Vele dingen
Bekommerd omtrent vele dingen en het meest omtrent onze eigen belangen of wat wij daarvoor houden. Zo bestaan wij. Daarom ook zijn wij bekommerd over de toestanden in de wereld, voorzover wij daarvoor belangstelling hebben en vooral voorzover wij dien betrekken op onze eigene verwachtingen en uitzichten.
Hoe weinig onderscheiden wij, die ons Christenen noemen en zelfs gaarne onder de gereformeerde belijders scharen, ons vaak van de wereld in ons alledaagse bestaan. En, hoewel het intieme leven, Gode zij dank, nog vruchten kan tonen van waarachtige Godsvrucht, naar buiten en veel meer nog van buiten af beoordeeld door het oog van de wereldling gezien, is er zo weinig onderscheiding.
Klaagt men niet, dat het geloof zo weinig uitistraalt naar buiten ? En is dat ganseltjk ten orechte ?
Inderdaad is het zo, daf de godsdienstigheid van velen de indruk maakt van er ook nog bij te komen. Men gaat nog ter kerk, men doet wat aan weldadige verenigingen en instellingen. Godsdienst heette in de vorige eeuwen in de leiding gevende kringen een privé aangelegenheid. Is het thans voor velen, die niet openlijk gebroken hebben met de kerk, niet iets bijkomstigs. Velen vinden, dat wij niet „zakelijk" genoeg zijn. Wij willen gaarne aannemen, dat wij in dit opzicht achterstaan bij de Amerikanen. Maar gaan wij toch reeds niet zozeer op in onze zaken, dat er voor de eeuwige dingen eigenlijk geen plaats is ?
Betrappen ook zij, die waarachtig geloven, zich zelf niet en moeten zij niet dikwijls met schaamte bekennen, dat zij telkens weer hun leven in eigen hand nemen, hoewel zij zich in het geloof veilig weten in de barmhartigheid van de hemelse Vader ?
Is het misschien ook zo, dat het waarachtige Christendom wegschuilt in de binnenkamer ? Is het zó zeer in een hoek gedrongen, dat het zich in het openbaar niet meer waagt ?
Wellicht is het ook zo, dat men, de grote men, in het algemeen en zeer oppervlakkig nog wel enkele hoofdzaken van de traditionele leer kent en evenzeer in het algemeen en oppervlakkig veroor deelt als ouderwets gedoe, „waaraan niemand meer gelooft". Er is geen aanrakingspunt, geen klankbodem voor bij de moderne mens.
Ook dat kan er toe geleid hebben, dat het geloof zich terugtrekt in de schuilhoeken van het intieme leven. Doch ook zulk een retraite kan slechts tengevolge hebben, dat het als een schat van de allergrootste waardij, als in de brandkast wordt bewaard, terwijl het natuurlijke leven voortwoekert en de uitgroeiende takken van het geestelijk leven verstikt.
Op die wijze wordt ook dit geloof buiten het alledaagse leven gezet, behoudens de uitwendige vroomheid in eigen kring.
Zo ontstaat een distantie, tussen geloof en leven, welke de centrale werking der religie verduistert. Daardoor wordt in de hand gewerkt, dat de religie, ook de Christelijke, als iets bijkomstigs wordt beschouwd om desgewenst naast en bij onze wereldse beslommeringen een plaats te mogen innemen.
En daartoe nu geven ook mensen, die zich bij uitstek gereformeerd vinden, aanleiding. Er is een vroomheid, die het waarachtig Christelijk geloof besloten wil hebben binnen de sfeer ener mystiek, wier kenmerken tot een klein gezelschap van bevoorrechten wordt bepaald. Die heeft het, en hij of zij is er een van. Buiten die kring is de wereld, die er niets van verstaat. Al wat er buiten ligt, is niets, en alle prediking, die niet beantwoordt aan de smaak dezer lieden, is veracht.
Let wèl, wij strijden hier niet tegen de mystiek des geloofs, die naar de Schriften is. Wij'erkennen, dat de Waarheid Gods geestelijk is en dat de leidingen Gods bevindelijk worden geleerd. Maar wij wijzen hier op verschijnselen in de practijk, die het Chrisendom tot iets aparts en bijkomstigs maken, naast de vele dingen van het alledaagse leven. Het aardse is het natuurlijke en volgt zijn natuurlijke gang en het geestelijke heeft zijn afzonderlijk territoir. Het liberalisme van weleer zei : geloven doet men in de kerk. De moderne mens gaat op in het leven van elke dag. Hoe ver is men geweken van de profetische visie op het ondermaanse, waarover zij de eeuwigheidsglanzen doet opgaan !
Hoe zal men de moderne mens benaderen met het Evangelie ? Zal men het Evangelie pasklaar maken voor de moderne mens ? Of zal de moderne mens zich onder het Evangelie gevangen geven ?
Het eerste kan alleen de moderne mens doen en dan is het Evangelie gemoderniseerd. Dat mag passen in de moderne zakelijkheid, maar dan is het een ander Evangelie, waartegen de apostel waarschuwt, al kwam er een engel uit de hemel.
Het tweede kan alleen God doen, en als Hij het doet, doet Hij het door de prediking van het Evangelie der Schriften.
Daarom dreigt er één heilloos gevaar, als de theologie zich gaat aanpassen bij de moderne mens, en die verschijnselen zijn er ook. Dat gevaar bedreigt de kerk, als zij zich door zulk een geest van aanpassing laat leiden. Zij zal stelling hebben te kiezen tegen de wereld, ook als zij die wereld aangrijpt, en de roep tot bekering opheffen.
Zij heeft zich er voor te wachten, dat zij zich niet bekommert om vele dingen en haar profetische roeping vergeet.
Als de distantie der wereld zo groot blijkt te zijn, dat men geen weg weet om haar te benaderen, dan doet zij goed al haar kracht te werpen op de herverzameling van de uiteengeslagen kerk en niet te rusten alvorens de eenheid en gemeenschap der reformatorische kerken wederom in één verband hersteld is.
De opheffing van de distantie der kerken in gehoorzaamheid des geloofs zal een getuigenis in de wereld zetten, dat niet in gebreke zal blijven naar buiten uit te stralen.
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van donderdag 17 juli 1947
De Waarheidsvriend | 8 Pagina's
Bekijk de hele uitgave van donderdag 17 juli 1947
De Waarheidsvriend | 8 Pagina's