De Waarheidsvriend cookies

Voor optimale prestaties van de website gebruiken wij cookies. Overeenstemmig met de EU GDPR kunt u kiezen welke cookies u wilt toestaan.

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies zijn verplicht om de basisfunctionaliteit van De Waarheidsvriend te kunnen gebruiken.

Optionele cookies

Onderstaande cookies zijn optioneel, maar verbeteren uw ervaring van De Waarheidsvriend.

Bekijk het origineel

Samuël, een zoon der Wet

Bekijk het origineel

+ Meer informatie

Samuël, een zoon der Wet

FEUILLETON

7 minuten leestijd

EEN VERHAAL UIT HET HEDENDAAGSE PALESTINA

63)

En waar zal Hij geboren worden ? Te Bethlehem — dat weten wij van der jeugd af aan. Maar ik heb horen vertellen, dat er in heel Bethlehem geen enkele Joodse familie meer woont.

En — uit welke stam ? Wij weten, dat Hij uit het huis van onze koning David zal komen. Maar dat huis kennen wij niet meer. De registers zijn zoek ; hoe zullen wij Hem dan kunnen vinden ?

En toch heeft onze profeet Maleachi voorspeld, dat de troost der gehele wereld tot Zijn tempel komen zal, en dat de heidenen door Hem zich tot ons zullen keren. Ik vraag u ernstig : zoek, en geef mij een antwoord".

Toen zweeg hij en wachtte. De moeder van Mannia boog zich tot de blinde en fluisterde haar toe : „Wees op uw hoede voor jaloerse ogen, en laat hij ook niet vóór de tijd een oud mannetje worden. Want waar heeft dit kind zulke gedachten vandaan ? "

„Dat weet de Eeuwige. Die weet ook, waar hij vandaan komt, en uit welk bloed : wat weten wij daarvan ? Wij weten niets, dan dat hij altijd een heel gehoorzaam kind is geweest".

„De engel Gabriel zal het hem vóór zijn geboorte hebben geleerd", beweerde nu de vrouw van de kleermaker Zalig. Maar Mannia schoof dichter bij de blinde en zei zachtjes : „Ik zou hem ook wel graag willen helpen zoeken, als ik mocht".

Suze trok haar naar zich toe : „Mannia moet ook leren, waar God woont".

„Hij zal het ver brengen ; wij zullen nog heel wat beleven", zo werd er door een groepje gefluisterd. „Hij maakt de ouden beschaamd, want zij weten niet, wat zij hem moeten antwoorden".

Samuel keek om zich heen, of niet ergens iemand aanstalte maakte om op zijn wensen in te gaan, maar bij merkte, dat hij alleen maar werd geprezen en bewonderd, inplaats dat iemand hem hulp verleende. Een hete blos om deze teleurgestelde hartstocht kleurde zijn gelaat. „O, denkt toch niet, dat het er mij alleen om te doen is om als Zoon der Wet een rede te houden", riep hij uit. „Het is mij ernst. O, helpt mij, en helpt tevens uzelf — ons allen !"

„Wij wachten rustig op de profeet Elia, die ons alles zal verklaren", zei eindelijk een dikke man, die slager was geweest. „Wij hebben geleerd om te wachten".

Ach ja, dat was het : ze gingen allen zwijgend, met gebonden handen, en keken uit de verte naar de Messias — heel uit de verte ! Als hij vlak vóór hen stond, zouden zij over hem heen kijken. Alleen de blinde meende, dat hij in de nabijheid was, en dat was het juist, dat haar als een dwaasheid was aangerekend. Samuel strekte onwillekeurig zijn armen uit. O, kon hij hen dan niet allen in vuur zetten en met zich mee voeren ?

„Meent gij dan heus zelf ook niet, dat het tijd begint te worden ? Zouden anders zeer velen niet denken, dat hij helemaal niet meer komt ? Moeten wij hem eigenlijk niet roepen om te komen ? "

„Hoe zou je Hem willen roepen ? Wees toch niet zo onpractisch !" zei Sinaï Tulpenbloesem ernstig, en stond met een afwerende handbeweging op, als wou hij aan het gehele onderhoud een einde maken. „Bestudeer de Thora, en leer daaruit, zoals het een studerende betaamt. Dan zal je gelukkig zijn, en doen wat je te doen staat. En wie zich met het lezen van de Gemara bezig houdt, heeft zeker groter loon. Dat is de weg. Als je dan bovendien je ook nog inspant om de regels en verordeningen te houiden, dan kun je de rest rustig afwachten. Wij roepen Hem niet. Onze Wijzen leren, dat Hij eerst zal komen tegen de voleinding der wereld, als alle zielen het lichaamsleven reeds zijn binnengegaan. Als laatste van die allen daalt dan de Messias naar beneden. Als zij daarbij gedwaald hebben, dan zal Adonai ons daar niet aansprakelijk voor stellen. Wij zijn toch niet wijzer dan zij".

„Laat mij nog één keer iets zeggen, Reb Sinaï, omdat het mijn dag is", smeekte Samuel met veel inspanning.

„'t Is mij goed ; maar denk na, voor je spreekt". Samuel werd bleek en had een ogenblik nodig om op adem te komen.

„Wij allen weten, lieve vaders en broeders, dat er een godsdienst is sedert negentienhonderd jaren, die beweert, dat de heilige profetie reeds vervuld is in . . . . . .  "

„Zwijg ! Zwijg stil ! Verzondig niet jezelf en ons allen door die naam te noemen op je feestdag !" riep de Thoraschrijver heftig, en hief beide zijn armen omhoog. Een gemompel van woede, en tal van verontruste uitroepen hoorde men in een al sterker wordend koor. Zij wilden hem overstemmen en zelfs Suze maakte met een toornig gebaar en met gebalde rechter vuist de beweging van een hamerslag. En tegelijk smeekte zij : „Rekent het hem niet toe, bedenkt toch, dat hij pas dertien jaar is !" Ter zelf der tijd kwam er uit de tent een rustige stem ; „Laat hem rustig doorspreken, als hij alleen de naam maar weglaat, opdat het vergif niet in hem blijft !" Dat was Jossele, de man met de kruik, en zgn raad beviel zelfs de oude Tulpenbloesem zó goed, dat hij er niets tegen inbracht.

Samuel waagde het daarop om door te gaan, terwijl hij smekend zijn blik op zijn pleegvader liet rusten. „Wat is dat dan voor bijzonders, wat ik zeg ? Weet gij dan niet evengoed als ik, wat de Opperrabijn Simon Luzzat zegt ? Het is — zo zegt hij — niet te lochenen, dat naar Daniels profetie de Messias reeds gekomen moet zijn. En ook zegt hij, dat bij al te lang en diep navorschen van het negende hoofdstuk, het gevolg zou moeten zijn, dat al onze geleerden die man aanhingen !"

„Nooit zullen zij die gehangene nalopen, schreeuwde de voormalige slager, en weer scheen door het rumoer Samuel het verder spreken onmogelijk te worden gemaakt. En toch wist hij zijn stem nog te verheffen : „Zij — die anderen, hehben óók de Thora en zij eren toch ook onze Profeten. Maar zij hebben behalve die ook nog andere Schriften, en daar zeggen zij van, dat zij met de onze geheel en al overeenstemmen. Zouden wij ze daarom niet eens ter hand nemen en met de onze vergelijken, nu bijvoorbeeld enige avonden van deze winter, opdat wij niets verzuimen ? Allen samen, zodat niemand van ons gevaar loopt in zijn eentje zijn hart te vergiftien ? En dan altijd tegelijk met onze eigen Schriften, om héél zeker te gaan ? "

Sinaï wou opstuiven, maar zijn vriend Nathans hield hem bij zijn arm en kalmeerde hem. „Neen laten uitspreken ! Het is beter voor hem, en wij leren hem dan tegelijk ook goed kennen".

„Ik heb op school gehoord en in Duitse boeken gelezen van wilde volken, die geen wetten of huwelijk kenden en die leefden als vee, maar die intussen geheel andere mensen zijn geworden, nadat de leeraars van deze godsdienst tot hen zijn gekomen. Altijd, als deze mensen tot hen kwamen, werden de mensen er beter door. Maar wij zijn altijd gelijk gebleven".

„Omdat het met ons in orde was van het begin af aan", riep Tulpenbloesem, die met moeite zichzelf meester bleef. „Wij behoeven geen andere mensen te worden, en wij mógen dat niet eens. Wees toch niet zo dwaas !"

„Maar wij hebben ook geen vreemde volken tot ons overgehaald, misschien niet meer dan een handje-vol personen".

„Konden wij die dan tot ons nemen in het verbond met de Eeuwige ? Moest Hij dat niet Zelf doen, als Hij het wilde ? Stel je eens voor, dat jij waart uitgenodigd door een grote mijnheer ; kan jij dan naar zijn huis meenemen, wie jij maar wil ? Dat zal Hij hun dan toch zelf moeten zeggen, als Hij daar lust in heeft. Jij kunt hen niet tot kinderen Abrahams maken. Zij hebhen ons bloed niet".

(Wordt vervolgd.)

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van donderdag 14 augustus 1947

De Waarheidsvriend | 8 Pagina's

Samuël, een zoon der Wet

Bekijk de hele uitgave van donderdag 14 augustus 1947

De Waarheidsvriend | 8 Pagina's