De Waarheidsvriend cookies

Voor optimale prestaties van de website gebruiken wij cookies. Overeenstemmig met de EU GDPR kunt u kiezen welke cookies u wilt toestaan.

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies zijn verplicht om de basisfunctionaliteit van De Waarheidsvriend te kunnen gebruiken.

Optionele cookies

Onderstaande cookies zijn optioneel, maar verbeteren uw ervaring van De Waarheidsvriend.

Bekijk het origineel

Samuël, een zoon der Wet

Bekijk het origineel

+ Meer informatie

Samuël, een zoon der Wet

FEUILLETON

8 minuten leestijd

EEN VERHAAL UIT HET HEDENDAAGSE PALESTINA

60)

Een feest, zoals het in de bescheidenste mate hem misschien nog in Rusland zou zijn aangeboden, bleef hier achterwege ; alleen deden de dorpsgenoten Sinaï de eer aan, om Samuel's examen, dat thuis zou worden voortgezet, te komen aanhoren. Bovendien lokte hen het uitzicht op zo'n woordsteekspel, als op de Sabbat de meeste Joden zo hoogst welkom is. De heilige dag eist eigenlijk, dat men zich uitsluitend bezig houdt met de Thora of de Mischna, maar hoe zou men zonder moede te worden, zich daar de gehele dag in verdiepen, als men er geen strijdvragen uit voor de dag haalde ? De voordracht van de knaap verlangde in gene dele een zwijgend toeluisteren, maar veroorloofde tegenwerpingen en kon tot de mooiste verstands-polemieken aanleiding zijn. Ook zelfs Nathans kwam die middag daarvoor over. De tent was opgeslagen. Daarvóór stonden de meeste toehoorders ; anderen zaten op stenen of omgekeerde kisten, of hurkten neer op jute-zakken.

Samuel ging aan de ingang staan, zodat men hem zowel binnen als buiten kon verstaan, en begon nu met een kloppend hart :

„Omdat ik spreken zal over de smaad, die de mensen ons hebben aangedaan in vele landen, als zouden wij Christenbloed gebruiken voor onze godsdienstoefeningen, en voor onze offers, of weet ik waarvoor nog meer, zo heb ik alles nagelezen, onderzocht en geleerd, wat ik daarover te weten kon komen. Wij weten allen maar al te best, dat wij geen mensenbloed wensen. Maar wij kunnen het ook bewijzen tegenover hen, die ons bloed willen laten vloeien, en die ons daarom zo lasteren. Ik heb gelezen, dat vroeger alle volken, die rondom Israël woonden, mensen hebben geofferd, en in Duitse boeken staat, dat ook andere volken in andere landen dat hebben gedaan, zelfs die, welke thans de machtigste en meest beschaafde volken zijn van Europa. Israël is het enige volk, dat het nooit gedaan heeft ! Een uitzondering vormt de Richter Jephtha, maar Jehovah had het hem niet bevolen ; het was een heidens gebruik. En dan onze vader Abraham — zijn nagedachtenis zo gezegend! — maar hij heeft het niet mogen doen, God heeft hem daarin verhinderd.

Er hebben goddeloze koningen, die over ons regeerden, hun zonen en dochteren door het vuur laten gaan, voor de Moloch in het dal Hinnom, en zij hebben kinderen verbrand. Ook voor de goden van Assur hebben zij kinderen verbrand — nog wel hun eerstgeborenen —, maar zij deden, wat de Heere niet welgevallig was, en Adonai verwierp daarom Zijn volk voor lange tijd. Sindsdien is dat nooit gebeurd, en onze profeet Micha heeft ook, gezegd, dat het niet mag gebeuren, en dat het absoluut geen nut heeft. Er staan strenge verboden tegen mensenoffers in de Schrift, en ook in de Gemara is niets te vinden van Christenbloed. Wie daar iets van vinden kan, moet het bekend maken. Onze Schriften liggen voor de ogen der gehele wereld, en kunnen in vele talen worden gelezen. Als iemand ergens vindt, dat wij mensenbloed willen, dan moet hij komen en de plaats opgeven. Maar zij kunnen dat niet ! Er is zelfs een geleerd man geweest bij de Duitsers, die er een eed op gedaan heeft, dat daarover in de Schriften niet te vinden is. Onze eigen wijzen hebben het bezworen : bloed-eten maakt onrein, doden aanraken maakt onrein, bloed-eten is een gruwel. Of er deze negentienhonderd jaren nooit ergens één Christenkind door een van de onzen is vermoord, uit wraak, uit bijgeloof ? Niemand kan dat zeker weten. Maar wèl is zeker dat Joods bloed in grote stromen vergoten is, juist om hun bijgeloof en uit wraak door hen.

Er is in onze gezegende Schriften geen sprake meer van mensenoffers. Slechts één enkele keer spreekt onze profeet Jesaja daarover. Hij heeft geprofeteerd over een, die verwond en gestraft en gemarteld zou worden voor de misdaden van Israël, en dat die zijn leven als schuldoffer zou geven voor de zonden van anderen, maar hij zelf zou zonder zonden zijn. Maar onze Wijzen hebben deze woorden op de Messias laten slaan, die nog komen moet, want er is van een dergelijk mens niets bekend. Daarom is het een leugen, dat wij mensenbloed hebben genuttigd, of nuttigen, of ooit zullen nuttigen.

Het is een leugen van de Satan tegen ons,  riep hartstochtelijk Jossele, die in het halfdonker had gestaan. „Met niets kon hij ons zo goed kwellen of kwetsen. En de haat kon niets beters vinden!"

Heel rustig antwoordde Nathans, de Moechtar :  Maar hier is dat uit. Gij hebt goed gesproken, al was het kort, Samuel !"

De jongen ging nu terug in een hoek van de tent waar de blinde zat, en liet zijn hoofd zakken onder haar tastende hand, boog zich toen echter haastig tot zijn pleegvader en fluisterde : „Mag ik nóg iets vragen of zeggen, Reb Sinaï ? Het is maar een vraag of verzoek, maar ik wou wel graag verklaren, waarom ik dit verzoek doe — terwijl ik nog 20 jong ben. Ik heb er vaak aan moeten denken, maar nog nooit een verklaring er voor gevonden of gehoord".

„Spreek maar — wij hebben allen de tijd ! — Ons kind, mensen, wou nog graag iets vragen. Ik verzoek dus : laten we hem nog één keer aanhoren op zijn feestdag en hem naar ons beste weten antwoord geven, want hij wil graag iets leren." De mensen, die buiten stonden, en die  voor een deel het heldere verstand van de knaap prezen, en voor een deel het aangegeven thema met klimmende hartstochtelijkheid verder behandelden, kwamen weer dichter naar de ingang van de tent.

Samuel ging op zijn vroegere plaats staan, werd bleek, doch vatte al zijn moed samen — en hij zei nu aarzelend : „Het is dit : Ik zou zo graag willen weten, wat het toch eigenlijk betekent, wat de profeet Jesaja gezegd heeft over een die komen zal, en die een schuldoffer zal wezen, voor zijn Volk. Als dat op de Messias ziet, waarom is hij dan nog niet gekomen tot de eerste dag des gerichts — hier in het land ? "

Door de vergadering ging een schok. Zij hielden de adem in, net alsof ieder 'n antwoord gereed had, en dat zo dadelijk tegelijk met de anderen in een wilde woordenstroom zou willen uiten. Alleen een handbeweging van Tulpenbloesem kalmeerde enigszins de opwinding tot een afkeurend gemompel, waaruit alleen deze woorden van Suze waren op te vangen : ,,Hij zal spoedig, héél spoedig komen, mijn zoon. Heb nog maar een korte tijd geduld !" .

„Maar zo hebben de onzen al spoedig twee duizend jaar lang gesproken, en nóg is hij er niet. Zij hebben de wet onderhouden zo goed als zij het in de verstrooiing maar konden, — zij hebben gebeden, geweend en gevast. Velen van hen hebben iedere middernacht het gebed gedaan om de wederoprichting van de stad. Maar hij is niet gekomen. En waarom niet ? Zijn wij nu niet veel beter dan we in Egypte waren ? De Gemara zegt, dat de Engel der Egyptenaren toentertijd tot God heeft gesproken : „Wilt Gij de Israëlieten verlossen ? Zij zijn afgodendienaars !" En toch heeft Hij ons toen na 210 jaar verlost.

Wij zijn tegenwoordig ongetwijfeld veel beter dan ten tijde der Richters, toen wij vaak de Kanatanietische en Fenicisdhe afgoden hebben gediend. Maar ook toen — als wij in de nood tot Hem riepen, heeft Hij ons verlost.

Ook zijn wij nu beter dan ten tijde van onze koiningen, toen enigen van hen aan de Moloch hebben geofferd. En toch heeft Hij ons ook uit Babel verlost.

Maar nu wachten wij al gauw twee duizend jaren sedert de tijd, dien onze grote Daniël heeft ge­noemd in zijn negende hoofdstuk, en waarop volgens hem de Verlosser komen zou, en de Rechtvaardige Goël is er nog altijd niet ! Waar ligt dat aan ? " Nu riep Sinaï uit de volheid van zijn gemoed : „Hij heeft toch altijd wonderen met óns verricht sinds dien ! Dat Hij ons uit ons land verdreven heeft, en dat Hij ons in de verstrooiing heeft onderhouden, en dat Hij ons thans uit alle landen der aarde terugroept : Zijn dat dan geen wonderen ? "

,,Ja wel, " antwoordde Samuel vrijer wordend, hoewel toch nog wat beschroomd. „Met óns ! Maar gedurende al die jaren en eeuwen ving Hij toch niet meer de slagen onzer vijanden voor ons op, en verschrikte hen niet meer met de wonderen Zijner hand, geljjk vroeger. Het lijkt wel, alsof God plotseling stom voor ons geworden is !

Sedert lange tijd reeds zijn wij veel beter dan toentertijd! Voor drie- of vierhonderd jaar zijn vele van ons in de dood gegaan, omdat zij de wet niet wilden loslaten. Maar ook toen is Hij niet gekomen. Was Zijn volk toen niet zó rechtvaardig, dat Hij gerust komen kon ? Wat hapert er dan nog aan ?

Ik vraag het u, Reb Sinaï, en u Reb Nathans, plechtig en ten aanhore van deze vergadering ! En als Zoon der Wet vraag ik het u allen : Weet gijlieden de oorzaak ?

(Wordt vervolgd.)

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van donderdag 17 juli 1947

De Waarheidsvriend | 8 Pagina's

Samuël, een zoon der Wet

Bekijk de hele uitgave van donderdag 17 juli 1947

De Waarheidsvriend | 8 Pagina's