Samuël, een zoon der Wet
FEUILLETON
EEN VERHAAL UIT HET HEDENDAAGSE PALESTINA
64)
Maar Samuel hield vol: „Toch brengen zg de hele wereld met zich mee en zeggen dan tot die mensen, dat zij niet met hen een gelijk aandeel mogen hebben. Hebben die allen het dan mis ? En wat wil het dan zeggen, dat zij zich in gevaar begeven en onder de heidenen zelfs de dood trotseren om hen maar tot het geloof te brengen ? "
„Wij hebben ook gevaren en dood doorgemaakt onder de volken om der wille van ons geloof !" Merkte Nathans rustig op.
„Maar wij hebben dat alles geleden, omdat wij het niet konden ontgaan, doch niet uit liefde voor die anderen. Het schijnt, dat zij die andere mensen liefhebben. En mogen wij van onszelf wel zeggen, dat wij dat ook doen ? "
„Houden zij dan misschien van ons ? Wij gelden voor hen even veel of even weinig als hondenbloed!" Jossele stootte dat uit, en hij balde daarbij zijn vuist. „Ben jij hier, nu je in dit land bent, dat alles dan ineens vergeten ? "
Samuel liet het hoofd hangen onder het gewicht van die welbekende feiten. Een ogenblik voelde hij zich verslagen, totdat met een sterke vreugde er deze woorden bij hem uit kwamen : „Zij zijn heel verschillend. Die door hen worden uitgezonden, en de heidenvolken willen binnen brengen, die hebben ons óók lief. En die ons haten, die denken er geen ogenblik aan om hun geloof te willen uitbreiden. Die noemen zich wel met een grote, brede naam, die in de halve wereld bekend is geworden, maar zij weten geloof ik zelf niet, waarom zij zich zo noemen. Zij noemen zich alleen maar zo, omdat zij nu een keer in die godsdienst geboren zijn, en zij gaan er niet uit, omdat zij er toch niets voor hebben door te maken of te lijden. Waarom zouden zij afvallig worden ? Maar ik heb nu alleen het oog op die mensen, die uit overtuiging die naam dragen en wat de anderen ons mochten hebben aangedaan, komt op hun eigen hoofd neer".
„Vervloekt en verdelgd mogen zij worden !" riep Jossele verbeten uit.
„Diegenen onder hen, die met overtuiging de naam dragen, bezitten een kracht, die wij niet hebben. En daarom, ik smeek u, laten wij onderzoeken, wat dat toch eigenlijk is ! O, ik vraag het u, op deze mijn dag. Ik ben maar een arme, jonge Borcher — helpt gij mij !"
Nu kon Suze niet langer de storm van haar gevoelens en meningen tegenhouden, en al handelde zij in strijd met de zede, zo barstte zij toch los, zeggend : „Dat komt, omdat zij een godsdienst hebben, en wij hadden er al die tijd, dat wy in de verstrooiing leefden, eigenlijk geen. Wat kunnen wij hun laten zien ? Waarmee zouden wij hen lokken ? Dat komt alles allemaal terecht, als maar eerst de Messias bij ons is. Dan zullen ook de andere volken bij hopen komen en Israël zal weer groot zijn en een licht zijn op de kandelaar. Ja, ik ondersteun het verzoek van onze jongen : laten wij zoeken ! Ook bij die mensen, die menen gevonden te hebben, en dan hun dwaling hun tonen !"
't Was alsof het spreken van een vrouw aan de samenkomst opeens het plechtige karakter ontnam. De grendels waren er nu af en de aanwezigen werden zó levendig, als zou men nu met een woordenvloed het zekerst de opgekomen denkbeelden weer kunnen terneerslaan. Die binnen in de tent hadden gezeten, gingen de open lucht in, en Samuel zat daar bleek, en met een stille klacht, dat zij op zijn verzoek niet in gingen en dat zijn vraag dus eigenlijk onbeantwoord bleef.
Alleen Suze drukte hem met een woord vol liefde de hand, toen zij haar huisje binnenging. Zijn vader wist tussen tevredenheid en toorn nog geen weg en keek langs hem heen, terwijl hij naar enige oudere personen toestapte. Samuels enige hoop was, dat de besprekingen in kleiner kring, die nu begonnen, en die, zoals men dat gewoon was, wel tot de avond zouden duren, nog iets goeds voor hem zouden opleveren.
Diegenen, die de wetenschap graag aan anderen overlieten, gingen 'n eindje lopen, ook al handelden zij daarmee in strijd met de gangbare mening, die vindt, dat op de Sabbat slechts mensen van lossere opvattingen wandelen gaan. En nu bezagen zij hun eigen akkers, een deel van het Erets-Israël. Intussen schaarden zich met groot lawaai de kinderen om Samuel en nodigden hem uit om met hen te gaan spelen, alsof hij nog geheel een van de hunnen was. Met zichzelf strijdend, aarzelde hij een ogenblik, toen begon hij te lachen en sprong ineens op, terwijl hij over het veld holde en hen uitnodigde om hem te vangen. Verrukt over die speelsheid van een Zoon der Wet, stormde de hele schaar hem achterna, luid roepend ; en Schaloom zag een nafeest, zoals men ook vroeger niet gewoon was geweest. Samuel haalde allerlei grappen uit in onbewuste reactie met de ernstige stemming der laatste uren, en ook net alsof hij de schijn van aanstellerij wilde uitwissen, die zijn rede in de kring der ouderen gemaakt had. Toen hij bij het hollen en draven ineens bleef staan om op adem te komen, keek hij met opmerkzaamheid naar de Johannesbroodboom. Daar, zag hij toen de hele levendigheid van het Joods dispuut te voorschijn komen, en ook zag hij, hoe al die magere gestalten met hun grote baarden in ernstig discours waren, en hij begreep, dat dit vooral hem nu gold.
(Wordt vervolgd).
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van donderdag 21 augustus 1947
De Waarheidsvriend | 4 Pagina's
Bekijk de hele uitgave van donderdag 21 augustus 1947
De Waarheidsvriend | 4 Pagina's