Het voornaamste
Onderscheidene malen hebben wij reeds de aandacht gevestigd op de herderlijke arbeid in de gemeente als de eerste en voornaamste taak.
Omdat de kerk een eigen leven heeft, is in de eerste plaats noodig dat leven te wekken en te verzorgen. Wij willen daarmede niet beweren, dat het in onze macht zou staan dat leven te wekken. Integendeel. Dat is Gods werk. Maar de Heere heeft het zo besteld, dat wij in het geloof medearbeiders Gods mogen zijn in het goddelijk akkerwerk.
Zal die arbeid vruchten zien, dan moet deze worden betracht in gehoorzaamheid aan het Woord en naar de orde. Wat toch zal al het kerkewerk baten, als er ten slotte geen levende kerk is ?
Men kan geen vrucht verwachten, zoo deze allereerste taak niet wordt verzorgd. Het is de levende kerk, die tot een getuige in de wereld is gezet. De levende kerk, die zending drijft. De levende kerk, die een bron van zegen voor het volksleven kan zijn.
Als men zegt, dat de kerk weer kerk moet worden, kan dat slechts zin hebben, als men van die levende kerk uitgaat en allereerst voor haar de voorwaarden schept, die tot haar openbaring nodig zijn.
Zij moet gelegenheid hebben om overeenkomstig het Woord en haar belijdenis te leven en zich te openbaren naar haar aard en wezen.
Dit vraagt in de allereerste plaats erkenning van haar eigen leven in onderscheiding van de wereld. Dat wil zeggen : erkenning van haar geloof. Het is uit dien hoofde, dat wij altijd weer terug komen op de Heilige Schrift en de belijdenis.
Zij moet bepaald worden bij haar geloof en bij haar belijdenis. En van dat geloof uit heeft zij de roep ter bekering te verheffen in een van God vervreemde wereld.
Men spreekt over de profetische roeping der kerk jegens de wereld. Zij beginne echter allereerst de wereld in de kerkelijke saamleving te bestrijden en deze terug te brengen tot de wet en de getuigenis. Dat is profetisch. De kerk is naar haar wezen niet de plaats van het z.g. kerkelijk gesprek. Dat de huidige kerk daartoe is geworden, is een teken harer degradatie. Zij is naar haar aard, vergadering der ware Christgelovigen. Het geloof der kerk is geen discutabele zaak. De kerk is geloofsgemeenschap. Als de enigheid des geloofs ontbreekt, is er iets niet in orde.
Dat moet zelfs het kerkelijk gesprek toegeven. Want de bedoeling kan toch geen andere zijn dan tot enigheid des geloofs te komen.
Het is echter duidelijk, dat men zonder objectieve norm geen enigheid des geloofs kan verwachtten en dat de voorwaarde daartoe alleen kan gelegen zijn in de aanwijzing en de erkenning van die objectieve norm.
Men kan niet het standpunt innemen van die norm gemeenschappelijk uit te vinden, want dan is men begonnen met de gegeven norm en de objectieve werkelijkheid des geloofs te miskennen of zelfs te ontkennen.
Anderzijds wil de enigheid des geloofs nog niet zeggen, dat men het in de theologische beschouwing van alle geloofsstukken volkomen eens is.
Theologie kan er niet zijn zónder geloof, maar theologie Is nog geen geloof. Aan alle theologie ligt een geloof ten grondslag, doch dat wil nog niet zeggen, dat alle theologie uit het geloof der Heilige Schrift opkomt. De achtergrond van alle theologie kan in beginsel of op ondergeschikte punten afwijken van de profetische wortel.
Daarom kan in de kerk een theologische discussie zijn, die in de grond der zaak de enigheid des geloofs niet breekt. Indien dat het geval is, zal de Generale Synode zorg hebben te dragen, dat de strijd geenf scheuring ten gevolge kan hebben door de controversen niet op de spits te drijven en in de vrijheid der kerken te laten. Wij denken aan de strijd over Doop en wedergeboorte in de Gereformeerde Kerken.
Maar het kan ook zijn, dat de theologische discussie wel terdege in een innerlijk conflict tussen geloof en ongeloof wortelt. Dan zal de kerk in haar hoogste vergadering hebben te beslissen en de dissenters het zwijgen hebben op te leggen.
Enigheid des geloofs is alzo nog wat anders dan enigheid in theologische beschouwingen. Doch de discussie draagt een geheel ander karakter, indien zij beiderzijds wortelt in het geloof en dus in het leven der kerk, dan wel, of zij dat niet doet.
Dat betekent echter weer niet, dat men onbeperkt in theologie kan verschillen en toch staan in de enigheid des geloofs.
Wie dat zou menen, zou de enigheid des geloofs boven de aardse werkelijkheid uit heffen. Hij zou ontkennen, dat de Heilige Geest de aardse mens naar de verkiezing Gods in de Waarheid leidt.
En daarmede ware tevens alle theologie in beginsel van haar waarheidskarakter beroofd. De kerk ware in niets van de wereld onderscheiden dan door de pretentie harer theologische beschouwingen.
Zo waarlijk God zich heeft geopenbaard en ons Zijn Woord heeft gegeven, zo waarlijk kan men aan de belijdenis der kerk en haar theologie het karakter der waarheid niet ontzeggen, ook al draagt zij die schat in aarden vaten.
De kerk heeft haar grenzen en daarom heeft ook de theologie der kerk haar grenzen, waarbuiten zij niet gaat. Deze grenzen nu worden bepaald door het waarachtige leven des geloofs, hetwelk gewekt wordt door de Geest van Christus en zijn richtsnoer heeft in de Heilige Schrift.
Uit dat leven des geloofs kan alleen het kerkewerk opbloeien, dat vrucht draagt en zijn regeneratieve kracht op het leven doet uitgaan.
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van donderdag 26 juni 1947
De Waarheidsvriend | 6 Pagina's
Bekijk de hele uitgave van donderdag 26 juni 1947
De Waarheidsvriend | 6 Pagina's