De Waarheidsvriend cookies

Voor optimale prestaties van de website gebruiken wij cookies. Overeenstemmig met de EU GDPR kunt u kiezen welke cookies u wilt toestaan.

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies zijn verplicht om de basisfunctionaliteit van De Waarheidsvriend te kunnen gebruiken.

Optionele cookies

Onderstaande cookies zijn optioneel, maar verbeteren uw ervaring van De Waarheidsvriend.

Bekijk het origineel

Samuël, een zoon der Wet

Bekijk het origineel

+ Meer informatie

Samuël, een zoon der Wet

FEUILLETON

4 minuten leestijd

EEN VERHAAL UIT HET HEDENDAAGSE PALESTINA

57)

Op de Sabbat zwier Mandel soms wat verder door de omgeving, omdat hij er begerig naar was, de werkwijze ook van andere beginnelingen te leren  kennen. Om een klein irrigatie-werk te bezichtigen, kwam hij eens tot in de nabijheid van Nazareth. Maar spoedig moest hij merken dat zulke verre uitstapjes zonder Rea niet raadzaam waren. Hij kwam tot de vreselijke ontdekking, dat zijn vrouw sedert die onweersnacht een medelijdende belangstelling koesterde voor hun ongelukkige buurman ! Reeds had zij enkele keren met erge spijt over hem getsproken, als zij hun eigen huisje had schoongemaakt en weer ingeruimd, — als zij Mandels kleren een beetje herstelde of als zij het met zorg gekookte eten in zijn huis op tafel zette. Het scheen haast, dat zij haar zorg graag ook over die kluizenaar wou uitstrekken. Die avond, toen hij uit Nazareth terugkwam, moesten zijn ogen het aanzien, dat Rea bij het binnenhalen van de geiten met Jossele in gesprek was geraakt, en dat hij haar hielp om de ezel, die eveneens nog wat liep te grazen, tot terugkeer naar huis te bewegen, — ja, dat hij zich daarbij onnodig lang, zelfs ophield, want hij deed nog zijn best om het dier een gezwel op zijn rug uit te drukken, dat uit de beet van een vlieg was ontstaan. Die twee waren daar zelfs zó in verdiept, dat zij hem helemaal niet hoorden aankomen.

Hij zag Jossele's blozend gelaat en hoorde zijn vrolijke stem. Wel was, toen hij plosteling bij hen stond, Rea erg vriendelijk jegens hem, maar tegelijkertijd kreeg zij toch ook een kleur. En waarom was dat ?

Waarom die lichte verlegenheid ?

Vanwaar die lichtglans in Jossele's oogen ? Zag hij er anders niet nors en donker uit ? Was dat niet steeds zijn gewoonte ?

Hij gunde hem geen vriendelijke blik, en zag daarom opmerkzaam naar Jossele's voeten, terwijl hij onverschillig aanhoorde, wat men tegen zulke steekvliegen kon doen. En toen hij plotseling opkeek, betrapte hij beiden op een blik, die hem de adem benam. Hoe durfde Jossele het te wagen, om zó zijn vrouw aan te kijken ?

„Het vee moet nodig naar huis." zei hij heftig, nam de ezel bij de halster en trok hem voort. Nu volgde Rea met de geiten. Toen de dieren op stal waren gebracht, trad hij plotseling voor haar met ogen, die vreselijk van onder de zware wimpers vlamden. Hij drukte zijn sterke handen op z'n borst, als deed hij al zijn best om zichzelf meester te blijven. Zijn gelaatsuitdrukking was hard en vol haat geweest, als hij niet tegelijkertijd een zekere smart daarin had getoond, die Rea trof. Daarom was zij ook niet bang voor hem.

„Hij beledigt mij", knerste hij, ,,dat hij het waagt er aan te denken — jou met zo'n blik aan te zien !" Het was alsof Mandel's stem brak.

„Wat voor een blik ? " vroeg zij, terwijl zij een glimlach terughield.

„Ik heb hem betrapt!"

„Wat voor kwaad heeft hij dan gedaan ? Hij heeft jou of mij niets aangedaan !"

Nu ja, zij voelde wel, dat haar medelijden voor Jossele heel levendig was geweest, en dat van dat bestanddeel van haar echtelijke liefde, dat moederlijkheid heette, Jossele ook een beetje had meegekregen. Alleen kon zij daarom deze zaak nog niet afkeuren, want — ofschoon zij nog jong was — voelde zij toch reeds dat zij niet alleen in Mandel haar begin, haar doel en haar einde had, maar dat zij ook als schepsel Gods nog anderen iets schuldig was.

„En ik heb werkelijk ook niets gedaan", zei zij beslist.

„Ach", riep hij, terwijl hij naar zijn hoofd greep, „had jij toch maar niet met hem gepraat !"

„Maar, Mandel, hoor nu toch eens. Wat denk je toch wel ? Wil je dan, dat ik mijn ogen en mijn mond zal dicht binden ? " Dit zei zij zó trouwhartig, en met zulke eerlijke en mooie oogen, dat de smart hem nog meer het hart deed breken.

„Het is een ellende", ging hij voort op een toon van vertwijfeling. „Hij woont te dicht bij. Hij mag dan misschien niets kwaads gedaan hebben — nóg niet. Maar wat kan er niet nog gebeuren ? En ik moet bovendien bij dat alles ook nog vriendelijk jegens hem zijn, omdat hij mijn buurman is. Hij kan je toch iedere dag zien, als hij dat verkiest, en zonder dat ik het verhinderen kan".

(Wordt vervolgd.)

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van donderdag 26 juni 1947

De Waarheidsvriend | 6 Pagina's

Samuël, een zoon der Wet

Bekijk de hele uitgave van donderdag 26 juni 1947

De Waarheidsvriend | 6 Pagina's