De Kinderdoop
Volgens een artikel in „In de Waagschaal" d.d. 1 Augustus j.l., wil prof. Miskotte de discussie over de Kinderdoop, voortzetten althans voortgezet zien. Hij zet daarvoor de kolommen van het genoemde weekblad open.
Inmiddels werd in hetzelfde no. reeds een artikel van ds. L. Nieuwpoort onder de titel: „De Doop als Gods Woord en Werk" bij wijze van inleiding opgenomen. Hij is van oordeel, dat de discussie omtrent de Kinderdoop niet tot een voorr barige rust mag komen. Zondag aan Zondag worden tientallen kinderen gedoopt. De critische vraag naar de rechtmatigheid moet blijven doorklinken, zo merkt hij op.
Inderdaad zit er nog al wat aan vast, en hoewel de Kinderdoop in onze tijd in discussie is gesteld tengevolge van de afwijzing door prof. K. Barth, is dit toch niet de eerste keer in de geschiedenis van de kerk en ook niet de enigste aanleiding. Vroeger en later zijn er geweest, die zich tegen de Kinderdoop hebben verzet. Ook in de tijd der Reformatie was dat zo en daarom is het van betekenis, dat de reformatoren de Kinderdoop hebben verdedigd en onderhouden.
Dit punt is van belang, al mogen wij niet zonder meer redeneren, zoals sommigen plegen te doen: „De vaderen hebben het zo gezien, en derhalve is dat zo". De vaderen hebben van hun geloof getuigenis afgelegd in confessie en geschriften, maar die vaderen zelf achtten dit alles niet onfeilbaar. Integendeel, zij beleden, in beroep op de Heilige Schrift, welke zij als Goddelijke Schriftuur en als enige regel des geloofs beleden.
Het is dus wel een punt van belang, maar indien b.v. ten aanzien van de Kinderdoop aan de hand der Heilige Schrift zou kunnen worden aangetoond, dat deze niet rechtmatig zou zijn, dan zou de kerk, die bij Gods Woord wil leven, de Kinderdoop moeten afwijzen.
Daar nu ligt het moeilijke punt. De Heilige Schrift — en nu met name het Nieuwe Testament — spreekt heel duidelijk van des Heeren bevel om te dopen. Maar als het gaat over de Kinderdoop, houdt de duidelijkheid op, d.w.z., zij schijnt af te hangen van het standpunt, dat men inneemt.
De z.g.n. bewijsplaatsen vóór de Kinderdoop worden door de tegenstanders bestreden. Zelfs ook het woord van Petrus : Want u komt de belofte toe en uw kinderen en allen, die verre zijn, zovelen de Heere er toe roepen zal. Wij houden deze tekst met het Doopformulier nog altijd voor een „sterke" tekst. Juist, omdat hier gesproken wordt van de belofte Gods, en wij zijn van mening, dat deze woorden niet slechts op de kinderen van het toenmalig geslacht der Israëlieten slaan.
Een onwederlegbaar bewijs, dat kinderen werden gedoopt, kan men in het Nieuwe Testament niet aanwijzen. Nog veel minder echter zou iemand het tegendeel uit het Nieuwe Testament kunnen bewijzen, nl. dat kinderen niet gedoopt werden en niet gedoopt mogen worden.
Daarentegen kan iemand de woorden van Matth. 28 vers 19 : Gaat dan henen, onderwijst alle volken, dezelve dopende in de Naam des Vaders en des Zoons en des Heiligen Geestes, wel zo opvatten, dat hele volken moeten gedoopt worden, zodat de Kinderdoop daarin zonder meer zou besloten zijn.
Wanneer deze opvatting juist is, zou er aanleiding zijn om aan te nemen, dat het gehele volk bij de Doop betrokken is, als enkele leden des volks gedoopt zijn. Deze opvatting heeft ook nog meer consequenties. Er staat alle volken. Dat is de ganse mensheid. De betekenis van de Doop zou dan wel zeer algemeen worden; De mens als mens zou gedoopt moeten worden. De gehele mensheid werd Corpus Christianum. De Doop beduidde niet anders dan het algemeen Koningschap van Christus.
Er staat echter nog wat bij: Onderwijst, d.i. maakt ze tot leerlingen (discipelen) van de Heere Jezus Christus. Men zou dat dus kunnen opvatten als een bevel om de volkeren te kerstenen.
De vraag is dan weer, wat men onder kerstenen verstaat. Discipelen, leerjongeren of leerlingen vergaderen zich onder het Woord, voegen zich bij de kerk. In hen wordt de kerk openbaar. En die kerk scheidt zich gewoonlijk af van het volk. Zij vormt oorspronkelijk een vreemd element in het volksleven, een centrum van waaruit het volksleven wordt doorzuurd.
De geschiedenis toont aan, dat het zo is gegaan met de volkeren, die onder het Romeinse imperium waren verenigd en later onder de volkeren van Europa, die door de Zendingsijver werden aangegrepen. De Middeleeuwse samenleving vertoont het beeld van zulk een Corpus Christianum.
Gelet op deze historische gang, kunnen wij dus constateren, dat deze ook een uitleg geeft van het onderwijzen en dopen van alle volkeren. Daarbij is dan echter nog geen sprake van een soort volksdoop, als zou de Doop het ganse volk betreffen. Het gaat in die gang der historie altoos nog in de weg van discipelendoop. Zij, die discipel van Christus gemaakt zijn, worden gedoopt en laten ook hun kinderen dopen.
Dat discipelschap kan zo zeer uitbreiden onder een volk, dat ten naastebij alle leden van het volk, alle volksgenoten gedoopt zijn. Vandaar volkskerk. Dan is de kerk volkskerk. Hoewel daarmede de staatkundige structuur van het volk nog geen kerk is geworden. Het volk bestaat dan nog onder tweeërlei aspect, n.l. als kerk en als staatkundige grootheid. Dat is zelfs niet alleen een kwestie van aspect, naaar het volk bestaat als kerk anders dan als staatkundige gemeenschap, omdat de kerk in aard en wezen en ook in roeping en bestemming, geheel anders is dan een staatkundig bestel.
Dat onderscheid treedt weer duidelijk aan de dag in tijden van kerkelijke decadentie en ontkerstening. De kerk, die begon als een. secte, welke overal weersproken wordt, neigt weer terug naar het sectewezen, valt in kerken en secten uiteen.
En het behoeft geen verwondering, dat de practijk van de Kinderdoop een kwestie wordt. Zij kan een kwestie worden buiten de vraag van Schriftuurlijke rechtmatigheid om, uit louter practische overweging. Het discipelschap doet eigenlijk de kwestie stellen. Maakt tot discipelen en doopt. Het komt eigenlijk weer op het discipelschap neer, wegens de gedoopte menigte, die zich niet als discipel gedraagt. Jarenlang heeft men de klacht gehoord over „gedoopte heidenen", waarmede men eigenlijk geen weg weet.
Het schijnt zich uit een oogpunt van kerksanering aan te bevelen om zich strikt te bepalen bü het onderwijzen en dopen, zodat alleen de discipel gedoopt wordt. En het is deze gedachte, die onmiddellijk de vraag aangaande de Kinderdoop aan de orde stelt, die doet denken, of de bestrijders van de Kinderdoop misschien toch gelijk hebben kunnen. Zo komt men ook weer bij de principiële vraag : Wat zegt de Heilige Schrift.
Wij laten de principiële vraag nog even liggen en beweren geenszins, dat de Kinderdoop om bovengemelde redenen dient afgewezen.
Maar wij zijn ook niet van mening, dat de idee volkskerk over de opvatting van de Doop mag heersen. Het wezen der kerk is niet, dat zij volkskerk is. Haar wezen is, dat zij het lichaam van Christus is. Wij geloven ook niet, dat de kinderen van ons volk moeten gedoopt worden, omdat in zijn geschiedenis de kerk eenmaal als volkskerk openbaar is geworden.
Wij hebben ook voor de toekomst geen verwachting voor de volkskerk. De tekenen zijn er niet, die zulk een verwachting kunnen wekken, en het ligt ook niet in de lijn van de openbaring over de gang van de geschiedenis, die naar de voleindiging neigt.
Maakt dus het doopbevel: gaat dan heen, onr derwijst alle volkeren, dezelve dopende, het verband tussen discipel zijn en doop niet los, en wijst het Nieuwe Testament op dat verband zelfs nauwer als het geloof en doop in één adem noemt, zo houden wij daarmede nog niet aangetoond, dat de Kinderdoop verwerpelijk is.
Er zijn nog meer kanten aan deze zaak.
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van donderdag 21 augustus 1947
De Waarheidsvriend | 4 Pagina's
Bekijk de hele uitgave van donderdag 21 augustus 1947
De Waarheidsvriend | 4 Pagina's