De Waarheidsvriend cookies

Voor optimale prestaties van de website gebruiken wij cookies. Overeenstemmig met de EU GDPR kunt u kiezen welke cookies u wilt toestaan.

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies zijn verplicht om de basisfunctionaliteit van De Waarheidsvriend te kunnen gebruiken.

Optionele cookies

Onderstaande cookies zijn optioneel, maar verbeteren uw ervaring van De Waarheidsvriend.

Bekijk het origineel

Samuël, een zoon der Wet

Bekijk het origineel

+ Meer informatie

Samuël, een zoon der Wet

FEUILLETON

4 minuten leestijd

EEN VERHAAL UIT HET HEDENDAAGSE PALESTINA

61)

De hartstochtelijkheid van zijn uitroep had hem thans alle bedeesdheid ontnomen en maakte zelfs, dat hij in zijn uiterlijke verschijning nog groter scheen. Hij keek onderzoekend de hele kring rond, zag, dat allen onder de indruk waren van de ernst van het geval, en dat de jongeren antwoord wachtten van de ouderen.

Het is mij bijna te kras, — waar heeft hij deze gedachten vandaan ? fluisterde Nathans den Thoraschrijver toe. „Geef gij hem maar antwoord. Gij kent hem en gij weet dus wat hij vermag te horen". Maar Sinaï sloeg de ogen neer en talmde. Allen wachtten nu gespannen op zijn uitsluitsel. Het was, alsof Samuel aan de grote vraag van Israël weer eens ter rechter tijd uitdrukking had gegeven.

Eindelijk antwoordde de oude langzaam : „Je wordt een dweper. Pas daar voor op ! Dat is een zaak, waar de Rabbijnen zich mee moeten bezighouden, en niet jij. Ook ik weet de reden niet. Onze Koning, Wien de andere koningen te voet moeten vallen, zal wel komen op Zijn tijd, wij mogen dat niet afdwingen. Als jij het zult mogen beleven, zal je weten, dat Hij het is."

Maar ik moet iedere dag bidden, dat Hij komt, en geheel Israël bidt iedere Sabbat daarom !" zei Samuel met een hoog rode kleur, „en", ging hij hartstochtelijk voort, „ik heb een plaats gevonden bij Hosea, waar staat : „En zij zullen zoeken den Heere, hunnen God en David, hunnen koning, en zullen vrezende komen tot den Heere, en Zijne goedheid in het laatste der dagen. En de grote Mozes heeft gezegd : „Dan zult gij vandaar den Heere uwen God zoeken en vinden, als gij Hem zoeken zult met uw ganse hart en met uw ganse ziel. Daarom vraag ik u allen, ik, die nu een Zoon der Wet geworden ben : Helpt mij zoeken naar de oorzaak, waarom God ons heeft vergeten, en wat wij toch misdaan hebben, dat Hij sedert twee duizend jaren niet meer tot ons spreekt ! Zou Hij er hier in dit land misschien niet weer mede beginnen ?

Ik heb gelezen, dat ook andere volken verdreven zijn uit hun land, maar die zijn ondergegaan, spoedig al, na soms nog geen honderd jaren. En machtige en wijze volken zijn ondergegaan; de Grieken, van wie de onzen zoo veel hebben geleerd, en over wie in de Duitse boeken van Schiltler bijvoorbeeld te lezen is, en de Romeinen, die over de wereld hebben geheerst, en die ons uit ons land hebben weggevoerd. Wat is er dan aan ons, dat de Eeuwige ons nog steeds laat bestaan ? " „Hij heeft een eeuwig verbond met ons gemaakt!" riep Sinaï Tjilpenbloesem uit, en verscheiden anderen vielen hem opgewonden bij. „Kan Hij een verbond maken met enig tijdelijk schepsel ? Dien zal Hij iets van Zijn eeuwigheid moeten afstaan, anders kan de Almachtige geen verbond met iemand maken." En plechtig sprak de Toraschrijver iets uit, dat zich eerst nu in al zijn duidelijkheid voor hem plaatste : "Israël kan niet ten ondergaan, omdat het een verbond heeft met de Eeuwige."

Samuël werd door de grootte van deze voorstelling overweldigd, hij vatte de tentpaal beet, terwijl hij zijn blik op de grond deed rusten. Het was, alsof er door alle gemoederen een schok ging. Niemand zei iets. Bleek en hun opwellende gevoelens geen meester, keken de oude mensen Samuel en elkander aan. Zelfs Sinaï zweeg verschrokken, en hij dacht na over dat woord, dat hij niet door enige logische gedachtengang, maar uit zijn onmiddellijk bewustzijn had gesproken, en welks waarheid en werkelijkheid hem eerst nu al meer en meer doordrong. Toen Nathans zwijgend naar zijn hand greep, werden zijn ogen vochtig.

De jonge Zoon der Wet vond eerst nu zijn woorden terug. Hij stotterde : „Als dat zo is, o, als dat zo is, dan weten zij ook, dat de Almachtige het verbond niet verbroken en ons niet verworpen heeft. Dan heeft Hij nog iets met ons voor. Dan zal Hij zich nog weer tot ons wenden, en het duidelijk aan de wereld tonen, dat wij nog altijd Zijn volk zijn !

(Wordt vervolgd).

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van donderdag 24 juli 1947

De Waarheidsvriend | 6 Pagina's

Samuël, een zoon der Wet

Bekijk de hele uitgave van donderdag 24 juli 1947

De Waarheidsvriend | 6 Pagina's