DISCIPELSCHAP en DOOP
Wij wezen op het verband tussen het discipelschap en de Doop. Discipel of leerling zijn bedoelt echter niet maar een les halen of op een school zijn. Veeleer moeten wij het beeld voor ogen houden van een discipelschaar rondom een profeet, denk aan Johannes den Dooper, en ook niet te vergeten Christus zelf. Hoe groot was de schare die Hem volgde, zij het ook voor een groot deel om de spijze, die vergaat.
Discipelen volgen den Meester, hangen Hem aan, leven Zijn leven, ontvangen Zijn onderwijs, gaan Zijn weg. De Heere Jezus zegt het immers, dat de discipel niet meerder is dan zijn Meester. Hij spreekt ook van een volgen in de wedergeboorte.
Het discipelschap wijst alzo op een nauwe betrekking tot Christus in leer en leven.
Zo komt het discipelschap in de directe nabijheid van geloof en — hoewel wij mensen dat bij anderen niet kunnen onderscheiden, is er een discipelschap om de spijze, die vergaat, en een discipelschap des geloofs.
Die geloofd zal hebben en gedoopt zal zijn, zal zalig worden. Het is tot onze zaligheid, dat de Christus in het vlees is gekomen, tot onze zaligheid, dat Hij de Zijnen beveelt : Gaat dan henen, onderwijst alle volken, dezelve dopende in de Naam des Vaders en des Zoons en des Heiligen Geestes.
Doch Hijzelf is het, die de Zijnen vergadert als de opperste Leidsman en Voleinder des geloofs.
Vóór alles dienen wij er op te letten, dat de Heere zich in de Christus aan de gevallen mens openbaart om Zijn goedertierenheid bekend te maken in de verlossing, welke Hij bereid heeft voor een goddeloos geslacht.
En wat nu het discipelschap aangaat, die de stem van Christus horen, worden ook geoefend in een nieuwe gehoorzaamheid. Enerzijds worden zij vreemdelingen hier op aarde, omdat hun leven met Christus verborgen is bij God. Zij verwachten de stad, die fundamenten heeft, welker Kunstenaar en Bouwmeester God is. Maar daarom staat de discipel des Heeren ook zo geheel anders ingesteld op de aardse dingen. Hij smaakt, dat de Heere goed is en dat de ganse aarde des Heeren en van Zijn heerlijkheid vol is. Doch hoe meer hij het goddelijk licht over deze wereld ziet opgaan, als hij leert bij het Woord te leven, hoe meer de zonde in haar verderfelijke werking en oordeel wordt ontdekt. Niet het minst ook in eigen leven. Daarom, als de kinderen des lichts zich verheugen in het licht, laat ook de zonde niet na het licht te verduisteren door de smart der zonde. Het leven van de discipel des Heeren is een leven van wondere blijdschap, maar ook van strijd en smart. En al is het, dat de genade triumfeert over zonde en zwakheid, en de prikkel des doods is weggenomen, de strijd blijft, zolang wij in het lichaam der zonde verkeren. De Catechismus, over de waarachtige bekering handelend, spreekt van de afsterving van de oude en de opstanding van de nieuwe mens. In die strijd is het de discipel, die altijd weer verliest, opdat de genade te meerder worde. Het woord van Johannes de Dooper wordt aan hem bevestigd : Hij moet wassen en ik moet minder worden.
Zo leert de discipel zijn Meester volgen en wordt de genegenheid geboren naar Zijn geboden te leven. Het discipelschap heeft genadevruchten ook in dit aardse leven. Want de discipel dient in enige roeping. Hij verkeert onder de mensen. Hij ziet de onderscheidene levensverhoudingen onder de norm van Gods Wet. Het Evangelie der genade heeft hem tot het profetische Woord gebracht, gelijk de gemeente van Christus van meet af uit het Woord heeft geleefd.
Ook het gezinsleven van de discipel-huisvader valt onder de eis des geloofs en onder de belofte. Moesten de Israëlieten niet de stenen uit de Jordaan tot een teken oprichten, opdat zij hun kinderen de wonderen des Heeren zouden vertellen ? En zou dan de discipel des Heeren zijn kinderen onthouden het Woord en de belofte, waarin hij het eeuwige leven heeft gevonden ?
Wat staat nu nader door de opvoeding der kinderen te leiden in de weg van het discipelschap, opdat zij leerlingen van Christus mogen zijn ?
Was dat niet het bevel aan Israël, opdat het nageslacht het Woord Gods zou bewaren en gesterkt worden in de verwachting Israels. Heeft God Israël niet Zijn Zoon, Zijn eerstgeborene genoemd, ziende op Zijn Christus, en heeft Hij de besnijdenis van de kleine knapen niet bevolen ten achtsten dage ?
Hoe zou dan de discipel des Heeren, die tot het kindschap Gods geroepen is, uit kracht van diezelfde belofte en diezelfde genade zijn kind het veldteken Zijns Heeren onthouden, terwijl de besnijdenis de Israëliet bevolen was zelfs voor de vreemdeling, die in zijn huis was ?
Op welke grond zou het Nieuwe Testament de kinderen onthouden, wat de Heere in het Oude Testament beveelt ?
Men kan op de persoonlijkheid des geloofs wijizen, en terecht. Op de persoonlijkheid des geloofs komt het aan. ivtaar dat geldt voor Israël evenzeer. Het is een zwakheid van onze tijd, dat het persoonlijk geloof zo weinig tot de zekerheid des geloofs komt. De persoonlijkheid maakt ons echter niet los van het organisch verband. Of vindt niet het gebod der naastenliefde mede zijn grond in de eenheid van het menselijk geslacht, waarop de Heilige Schrift met zoveel nadruk wijst ?
Hoeveel te meer spreekt dit ten aanzien van het huwelijk en het huisgezin.
Wij willen in dit verband over het huwelijk, zoals dit in het licht der Heilige Schrift verschijnt, niet uitwijden. Doch persoonlijkheid blijft niet beperkt binnen de grenzen van het individu. De persoonlijkheid breidt zich uit over hetgeen aan haar eigen is, over haar arbeid, over het huisgezin. De persoonlijkheid zet haar stempel op haar betrekkingen. Persoonlijke relaties hebben persoonlijke karaktertrekken.
Deze wederzijdse invloeden maken de huiselijke sfeer uit.
Het ligt alzo buiten alle twijfel, dat ook de persoonlijkheid des geloofs niet begrensd blijft binnen het innerlijke leven van de idividu. Aangezien het Evangelie een kracht Gods is, werkt die kracht door in alle relatiën en wel in de allereerste plaats in het gezinsleven, waar die relatiën zo bijzonderlijk in het teken der verantwoordelijkheid staan.
Waar het hoogste gezag van de Koninklijke Wet in het leven der persoonlijkheid openbaars is geworden, zal ook het besef van verantwoordelijkheid door de liefde van Christus, temeer dringen in al de betrekkingen des levens.
Dit maakt het leven van de Christen in menig opzicht niet gemakkelijker, rnaar het feit kan niet worden ontkend, dat het hoogste gezag doorwerkt.
Het geloof, dat zich individualistisch opsluit of de strijd en de wereld ontvlucht, blijft in gebreke de vitale kracht van het nieuwe, leven uit te stralen naar buiten.
Maar daarom is het buiten reden, om de bediening van de doop aan het individuele geloof te willen verbinden. Dit temeer, omdat wij het waarachtig geloof nooit van het schijngeloof kunnen onderscheiden. Doperse practijken zouden slechts tot willekeur en individualisme aanleiding geven.
Aan de andere zijde kan de kerk ook niet alles dopen, wat in het doophuis komt, omdat dit zeker tot ontheiliging van het sacrament aanleiding zou geven.
Zoals reeds opgemerkt werd, ligt er trouwens meer verband tussen gezinsleven en doop, dan men wel eens onderstelt. Ds. Nieuwpoort in zijn betoog aangaande de kinderdoop, waarop wij wezen, wijst ten onrechte het verband tussen geboorte en doop af. Het Doopsformulier echter denkt er wel anders over en wij houden dit voor terecht en Schriftuurlijk.
De betrekking tussen kerkelijk en gezinsleven is in de Heilige Schrift niet ongewoon. Denk aan het apostolische woord, dat voor het ambt van ouderling uitsluit, die zijn gezin niet wèl weet te regeren. Zulk een is dus niet waardig het huisgezin Gods te regeren. Dat „wèl regeren" van het gezin stelt derhalve zekere eisen, die Christus ook voor de kerkregering vraagt. (Vgl. 1 Timoth. 3).
Hier spreekt weer het discipelschap in zijn vrucht des geloofs.
Een ander woord van de apostel zegt, dat de man door de vrouw en de vrouw door de man geheiligd is ter zake van de eenzijdige bekering van man of vrouw. En zouden dan de kinderen niet door de vader of de moeder geheiligd zijn ? De Heilige Schrift laat ons niet in het onzekere, want zij voegt er bij : „Anders waren uwe kinderen onrein, maar nu zijn zij heilig". (Vgl. 1 Cor. 7 vs. 14).
De apostel Paulus spreekt hier geen onduidelijke taal ten aanzien van de kinderen. De eerste vraag van het Doopformulier, aan de ouders gesteld, komt daarmede overeen. En het is opmerkelijk, dat in de discussie omtrent de kinderdoop, waarop wij boven gewezen hebben, zo weinig met deze dingen wordt gerekend.
In zijn artikel : „Over ons hoofd heen" (In De Waagschaal, dd. 1 Aug. j.l.) wijst prof. Miskotte er wel op, dat de kinderdoop in onze belijdenisschrifiten is verankerd, en dat men dat feit niet kan veronachtzamen. Tussen haakjes vraagt hij : in hoever geldende ? Deze vraag ziet op de belijdenisschriften.
Indien de belijdenisschriften op enig punt niet zouden gelden, dan zou dit betekenen, dat de kerk tot de ontdekking kwam, dat zij in zoverre niet in overeenstemming ware met de Heilige Schrift. Maar dan past daarbij ook het Schriftgeloof der reformatoren, waarvan zij in diezelfde belijdenis rekenschap geven.
Men zou dus in de eerste en voornaamste plaats over het Schriftgeloof der reformatoren moeten handelen. Immers, indien men het met het Schriftgeloof, dat aan de belijdenisschriften ten grondslag ligt, niet meer eens is, zal men ook andere inzichten huldigen aangaande verschillende geloofsstukken.
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van donderdag 28 augustus 1947
De Waarheidsvriend | 6 Pagina's
Bekijk de hele uitgave van donderdag 28 augustus 1947
De Waarheidsvriend | 6 Pagina's