aan uzelf te danken, maar aan de biddende Hogepriester! En als vrucht van Zijn verzoenende gerechtigheid en bemiddelende voorbede zult ge uw Rechter om genade smeken.

(Zegveld)

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van donderdag 19 juni 1947

De Waarheidsvriend | 6 Pagina's

MEDITATIE

Bekijk de hele uitgave van donderdag 19 juni 1947

De Waarheidsvriend | 6 Pagina's