Huisbezoek
Te druk, om huisbezoek te kunnen doen. Ziedaar een klacht van predikanten, welke iemand ons deed toekomen met de vraag, of de predikanten niet ontlast kunnen worden van ander werk.
Vooreerst mag worden opgemerkt, dat predikanten in het algemeen overbelast zijn met allerlei zorg en arbeid en daardoor vaak niet bij machte zijn een voornaam stuk van hun kerkelijke arbeid naar wens en behoefte te behartigen.
Een tweede opmerking wil de aandacht er op vestigen, dat de predikanten, met name in de steden en in de grotere plaatsen, zich een veel te uitgebreide gemeente of wijk zien toebetrouwd, zodat er eigenlijk geen beginnen aan is. Het zou toch wenselijk zijn, dat het zielental, aan de herderlijke zorg van een predikant opgedragen, boven de 1200 (hoogstens 1500) niet uitging.
Voorts vergete men niet, dat het huisbezoek ook een taak der ouderlingen is.
Dit alles bedoelt echter niet het huisbezoek van de predikant opzij te zetten of gering te achten. Het tegendeel veeleer.
Hebben wij er niet voortdurend op gewezen, dat het „gewone" werk, de herderlijke zorg voor de gemeente, het voornaamste en zegenrijkste werk van de herder en leeraar is ? Dat begint bij de prediking des Woords, maar strekt zich ook uit over de persoonlijke zielszorg der leden. Het aangezicht van de schapen kennen.
Daarom betreuren wij het ten zeerste, dat juist die persoonlijke zielezorg zoveel tekort komt. Wij vrezen zelfs, dat het veel te weinig gezocht wordt en ook te weinig bevorderd. Er zijn centraliserende invloeden werkzaam, die naar wij vrezen, belemmerend zullen werken op deze allervoornaamste taak van de Herder en Leeraar. De instelling van predikanten voor speciale werkzaamheden in algemene dienst vertoont o.i. ook een schaduwkant. Wij hebben althans de indruk, dat de begeerte om zulk een dienst te verkiezen boven het gewone werk in de gemeente, uit motieven kan voortkomen, die niet in de eerste plaats de echte herder kenmerken. Herhaaldelijk ook hebben wij op bezwaren gewezen naar aanleiding van het groot aantal raden en conmiissiën. Eerlijk gezegd bekruipt ons ook hierbij de vrees, dat het gewone werk daaronder zal lijden en gevaar loopt belemmerd te worden. Dominocratie is een euvel, dat wegens het gewicht van het ambt, spoedig kan ontstaan, als de tucht des Woords wordt losgelaten. Aan de andere kant heeft het ook zijn bezwaren, als men door overoriganitie de zelfstandige ambtsbediening van de Herder en Leeraar al te zeer beperkt.
Er is, alles tesaam genomen, dus reden om te vragen, of er geen weg is, de predikant te ontlasten, opdat hij de herderlijke arbeid met meer kracht kan ter hand nemen.
De vrager wijst zelf op gebruiken en gewoonten om een predikant te vragen voor het openen en sluiten van b.v. een zangvereniging, die een uitvoering geeft, e.d.g., op begrafenissen, lidmaatschappen van besturen en commissies, en zoveel meer. Wij kunnen dat alles niet over één kam scheren. Het hangt ook al weer zoveel van persoon en omstandigheden af.
Men wil het dan ook wel zoeken in het werven van hulpkrachten en er zijn terreinen, waarop dat kan. Wij denken aan het terrein der z.g.n. inwendige zending, arbeid onder van de kerk vervreemden, gezinszorg, ziekenzorg, maar als wij aan de catechisatie komen, begint het reeds moeilijker te worden. Dit toch raakt aan de gemeente in engere zin. Het geldt het onderwijs aan de kinderen der gemeente.
Hier verwacht men de Herder en Leeraar zelf. En dat moet ook kunnen. Met deze overweging raken wij het hart van de zaak.
In de grotere bevolkingscentra is de eigenlijke gemeente uit het oog verdwenen. De kerk omvat niet meer het gros der bevolking, en de bevolking, welke nog in haar registers voorkomt, vormt een conglomeraat van vervreemden, afgedwaalden, onverschilligen en voorts ongeorganiseerde gemeenten, die zich om een predikant vergaderen.
Kon men deze domineesgemeenten organiseren, dan zou men althans evenzovele kernen hebben, die een eigen gemeenteleven konden voeren en gemeenschappelijk de centrale aangelegenheden behartigen als boven genoemd (inwendige zending e.d.g.). In dat geval kon de predikant in de grotere plaatsen, die een eigen gemeente om zich heen vergadert. Herder en Leeraar zijn, en met zijn kerkeraad de gemeente verzorgen.
Predikanten, die zulk een gemeente niet of niet in toereikende sterkte om zich vergaderen konden, zouden hun weg wellicht in de takken van centrale arbeid kunnen vinden.
Tegenwoordig is men niet meer zo afkerig van de domineeskerk als een kwart eeuw geleden, toen wij daarvoor het pleidooi opwierpen. Het wordt wel ingezien, dat het grote-stadsprobleem zijn oplossing zal moeten vinden in decentralisatie (wijken buurtkerken).
Daartegenover laat zich een hoogkerkelijke geest waarnemen, die in menig opzicht de decentralisatie overvleugelt en de ontplooiïngsmogelijkhelen, welke deze zou kunnen brengen, weer belemmeren moet.
Men lette op de kleine kerkgemeenschappen in de steden, die een intiem gemeenteleven kunnen onderhouden, iets van het grote huisgezin, de familia Christi, weten te bewaren. Deze gemeenschappen groeien. Wie van buiten komt en zich in de stad gaat vestigen, vindt gemakkelijk de weg naar de kleine kerken.
Men kan dit alles met hoogmoedig gebaar afwezen als sectarisme, maar men zou er ook uit kunnen leren. De kwaal van het sectarisme zit niet in de kleine gemeente, maar in het op zich zelf gaan staan, in de breuk met het geheel.
De kleine gemeente met de echte Herder en Leeraar, is de kracht van het kerkelijk leven, mits zij voldoende zelfstandigheid behoudt om haar eigen huislhouding te voeren. Zodra de gemeente door een Herder en Leeraar niet meer voldoende kan worden geleid en verzorgd, zou zij een deel moeten afsplitsen om een zelfstandige gemeente te vormen onder een eigen Herder en Leeraar. Het karakter van een huisgezin moet bewaard blijven.
De geschiedenis van het gereformeerde protestantisme kan aantonen, van welk een betekenis het kerkelijk gemeenschapsbesef is kleine kring is, ondanks alle nadelen van het sectarisme.
Deze nadelen echter behoorden te worden overwonnen door de onderhouding van centrale kerkverbanden naar het presbyteriaal beginsel en op de grondslag der gemeenschappelijke belijdenis. Dit ontbreekt aan de ontwikkeling van het sectarisme en dien tengevolge is de kracht van de kerkelijke saamleveing naar buiten gebroken.
Het is uit die hoofde, dat wij pleiten voor een centraal verband van alle gereformeerde kerkgemeenschappen met behoud harer zelfstandigheid in eigen huis. En wij houden ons er van overtuigd, dat ook de Hervormde kerk veel meer rekening moest houden met deze dingen, dan zij doet.
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van donderdag 14 augustus 1947
De Waarheidsvriend | 8 Pagina's
Bekijk de hele uitgave van donderdag 14 augustus 1947
De Waarheidsvriend | 8 Pagina's