Meditatie
Een bijzonder wenen
Want velen wandelen anders, van dewelken Ik U dikwijls gezegd heb, en nu ook wenende zeg, dat zij vijanden des kruises van Christus zijn. Filippenzen 3 vers 18
Deze wereld wordt dikwijls een tranendal genoemd. Terecht draagt zij deze naam. Hoeveel tranen worden er elke dag geschreid! Tranen over verlies van dierbare betrekkingen, tranen vanwege lichaamslijden, tranen over smartelijke teurstellingen, enz. enz.
Veel minder talrijk, helaas, zijn de tranen over zonden, tegen een goedertieren God begaan. Dat valt zeer te betreuren. Want de droefheid naar God alleen werkt toch een onberouwelijke bekering tot zaligheid.
Een voorrecht is het, als wij aan dat wenen geen vreemdeling zijn.
In onze tekst gewaagt echter Paulus van een heel ander wenen, een wenen, dat nóg zeldzamer is en in haar zeldzaamheid een aanklacht vormt tegen het geestelijk leven van onze tijd. Was er meer waarachtig geestelijk leven, dan zou dat wenen van Paulus stellig meer voorkomen.
Waarom weende Paulus dan toch ?
De apostel had ontdekt, dat er ontzaglijk veel mensen waren, die vijanden van het kruis van Christus waren. En dat deed Paulus zo'n pijn. Hij had toch zo'n grote waardering gekregen voor dat kruis van Christus. Hij kon het niet begrijpen, dat God voor Zijn geliefde Zoon die vreselijke kruispaal had uitgedacht. Want al hadden mensen geroepen : „Kruist Hem, kruist Hem", Paulus wist, dat het de Heere behaagde Hem te verbrijzelen. (Jesaja 53 vers 10). Het was voor Paulus het grootste wonder geworden. Er was aanbidding in zijn hart, niet alleen jegens de Vader, maar ook jegens de Zoon. Gans vrijwillig had Christus Zich tot naar dat vreselijke kruis doen drijven. „Ik ben niet gekomen om gediend te worden, maar om te dienen en Mijn leven te geven tot een rantsoen voor velen".
Aanbidding leefde er ook in zijn ziel voor God, de Heilige Geest, Die aan die offering van Christus toch ook medegewerkt had. Paulus zag in dat kruis de onmetelijkheid van Gods liefde, maar ook de vreselijkheid van 's mensen zonde. Zó kwaadaardig was het karakter van de menselijke zonde, dat deze alleen door de dood van Christus aan het kruis kon verzoend worden. En daarom was dat kruis van Christus hem zo lief. Daarom wilde hij van niets anders weten, dan van Jezus Christus en Dien gekruisigd.
En nu merkte Paulus, dat er mensen waren, die onverschillig stonden tegenover dat wondere kruis, ja, in vijandschap tegenover dat kruislijden van Christus. En dat bedroefde Paulus. Hij klaagde in onze tekst: en velen wandelen anders, van welke ik u dikwijls gezegd heb, en nu ook wenende zeg, dat zij vijanden des kruises van Christus zijn.
Lezer, als Paulus nog leefde, zou hij dan ook bij ons vijandschap bemerken tegen dat kruis van Christus ? Zou hij dan ook weldra wenende zeggen : Gij zijt nog een vijand van Christus' kruis ?
Misschien wijst ge deze vraag gebelgd van de hand. Hoe kunt gij mij, abonné op "De Waarheidsvriend, dat vragen ? En toch doen wij dat. En daar is aanleiding te over toe. Die vreselijke vijandschap tegen het kruis van Christus is toch zo ontzaglijk breed verspreid en treedt op allerlei wijzen aan de dag. Paulus spreekt van mensen, welker God de buik is. Wie bedoelde de Apostel daarmee? Mensen, voor wie niets belangrijker is dan een lekkere maaltijd? Zulken zijn zeker vijanden van het kruis van Christus. Toch had hij niet zulke lieden op het oog. Ongetwijfeld doelde hij op die dwaalleer aars, die de eenvoudige gelovigen van Filippi trachtten te vangen in, hun dwaalleer. Deze lieden leerden, dat het nodig was vast te houden aan de oude voorschriften van reine en onreine dieren, ook nog, nadat Christus gestorven was en het voorhangsel gescheurd. Als een mens maar getrouw de spijsgeboden hield, mocht hij hopen op de eeuwige zaligheid. Dan had men Christus toch niet nodig als het levende Brood. De buik was hun God.
Zijn er nu nog niet ontzaglijk veel menschen, die menen, dat wat uitwendige godsdienstigheid hen zalig kan maken ? Wat denken wij, lezer ?
Paulus sprak ook over lieden, welker heerlijkheid was in hun schande. Daarmee bedoelde hij niet mensen, die trots waren op hun oneerlijke practijken en die met genoegen vertellen van hun daden, waarvoor zij zich eigenlijk moesten schamen. Neen, diezelfde dwaalleeraars en hun volgelingen beroemden zich op hun besnijdenis, die toch aan het schaamdeel geschiedde. Zij beschouwden die besnijdenis als hun heerlijkheid. Met andere woorden, zij prezen zich gelukzalig, omdat zij het teken van het genadeverbond hadden ontvangen. En dat geslacht is ook in onze dagen nog langjaiet uitgestorven. Zeker, het is een voorrecht, het teken des verbonds ontvangen te hebben, maar wee ons, als wij daardoor menen Christus als de gekruisigde Borg niet nodig te hebben. Dan zijn wij nog mensen, die vijandig zijn aan het kruis van Christus.
Dat mogen wij ons wel door Paulus laten gezeggen. En nu zegt menigeen, dat hij, aan deze overschatting van de Doop niet lijdt. Goed, maar Paulus noemt ook hen vijanden van het kruis van Christus, „welke aardse dingen bedenken".
En nu bedoelde Paulus natuurlijk niet, dat een mens zich geheel aan de aardse dingen moet onttrekken. Wij hebben ook een taak in deze wereld. Helaas, nemen die aardse dingen ons van nature volkomen in beslag. Wij geven ons hart daaraan, en zijn dan daarmede tevens vijandig aan het kruis van Christus.
Als Paulus bij ons die aardsgezindheid zou bemerken, zou hij ook ons wenend zeggen : Gij zijt nog een vijand van Christus' kruis. En dat is vreselijk, omdat die vijandschap zo Godonterend is. Die vijandschap minacht het offer van een Drieenige God. Die vijandschap is zo gevaarlijk.
„Welker einde is het verderf", zegt Paulus hier toch. Het eeuwig verderf wacht een mens, die het kruis van Christus vijandig is en blijft. Geen wonder ook; want geen misdaad is groter, dan het bloed van Christus onrein achten.
Daarom is het zo nodig onszelf nauw te onderzoeken in deze: Wat zijn wij geworden ? Van nature zijn wij allen vijanden van dat kruis van Christus. Zoals Paulus vroeger bittere vijandschap koesterde tegen het kruis van Christus, zo is het ook met een ieder van ons, tenzij wederbarende genade ons van onze jeugd af geschonken was. Zoals Paulus door de arbeid des Geestes van een vijand, een aanbidder is geworden van het kruis, zo moet dat bij een ieder van ons geschieden is dat reeds geschied?
Ga aan deze vraag niet voorbij. De wijze waarop die verandering geschiedt, behoeft niet in alle delen gelijk aan die van Paulus te zijn. Maar de hoofdzaak zal toch bij een ieder hetzelfde zijn. Een ieder, die nu in het kruis van Christus zich verblijdt, zal zich herinneren, hoe hij oog kreeg voor zijn innerlijke vijandschap tegen een goedertieren God. Wie dat ontdekt, voelt zich zwaar schuldig en diep verdorven. Hij zal zoeken van die schuld verlost te worden. In het begin van dat zoeken meent hij zichzelven wel met God te kunnen verzoenen. En juist dan wordt zijn vijandschap tegen het kruis van Christus openbaar.
Gelukkig, de Geest doet geen half werk. Zoals Paulus bekend werd met zijn vijandschap tegen de gekruisigde Christus, zo doet de Heere ook nu nog. Dan gaat een mens treuren om zijn eigen vijandschap tegen dat wondere kruis van Christus. Dat kruiswerk van Christus wordt nu tevens zijn enige pleitgrond bij een rechtvaardig God. En als de Geest dan verder doorwerkt, dan mag hij het vroeg of laat ook geloven, dat hij alleen om die gekruisigde Christus vrede bij God gevonden heeft.
Zalig voorrecht, wanneer dat getuigd mag worden. Wie dat mag en kan, die krijgt het kruis van Christus zo lief. En zo iemand doet het zo innig leed, wanneer hij merkt dat de zijnen, dat zijn naasten, vijanden zijn van dat kruis.
Kennen wij iets van die droefheid om die vijandschap, lezer ?
Zien de onzen onze tranen vanwege die vijandschap ?
Och, wat zijn die tranen toch schaars! Vraagt toch, ware geloovigen, voor wie Christus' kruis de enige grond van uw eeuwig behoud geworden is, vraagt toch om diezelfde tederheid van hart, als hier Paulus bezat.
Gelooft ge niet, dat dergelijke tranen, dergelijk wenend zeggen, een machtige Evangelieprediking is, waaraan onze tijd juist zo ernstig behoefte heeft? En zou de Heere zulk wenen niet bizonder dierbaar zijn? Zoudten deze tranen niet in Zijn fles bewaard worden ?
En zou ook niet een ieder, die wenend getuigt tegen de vijandschap van het kruis van Christus, in eigen hart niet te meer daardoor de innerlijke zekerheid gaan bezitten, dat dat kruiswerk van Christus toch de enige grond is van zijn verzoening met God en van zijn aanstaandte zaligheid ?
(Woudenberg)
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van donderdag 31 juli 1947
De Waarheidsvriend | 6 Pagina's
Bekijk de hele uitgave van donderdag 31 juli 1947
De Waarheidsvriend | 6 Pagina's