Polemiek?
Het begon zo : begin Juni ontving ik een schrijiven van prof. Van Niftrik, die mij inlichtingen vroeg over wat ik zeide op de Toogdag van de Jeugdverenigingen te Utrecht op de Hemelvaartsdag over de H. Schrift en haar gezag, zulks in verband met de Kleine Dogmatiek van prof. Van Niftrik. Ik stuurde hem het gedrukte referaat (uitgegeven btj de heer Bout te Huizen) en schreef, dat ik bereid was, voor het geval prof. Van Niftrik dit goed zou achten, nader op de dingen in te gaan.
Sinds werd mijn naam één en andermaal in de Gereformeerde Kerk, het weekblad van de Confessionele Vereniging, genoemd. Van bevriende zijde werden mij de nummers van 3 en 10 Juli ter hand ger steld. Om een indruk te geven voor onze lezers en ook billijk te blijven tegenover de schrijver, neem ik uit het artikel: Pseudo-profetie over, wat op mij betrekking heeft en waarin ik de lezers van de Gereformeerde Kerk als afschrikwekkend voorbeeld word gesteld :
„Ik denk aan de wijdvertakte orthodoxie ! Zij is tegenwoordig alleen maar sterk in de afweer. Lees alle blaadjes en redevoeringen : gij hoort tegenwoordig alleen, hoe het niet is. Gij hoort alleen van dreigende gevaren en gevaarlijke ketters. Maar vraag de heren niet thetisch te zeggen — zonder polemiek — hoe het naar hun mening dan wèl is, want ge krijgt nergens behoorlijk antwoord. Er zijn in deze tijd veel wachters op Sions muren, die alleen de wapenrusting en de muren kennen, maar vraag hen niet het Sion, dat verdedigd moet worden, in kaart te brengen, want zij brengen er niets van terecht. In preken en lezingen wordt geageerd tegen allerlei (vooral Bartiaanse) ketterijen en hoog opgegeven van de inhoud der Belijdenisgeschriften — die dan verder bekend wordt verondersteld — wat natuurlijk geenszins het geval is — en die stilzwijgend gelijk wordt gesteld met hetgeen de spreker of preker zelf meent. Men leze b.v. het referaat van ds. H. Bout van Delfshaven over „de Heilige Schrift en haar gezag", gehouden op de Bondsdag (15 Mei 1947) van de Bonden van Ned. Herv. Jongel. en Meisjesverenigingen op Geref. grondslag — een referaat, dat hoofdzakelijk aan een bespreking van mijn Kleine Dogmatiek is gewijd en waarop ik nog eens hoop terug te komen. Men ziet alleen maar gevaren, maar men weet nauwelijks meer, wat men verdedigt en als men dat weet, ontwijkt men de critische vraag, of dat nu de inhoud onzer heerlijke belijdenis is".
In een artikel over Polemiek van 10 Juli lees ik o.a. : „Ik kan ophouden te polemiseren met ds. Ter Haar (waarschijnlijik bedoelt prof. Van Niftrik ds. van der Haar), ds. Bout, de heer Puchinger, zonder te zondigen. Ik kan er nu verder ook het zwijgen toe doen. Polemiek is voor de heer Puchinger een heilige roeping ; voor mij is het een zwaar corvee, waarvan ik me soms afvraag of ik het niet beter laten kon, al heb ik er soms ook grqot en heimelijk plezier in. In dat artikel begint prof. Van Niftrik mijn rede te beantwoorden.
Laat ik beginnen met te zeggen, dat ik voor polemiek niets gevoel. De meeste polemieken zijn sterk in kwalificaties en zwak in argumentatie. Het is meestal een volslagen langs elkaar heen schrijr ven, waarbij de toeschouwers, in dit geval de lezers, de puntigheden en scherpe priklcen het best vinden en het langst onthouden, als de zaak, waarom het gaat, allang vergeten is. De feiten, waarom 't gaat, komen, wanneer de polemiek iets langer duurt, op de achtergrond en het geheel doet de buitenstaander denken aan de verwarring te Efeze in de dagen van Demetrius de zilversmid. Ieder neemt bovendien in het algemeen uit het antwoord van "gedaagde" in zijn krant sledhts op, wat hem zint, en zo krijgen de toeschouwers een scheef beeld. Niet van schrijven, maar wel van met elkaar samen spreken, of nog liever van samen met elkaar werken, verwacht ik iets. Dat kan tenminste allerlei misverstanden uit de weg nemen en de deelnemers aan de conferentie of aan zulk een werkgemeenschap hebben, althans de kans tegenover elkaar billijk te blijven, wat bij polemieken zelden het geval is. Wie neemt daarvoor het initiatief ?
De artikelen van prof. Van Niftrik hebben me in deze gedachte, die heus bij mij niet van vandaag of gisteren is, versterkt. In de stukken is een toon, die mij tegenvalt ; wat ligt hierachter, dacht ik al lezende, voor een mentaliteit ? Vraag de heren niet — voor zulk een toon bedank ik persoonlijk ; dan zet ik liever geen letter op papier. Ik ga hier op niet verder in. wat ik in een persoonlijk gesprek wel zou doen ; 'k proef in dit ene woord iets van een hautain dédain, dat in het kerkelijk gesprek van deze tijd ons al zeer ongelegen komt. Over de algemene vorm, waarin allerlei stellingen geponeerd worden, kun je alleen maar het hoofd schudden. Men, men, en nog eens men . . . . Wie is die "men" ? Als ik goed exegetiseer, behoor althans ook ik tot die „men", volgens de context. Maar ik kan er weer géén vat op krijgen of ik ook behoor tot het gilde, dat niet weet wat het verdedigt. Nu ja, toe maar . . . .
Met „men" is prof. Van Niftrik nogal gul in zijn boek. En daarmede, dat moet ik toegeven, maakt hij het zijn critici niet gemakkelijk. Elke keer vraag je weer : Wie wordt er mee bedoeld ? Misschien ga ik in een volgend artikel daarop nog eens in.
De lezing over het Schriftgezag is een antwoord op de aanval van prof. Van Niftrik in zijn Kleine Dogmatiek. Het begint dus niet bij mij ; het begint bij de schrijver van de Kleine Dogmatiek, die verre van zuinig is met het aanwijzen van velerlei dwalingen in de traditionele beschouwingen. In mijn brochure wees ik op het docetisme, dat prof. Van Niftrik aan de „orthodoxie" ten laste legt — en zo is er nog wel meer. Prof. Van Niftrik schrijft b.v. (pag 240 van zijn Dogmatiek) : „Het is eigenlijk droevig, dat het Protestantse verweer tegen Rome zich altijd bijna in bijzaken verliest en dat op 31 October steeds weer op Protestantse kansels (Jawel !) gezegd wordt, dat de Roomsen door de goede werken en wij Protestanten door genade zalig hopen te worden. Dat is volkomen onjuist. Er worden in de Roomse Kerk haast nog meer lofprijzingen op de genade gehoord dan in onze Protestantse kerken. De goede werken worden volgens Roomse leer als vrucht van de genade aangezien en als God ze beloont door er verdienste aan toe te kennen, dan kroont Hij daarmede Zijn eigen werk. De Rooms-Katholieke Kerk is overvloedig in haar lof der genade : ook Rome belijdt van genade te leven".
Maar prof. Van Niftrik neme het mij niet kwalijk, dat ik al wie naar mij luisteren wil, ga vertellen : dit is volkomen onjuist. Bij Rome is de genade geen genade. Er is genade, die de mens verdient, volgens Rome. En met hoevele woorden de Roomse dit ook zoekt te maskeren en met welke scholastieke termen men ook daaraan zoekt te ontkomen : Wanneer de mens het zijne doet, dan verdient hij genade (meritum de congruo). Is het soms voor niets, dat in de Decreten van Trente het Paulinische "zonder de werken" niet is opgenomen ? Dat is het, wat altijd weer één van de moeilijkheden bij alle theplogische discussie is (en heus daarbij niet alleen), dat ik eerst met mijn tegenstander moet gaan bespreken : wat verstaat u onder dit woord, en dan is voor Rome de genade geen genade voor de volle honderd procent : de mens bereidt zich op de genade voor, stemt met haar in en werkt met haar mede. Dan moge prof. Van Niftrik schrijven : men weet nauwelijks meer, wat men verdedigt, ik blijf op 31 Oct. maar preken, zoals volgens prof. Van Niftrik droevig is, en ik geloof, dat ik het bij het rechte eind heb. Ben ik nu een „negativist" ? Omdat ik in dit punt prof. Van Niftrik geen gelijk kan geven ? Ik meen, neen ! Ik noem nu maar dit voorbeeld naast de andere in mijn genoemde brochure.
En hiermede breek ik voor deze keer af.
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van donderdag 24 juli 1947
De Waarheidsvriend | 6 Pagina's
Bekijk de hele uitgave van donderdag 24 juli 1947
De Waarheidsvriend | 6 Pagina's