MEDITATIE
ONMOGELIJK en MOGELIJK
En Hij zeide: De dingen, die onmogelijk zijn bij de mens, zijn mogelijk hij God". Lukas 18 vers 27
In drie van de vier Evangeliën wordt ons de ontmoeting van de Heiland met de rijke jongeling verhaald. Mogen wij daar misschien uit opmaken, dat het een voorval van bijizonder grote lering is!
„Het gevaar van de rijkdom", zoo zouden wij boven de geschiedenis kunnen zetten. Het aardse goed, de voorspoed, zij hebben het hart van de jongeling zó gevangen genomen, dat hij Jezus in zijn leven nog hoogstens een tweede plaats kan inruimen. Het spijt hem wel, maar de eerste plek in zijn hart kan hij de Heiland onmogelijk meer afstaan. Daar bevindt zich zijn bezit.
Zoo keert de rijke jongeman terug. O, het mag ons doen huiveren. Bijna tot Christus gekomen. En toch niet geheel. Daarom geheel niet.
En dan klinkt Jezus diep-ernstige spreuk : „Het is lichter dat een kemel (dat is een kameel) gaat door het oog van een naald, dan dat een rijke in het Koninkrijk Gods ingaat".
De discipelen, die rondom staan, horen dit woord aan; zij, tevoren reeds eenvoudige lieden, en nu in elk geval tellend onder de armen. En zie nu eens, wat het bij hen uitwerkt. Geen leedvermaak. Zoals men tegenwoordig mensen nog wel eens tot elkander kan horen zeggen, wanneer het gesprek juist over rijken gaat: „gelukkig maar, de hemel kunnen zij niet kopen: Klinkt daar doorheen niet de oeroude, duivelse haat tegen degenen, die méér hebben dan wij ? — Neen, de discipelen zeggen of denken niet : „mooi zo, de rijken zijn er dus als het er op aan komt ongelukkiger aan toe dan wij.'' Wij lezen dat zij verslagen worden en zeggen „wie kan dan zalig worden? "
Het is dan ook opzienwekkend genoeg. Wat Christus uitspreekt. Stelt Hij het zalig worden van een rijke niet ronduit onmogelijk ? „Nog éér gaat een kameel door een naaldoog'' . . . . . Maar dit is het verheugende, dat de discipelen de lijn naar zichzelven doortrekken. Als behouden worden zó spoedig zonder meer onmogelijk werd (zoals bij een rijke door het beslag dat het goed op hem heeft), zouden zij, de discipelen, dan misschien niet ook op enige wijze in zo'n hopeloze positie kunnen verkeren ? „Wie kan dan zalig worden ?" Zou het voor hen misschien ook niet een afgesloten weg zijn ?
En dan spreekt Jezus één van die kernwoorden van de Schrift: „De dingen die onmogelijk zijn bij de mensen, zijn mogelijk bij God." Eén van die uitspraken die gelijken op een edelsteen ; hoe dichterbij wij ze beschouwen, des te meer stralen schieten er uit. Voor hoevelen zal er in de loop der tijden uit dit woord de glans der vertroosting geschenen hebben ?
Donker is de ondertoon : „wat bij mensen onmogelijk is —''. Er was een man, bij de wereld groot geheten, die zei, het woord „onmogelijk" uit zijn woordenboek geschrapt te hebben. „De trotse dwaas", zoo zouden wij hem eerder noemen. Hij leerde ook nog wel anders.
„Onmogelijk", is het integendeel niet één van die woorden, die het ganse mensenleven omspannen houden ?
„Onmogelijk", in hoeveel situaties wordt de bitteriheid er van niet doorvoeld? Zie daar die familieleden rondom het bed van een stervende, voor wien geen herstel meer zijn kan; levensgroot staat vóór hen het „onmogelijk". Ja, op hoe vele wegen in het leven wordt niet pijnlijk het „onmogelijk" ontmoet ?
„Maar ik twijfel er niet aan, of het „onmogelijk" wordt het meest omvattend en benauwend gekend, als de mens , aan zichzelven wordt ontdekt, als hij bij het licht van Gods Woord eens tot de kern van eigen leven doordringen leert.
Wie heeft eigen verleden wel eens gezien als één groot stuk schuld, als één doorlopend schreeuwend tekort aan liefde tot God en de naaste, dat gij niet meer herstellen kunt - onmogelijk.
En som nu alles op het terrein van het innerlijke leven maar op.
Hebt gij wel eens gemeend geestelijk in een rechte stemming te verkeren, en geprobeerd, met alle inspanning getracht die stemming vast te houden, en gemerkt dat je het toch niet kon — onmogelijk.
Hebt gij wel eens willen bidden, en getracht het rechte gebed te pakken te krijgen, zoals gij het gaarne hebben wilde, maar het helaas als iets hopeloos onmogelijks gevonden ?
Hebt gij wellicht wel eens in geestelijke duisternis verkeerd, na misschien kort tevoren iets geestelijk licht gehad te hebben, en geworsteld om uit deze somberheid die om u lag, uit die neergedruktheid uit te geraken, en het met de beste wil niet gekund — onmogelijk?
Hebt gij wel eens uw eigen hoogmoed ontdekt, iets gevoeld van die gruwelijke zelfverheffing, die bij de allerkleinste aanleiding u vervult ? En had gij dan soms o zo gaarne die hoogmoedswortel uit willen roeien; maar hij bleek zo taai, bleek niet weg te willen — onmogelijk.
Hebt gij wel eens, gij die ietwat meer gevorderd zijt op de weg der zaligheid, zulk een hartelijke begeerte gehad om iuw leven den Heere te wijden; en hebt gij toen uw eigenliefde als een onwrikbare hindernis gevonden, waardoor het helaas u onmogelijk werd om voor den Heere te leven ?
Het is slechts nog een greep; misschien kunt gij het uit eigen ervaring aanvullen. In al zulke omstandigheden voelen wij het: „het moet anders", en wij kunnen het niet anders krijgen. Ja, dan verstaan wij Jezus' woord; „eerder gaat een kameel door het oog van een naald" — (en dan geldt dat niet alleen voor de rijken). Dan kunnen wij er desnoods nieuwe vergelijkingen naast stellen, en zeggen: eer wordt de oceaan met een emmer leeg geschept, dan dat ik kom waar ik wezen moet. —
Maar hoor nu het woord des Heeren: „wat bij de mensen onmogelijk is, is mogelijk bij God." Heerlijk woord. Er is toch nog een mogelijkheid, — bij God. God kan een weg openstellen, juist waar wij alle uitzicht verliezen moeten.
Zie maar meteen eens naar een Paulus. „Ik de, allergrootste der zondaren". En toch werd het hem mogelijk met vertrouwen te zeggen: „wij hebben vrede bij God". Hij moet klagen over eigen harteloosheid : „het goede dat ik wil, doe ik niet.'' Nochtans, is hij niet in staat gesteld om een leven te leiden Gode ter eer ? — Maar hij weet wel waar vandaan. „Gode zij dank!", roept hij uit. Wat bij mensen onmogelijk was, was mogelijk bij God.
O ja, zegt iemand, dat begrijp ik. Wat mensen niet kunnen klaar krijgen, dat is voor God gemakkelijk. Maar zeg het niet te vlug. Was het voor God „gemakkelijk" een schuldige, ja, altijd opnieuw weer zondige Paulus te verlossen ? Is de Heere een God, die Zijn eigen strafeisend recht op zij kan zetten ? Onmogelijk. — Neen, het werd God, met eerbied gesproken, niet gemakkelijk. Gods eigen Zoon moest sterven, opdat aan het recht voldaan zou worden. En daarna pas kan God de zondaren bij de hand grijpen en ter zaligheid leiden.
Maar zelfs in die diepe weg wilde de hoge God zich begeven om hulpelozen een Redder te kunnen zijn. En thans is het zo dat de Heere niet liever ziet dan zulken,
die in hun zonden en ellenden, tot Hem zich ter genezing wenden.
Ja, nu moogt gij vlieden tot Hem, gij die geen raad meer weet met uzelven. Trekt voor u het uitzicht soms steeds meer dicht; grijpt de wanhoop u aan, als ge denkt aan uzelf; wordt het voor u al onmogelijker uzelf te veranderen; wordt het u steeds ondoenlijker tot Gods eer te leven; ziet gij Gods oordeel al meer onafwendbaar op u af komen; o vliedt tot God, de hand op Zijn eigen woord : „wat bij de mensen onmogelijk is, is mogelijk bij God".
Lezer, een woord van waarschuwing. Er is iets wat op deze dingen ten dele wat lijkt, maar waar de Heere u voor beware : dat is de dode lijdelijkheid De mens die zegt: „ik kan mij niet bekeren", die erkent dat hij het middel van kerkgang en wat dies meer zij niet verwaarloozen mag, — en dan verder zo doodrustig voortleeft ; hij kan toch immers ook niet meer doen ? Zoo heeft hij op keurige wijze de punt van Gods volle eis van zich afgewend, naar zijn hart meent althans. O mogen wij niet, onbewust misschien, in die strik van valse rust worden gevoerd. Mogen wij veeleer gezien worden vóór de troon Gods met dat ellendige volk, dat zich God doet overblijven, dat hulpeloze, schuldige volk; dat misschien zelf wel meent geen verstand van roepen te hebben, maar toch niet aflaten kan te roepen, omdat bij hen de benauwdheden zijn, ja de onmogelijkheden, en omdat zij hebben vernomen dat bij den Heere zijn de uitkomsten.
Nog iets. Hebt gij er wel eens in de verhalen in de H. Schriftuur op gelet, hoe de Heere Christus zo gaarne zag dat de mensen tot Hem kwamen ? Met geloof. Dat is: niet twijfelend aan Zijn bereidheid tot helpen. Christus is nu, naar het lichaam, in de hemel. Maar nog klinkt Zijn geloofopwekkend woord : „Wie tot Mij komt, zal Ik geenszins uitwerpen". En daar staat geschreven: „Degenen, die tot God komen, moeten geloven dat Hij is, en een beloner is dergenen, die Hem zoeken''.
Zegt nu met mij, gij die iets kent van het vlieden tot God: Hoe komen wij? In geloof? Of tot boven toe vol met twijfelingen, steeds de blik gericht op onszelf en op eigen onmogelijkheden ? Juist de wat verder doorgeleiden gaan het steeds meer zien als een gruwel, een zonde in hun leven : het ongeloof. Dat al maar niet komen tot het schouwen, van zichzelf af, op de grootheid en algenoegzaamheid Gods.
Maar zijn wij er toe in staat de vertrouwensgrond van onszelf naar den Heere te verleggen ? Kunnen wij het op onszelf zien afleren ? Ja juist; degene, die zichzelf kent, staat ook hier voor de onmogelijkheid. Maar dan mag ook hier gelden : ,,wat onmogelijk is bij de mensen, is mogelijk bij God". Dat zal ervaren zijn door dien ellendige, die eenmaal bad : „ik geloof, Heere, kom mijn ongelovigheid te hulp". Zal het geloof bij hem niet vermeerderd zijn ?
Het woord van onze overdenking is een rijk woord. Alle dingen mogelijk bij God. En o, dan die uren, dat de mogelijkheid eens werkelijkheid mag worden. Ik bedoel die uren, dat wij niet alleen in onze onmogelijkheden met meer of minder vaste verwachting de blik tot Gods mogelijkheden opslaan, maar die uren, dat wij werkelijk voelen „het gaat!", dat wij ons werkelijk gedragen voelen door goddelijke kracht. Wat kunnen wij dan een afgrond-diepe blikken in de liefde Gods slaan! Ja, als wij dan soms mogen leven in de volle bewustheid van het „God is met mij", dan is met waarheid ons verwonderen mateloos. God met mij! God, die Zich inlaat met mij, doemschuldlig, grenzeloos verdorven, gans machteloos schepsel. Die God die voor mij, die niets ben, alles is. — Ja, wordt dat gevoeld, dan eindigen wij in de eeuwige diepten van Gods uitverkiezende liefde (de verkiezing is om mee te eindigen, niet om mee te beginnen). Dan zien we, dat als God niet Zelf de eerste was geweest om Zijn eeuwige armen onder ons nietelingen heen te steken, dat er dan in der eeuwigheid niets van ons zou zijn terecht gekomen. — En nu, gedragen in die eeuwige armen, is het een leven, waariri wij er door komen, dwars door al onze onmogelijkheden heen. Dan kunnen wij slechts juichen:
de Heer', in Israël geprezen, doet wond'ren, Hij alléén.
„God is groot"; ja, volk van God, moge dat onze levenstoon blijiven. Ons tekstwoord luidde : „de dingen, die onmogelijk zijn bij de mensen, zijn mogelijk bij God". Blijve dat onze levensinhoud. Mogen de mogelijkheden maar nooit aan onze kant liggen. Dat is ook weer zulk een gevaar, dat wij, ziende op ons, ziende ook op eigen zielegesteldheid, denken „nu zal het voorshands wel lopen". Neen, wij kunnen nooit zodanig zijn, dat wij, naar ons ziende, ook maar vertrouwen voor één uur zouden kunnen hebben. Onzerzijds is er de onmogelijkheid om te bestaan, om te smeken, om tot Gods eer te leven, som maar op. Maar „wat bij de mensen onmogelijk is, is mogelijk bij God". Mogen wij daarop leven, tot onze dood toe. Hem ter eere.
(Opheusden)
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van donderdag 24 juli 1947
De Waarheidsvriend | 6 Pagina's
Bekijk de hele uitgave van donderdag 24 juli 1947
De Waarheidsvriend | 6 Pagina's