Boodschap
van het interkerkelijk overleg, ten deze vertegenwoordigende
de Nederlandse Hervormde Kerk,
de Rooms-Katholieke Kerk,
de Gereformeerde Kerken in Nederland,
de Oud-Katholieke Kerk,
de Christelijk Gereformeerde Kerk,
de Evangelisch-Lutherse Kerk,
de Hersteld Evangelisch-Lutherse Kerk,
de Remonstrantse Broederschap,
de Algemene Doopsgezinde Sociëteit,
de Unie van Baptiste Gemeenten en
de Bond van Vrije Evangelische Gemeenten.
In de oorlogsjaren hebben de Kerken van Nederland tegen alle boosheid en geweld, ons volk door de bezetter en zijn geestverwanten aangedaan, openlijk getuigd van het Evangelie van Jezus Christus. Ook hebben zij gebeden om inkeer en berouw van allen, die, als vijanden van ons volk, dit op zo velerlei wijze de lijdensweg hebben doen gaan.
Schouder aan schouder met hen, die vanuit hun verborgen schuilhoeken te vuur en te zwaard de vijand afbreuk deden, hebben de Kerken inhoud en uiting gegeven aan de geest van verzet, die in het volk leefde.
Na de oorlog hebben de Kerken een en andermaal ook eigen volk en Overheid moeten roepen tot het betrachten van gerechtigheid en barmhartigheid om Christus' wil.
Bij de behandeling van de politieke gevangenen in de kampen en daarbuiten, uitte zich in ons volk — geïnfecteerd door de geest der bezetters — een geestesgesteldheid, een Christelijk volk onwaardig, in strijd met de beste tradities van ons land en weinig geschikt om deze mensen te overtuigen van ongelijk en schuld.
Zo is ons volk nog al te veel geneigd, om — met voorbijgaan aan eigen zonde op velerlei terrein — het recht in eigen hand te nemen en hen uit te bannen, die reeds door de Overheid zijn gestraft en vroeg of laat door haar in de samenleving worden teruggebracht.
Op grond van dit haar getuigenis in en na de oorlog, achten de Kerken zich geroepen thans ook gehoor te geven aan het verzoek van een 25-tal politieke gevangenen, die allen in de nationaal-socialistische beweging een vooraanstaande plaats hebben ingenomen, om aan het Nederlandse volk een erkenning van schuld en een verklaring over hun houding tijdens de oorlog over te brengen.
Voor schulderkenning en getuigenis beide dragen uiteraard de opstellers de volle verantwoordelijkheid.
De eerste luidt aldus :
Belijdenis.
Sinds twee jaren gaan wij, die allen op enigerlei wijze leiding hebben gegeven aan organen en gedachten van het nationaal-socialisme in Nederland, gebukt onder de last van een gedwongen zwijgen, des te drukkender naarmate een groeiend inzicht in ons dwalen en falen ons maande tot een belijdenis en een verklaring.
Wij leggen deze belijdenis en de daarbij aansluitende verklaring af tegenover het Nederlandse volk, dat in begrijpelijke verontwaardiging ons medeschuldig verklaart aan het bittere leed, tijdens vijf jaren bezetting ondergaan. Moge ons woord mede worden verstaan door de velen, die ons, lot delen en die in dikwerf beperkter verantwoordelijkheid te goeder trouw met ons de rampzalige weg der verbondenheid met de bezetter zijn gegaan.
Tussen ons, die een geringe minderheid waren, en de overweldigende meerderheid van ons volk, vormt een afgrond van beproevingen een kloof, welke menselijke goede wil alleen nauwelijks-schijnt te kunnen overbruggen.
Daarom is het slechts met uiterste schroom, dat wij deze belijdenis neerleggen in het midden van ons volk.
Mede door eigen toedoen een geïsoleerde plaats in de Nederlandse volksgemeenschap innemende, leefden wij menigmaal in laakbare achteloosheid voorbij aan de eigenlijke strekking en de heilloze gevolgen van maatregelen, ons volk door de bezetter opgelegd.
Wij belijden in het aangezicht van de ontstellende feiten, welke eerst in de loop der laatste twee jaren in volle omvang te onzer kennis kwamen, dat wij dikwerf hebben gezwegen, waar spreken geboden was, en een samenwerking met de bezetter hebben gehandhaafd, waar deze verbroken had, moeten worden.
En wanneer wij dan, met diepe beschaming, denken aan de vervolgden, de weggevoerden, de gemartelden, de terechtgestelden, de vermoorden, aan de demonische vernietiging van Joodse mannen, vrouwen en kinderen, dan verstaan wij hoe ons volk ons iedere betuiging van saamhorigheid met de bezetter heeft aangerekend.
Een tragische verwarring van eigen gedachtengoed en vreemde totalitaire ideologieën, maakte ons blind voor de huiveringwekkende consequenties, waartoe deze moesten leiden, hoezeer dringende en ondubbelzinnige stemmen waarschuwden, dat deze ideologieën fundamenteel in strijd waren met de beginselen van het Christendom.
Het is een smartelijk, neerdrukkend verdriet, dat de herinnering aan deze, onze dwalingen opwekt. Maar tegelijkertijd heeft zij ons gedreven tot een bezinnend indringen in het wezen van dit ons menselijk tekort. En ons aldus dwingend voor de schuldvraag gesteld.
Het was ons een innerlijke behoefte het antwoord op die vraag in alle oprechtheid en in alle openhartigheid toe te vertrouwen aan de Kerken, die in en na de bezettingsjaren een zo vast middelpunt vormden, waar een ontredderd volk zijn troost en betrouwen vond. Moge hun stem deze belijdenis, waarin ons falen is vervat, vertolken. Wij hopen ernstig, dat ons volk ondanks alles wat ons gescheiden heeft, deze belijdenis zal willen aanvaarden voor wat zij is : een oprechte poging de nog schrijnende wonden te helpen helen.
Besef van onze schuld, bovenal jegens God, de Allerhoogste, voor Wiens oordeel wij allen moeten buigen, doet ons biddend vragen, dat Hij ons moge vergeven, ons volk moge bewaren voor blijvende haat en ons en onze lotgenoten voor een verbittering, die ons de weg naar verzoening zou versperren.
Voor de ondertekening zie de hieronder volgende verklaring, die in nauw verband met bovenstaande schulderkenning moet worden gelezen.
Tot zover deze schulderkenning.
God alleen is het. Die de harten der mensen kent.
Terwijl de Kerken dit diep beseffen, hebben zij geen vrijheid gevonden haar tussenkomst te weigeren bij het doorgeven van deze gewetenskreet.
Zij vragen u te luisteren naar deze schulderkenning met de bede, dat deze en de andere politieke gevangenen zich met ons allen gesteld mogen weten onder de oordelende en vergevende Liefde van de Vader van onze Heere Jezus Christus.
Onder heel ons volk moge deze schulderkenning dan ook medewerken tot geestelijke vernieuwing, tot bewustwording van eigen schuld en de weg openen tot een samenleven met elkander naar de eis van het Woord Gods.
Dan zullen, naar Zijn heilige wil, gerechtigheid en barmhartigheid doonbreken overal, waar zij thans worden gemist.
Vele wonden in en na de oorlog, aan beide kanten geslagen, zullen dan tot genezing kunnen, komen. Wat bij mensen onmogelijk is, is mogelijk bij God.
Zijn heil is nabij degenen, die Hem vrezen, opdat in ons land eer wone (Ps. 85 : 10).
Namens het Interkerkelijk Overleg :
Ds. H. J. Dijckmeester, wnd. voorzitter.
Dr. H. M. J. Wagenaar, secretaris.
Aan bovenstaande schulderkenning werd door opstellers de volgende verklaring toegevoegd :
Verklaring.
In een belijdenis, gelegd in de handen der Kerken, hebben wij ons in diepe bewogenheid gedrongen gevoeld uit te spreken, dat wij in de zware jaren van ons volksbestaan, die achter ons liggen, schuld op ons hebben geladen.
Indien wij nu aan die belijdenis toevoegen een verklaring van onze houding tijdens de bezetting en daar voor, dan doen wij dit niet om daarmede aan de waarachtigheid van ons belijden iets af te doen, maar als een noodkreet aan het Nederlandse volk om ons in de diepte van de geestelijke strijd, waarin wij nu leven, te willen begrijpen.
Wij zijn met smartelijke verbazing vele verhoudingen in een ander licht gaan zien en de feiten, die wij hebben ervaren doen ons onszelf met ontzetting en verslagenheid afvragen : hoe is dit alles mogelijk geweest ! Immers, wij hebben met diepe beschaming moeten vaststellen, ons te hebben bevonden aan de zijde van hen, die verantwoordelijk zijn voor afschuwelijke misdaden.
Wij begrijpen nu de opvattingen van al diegenen uit ons volk, die zich tijdens de oorlog tegen de bezetter keerden en zich van ons afwendden. Wij kunnen er niet aan ontkomen toe te geven, dat onze verhouding tot de bezetter hun hiertoe het recht gaf en hen wel diep moest grieven.
Wij staan geschokt tegenover het grote onrecht en het bittere leed, dat ons volk is aangedaan. Wij doen nochtans een ernstig beroep naar ons te wil»len luisteren. Niet omdat wij zouden willen trachten onszelf te ontlasten, doch omdat wij Nederlanders waren, zijn en willen blijven en daarom nimmer willens en wetens verraad hebben gepleegd.
Wat de oorlogsdagen van Mei 1940 betreft : moge ons volk toch kennis nemen van de officieele verklaringen, die de ons diep grievende beschuldiging van landverraad in die dagen afdoende weerleggen.
Wat deed ons voor de oorlog nationaal-socialist worden ? Men gelove ons als wij met grote ernst zeggen, dat in ons leefde een diep geworteld verlangen naar sociale gerechtigheid en nationale verheffing.
Wat heeft ons er toe bewogen na Mei 1940 natioinaal-socialist te blijven ? Wij konden ons niet los maken van de overtuiging, dat de vernietiging van Duitsland gelijk zou staan met een onvermijdelijke chaotisering van Europa en als gevolg daarvan de ondergang ook van ons vaderland. Wij hoopten door onze inspanning de kansen op een Nederlands herstel na de oorlog te behouden.
Wij weten, dat er profiteurs en misdadige elemenr ten in onze gelederen zijn geweest. Men mag het geheel daar echter niet mee vereenzelvigen. Wij pleiten met klem voor de goede trouw van zo velen — en daarbij denken wij met name aan het eenvoudige lid — die, volgens de leiding, meenden het beste te doen voor het Nederlandse volk. Maar bovenal voor de tienduizenden — voornamelijk jongeren uit onze gelederen —Die zich voor enige wapendienst meldden en nu het zwaarst worden getroffen, terwijl de verantwoordelijkheid voor hun daad op onze schouders ligt. Velen gingen in de heilige overtuiging voor hun land te strijden, bereid het allerhoogste offer, dat van hun leven, te brengen.
Moge God, die de harten kent, in Zijn genade, de eerlijke bedoeling van hun offer aanvaarden.
De bewogenheid, waarin wij nu leven, dringt ons er toe nog over vele dingen te spreken. Wij zwijgen echter.
Mogen onze belijdenis en deze verklaring door ons volk ontvangen worden met dezelfde ernst, waarmede wij deze hebben uitgesproken.
B. J. Bierma. G. C. Blom. J. H. L. de Bruin. K. A. Enklaar. Mr. H. M. Fruin. Dr. F. P. Guépin J. W. Baron van Haensolte van Harst. Ir. C. J. Huygen. W. R. Jager. Dr. K. Keyer. L. P. Krantz. Mevr. E. Kröller-Schafer Ph. van der Land. Jb. Maarsingh, H. C. van Maasdijk H. C. Nije. N. Oosterbaan. C. ter Poorten. C. L. Reitsma. Mr.W. J. Schönhard Mr. A. Semplonius Mr. F. C. Stable, P. Tammens. G. F. Vlekke. M. Zwiers.
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van donderdag 17 juli 1947
De Waarheidsvriend | 8 Pagina's
Bekijk de hele uitgave van donderdag 17 juli 1947
De Waarheidsvriend | 8 Pagina's