Hoe men de Kerk ziet
Achter de kwestie van de kinderdoop ligt de vraag : Hoe ziet men de Kerk ? Zo begint ds. L. Nieuwpoort een artikel (In De Waagschaal, dd. 8 Aug. j.l.) over de kinderdoop.
Hij memoreert drie opvattingen : De eerste, die de Kerk tracht te verstaan uit de wedergeboorte. Hij meent, dat de wedergeboorte voorafgaat aan de roeping, het geloof, de bekering, de gehoorzaamheid en eigenlijk ook aan de Kerk.
De tweede visie, ziet de Kerk vanuit het Verbond. „Onder het verbond versta ik dan die eigenaardig gestabiliseerde verhouding van God en mens, zoals die ten grondslag ligt aan de typisch-Nederlandse, na-reformatorische verbondsleer", voegt ds. N. er aan toe. Iets verder : „De mens kan rustig zijn, want God heeft zich aan de mens verbonden". „Ook rustig in de zin van beweging-loos".
Bij de eerste opvatting is de kinderdoop een probleem. Zij leidt tot de constructie van veronderstelde wedergeboorte. Bij de tweede opvatting heeft men met de kinderdoop geen moeite, zo oordeelt ds. N. verder.
En dan komt hij tot de vraag, of tussen deze twee opvattingen niet de nadruk moet gelegd op de Kerk als coetus fidelium.
Deze opvatting wordt dan uitgebreid tot „de gemeenschap der geroepenen, die deze roeping in het geloof aanvaarden en in gehoorzaamheid belijden" ; wederom uitgebreid tot „de gemeenschap der door God aangesprokenen, die deze aanspraak laten waar zijn in het geloof en haar belijden in de bekering".
Dit laatste wordt dan weer wat nader bepaald : „Maar dan ook in strikte zin de Kerk als gemeenschap der belijders".
En daarin nu is volgens ds. N. moeilijk plaats te vinden voor de kinderdoop.
Immers de Kerk is als menselijke werkelijkheid, wat ze toch zeker ook is, niet denkbaar zonder het verantwoordelijke en persoonlijke doen van de mens : hij gelooft, hij belijdt, hij gehoorzaamt, hij volgt, hij aanvaardt, hij antwoordt. Hier vindt ds. N. de kinderdoop een storend element, en dat is verklaarbaar, want het gaat h^m om het persoonlijke, om de verantwoordelijke daad van de mens.
De typering van de beide eerste opvattingen omtrent de Kerk heeft iets eigenaardig persoonlijks, zoals ook de door deze schrijver verdedigde opvatting : „de gemeenschap der door God aangesprokenen". Uit theologisch oogpunt ware nog wel iets op te merken aangaande wedergeboorte of verbond, waaraan de schrijver voorbijgaat. Wij laten dat rusten, maar vragen ons toch af, of zijn opvatting recht doet aan beide, zowel aan de wedergeboorte als aan het verbond.
Ook hier weer is het opmerkelijk, dat wel over een opvatting van dr. Kuyper, van dr. Van Ruler en van ds. v. N. gesproken wordt, maar niet over wat de kerk der reformatie over haar wezen heeft gezegd. Dit te meer, omdat de schrijver van dit artikel klaar aantoont, hoezeer b. v. de opvatting van de kinderdoop saamhangt met of wordt beïnvloed door de opvatting der kerk, waarvan men uitgaat.
Artikel 27 der Ned. Geloofsbelijdenis zegt : „Wij geloven en belijden een Katholieke of algemene Kerk, dewelke is een heilige vergadering der ware Christgelovigen, alle hun zaligheid verwachtende in Jezus Christus, gewassen zijnde door Zijn bloed, geheiligd en verzegeld door de Heilige Geest".
In welk opzicht is nu de opvatting van ds. v. N. voortreffelijker, zo vragen wij ? Hij begint met gemeenschap der gelovigen. Dat is, hoewel ruimer gesteld, nog te verstaan als gemeenschap der waregelovigen. De belijdenis ziet klaarblijkelijk op de gemeente zonder vlek en zonder rimpel, op het ware lichaam van Christus, het geestelijk Israël.
Zo kunnen wij geen kerk op aarde hebben. Dit weet de belijdenis blijkens het volgende artikel ook wel. Maar ds. v .N. schrijft Kerk ook met K en bedoelt dus de waarachtig gelovigen.
Maar als hij nu nader gaat omschrijven, komt hij tot zo iets geheel anders : „en daarom ook der geroepenen, die in die roeping gerechtvaardigd en geheiligd zijn, waar en wanneer ze in het geloof, in de navolging der liefde beantwoord wordt".
„In die roeping gerechtvaardigd", herinnert dit misschien aan Rom. 8 vs. 30 ? Dan ware het toch juister te spreken van de gemeenschap der uitverkorenen. (Vgl. vs. 29).
Wat heeft men voorts te verstaan onder „in het geloof de roeping beantwoorden". Men heeft in zekere kring voorkeur voor de uitdrukkingen : aangesproken worden en antwoorden, maar betekent dat antwoorden dan hetzelfde als : zijn zaligheid verwachten in Jezus Christus, gewassen zijnde door Zijn bloed, geheiligd en verzegeld door de Heilige Geest ?
Is die taal duidelijker ? Moeten wij hier nu een voorbeeld hebben van vertolking van het Evangelie voor de wereld van vandaag ?
De reformatoren maken zo grote ernst met het Evangelie, dat „Jezus Christus in de wereld gekomen is om zalig te maken, wat verloren is". De engel sprak : „Ik verkondig u grote blijdschap, n.l. dat u heden geboren is de Zaligmaker". Heel de Godsopenbaring in Christus en door Christus ziet Calvijn in het licht van Gods genade jegens ons en zo spreekt ook de belijdenis: alle hun zaligheid verwachtende.
En wat het persoonlijke doen, deelnemen van de mens aangaat, wij zijn het eens, dat er bij ons eén geloven, belijden, aanvaarden moet zijn. Het is met name tegen een eenzijdige opvatting, welke de schrijver bestrijdt, o.a. bij Van Ruler, dat hij op dat persoonlijke deelnemen de nadruk legt. En als hij afwerend zegt, dat men Barth zulk een eenzijdigheid altijd heeft verweten, mogen wij wel even opmerken, dat daartoe aanleiding was en ook door andere vereerders van Barth werd gegeven.
Wij ontkennen voorts niet, dat de opvatting omtrent de kerk op haar beurt van invloed kan zijn op de opvatting aangaande de kinderdoop, maar dan vragen wij, of de hier voorgedragene ook niet aan eenzijdigheid lijdt.
Het woord van Christus tot Nicodemus „Gijlieden moet wederom geboren worden", blijft toch van kracht! De Doop wordt ook het bad der wedergeboorte en de afwassing der zonden genoemd. Tegenover het dopen met water, wordt het dopen met de Heilige Geest gesteld. Teken en betekende zaak zijn nog niet hetzelfde. En zo speelt in de doopsbeschouwingen ook een opvatting van het sacrament een rol.
De Heidelb. Catechismus spreekt van heilige en zichtbare waartekenen en zegelen, van God ingezet, opdat Hij ons door het gebruik daarvan de belofte des Evangelies beter te verstaan geve en verzegele, n.l. dat Hij ons vanwege het enige slachtoffer van Christus, aan het kruis volbracht, vergeving der zonden en het eeuwige leven uit genade schenkt. Vgl. ook art. XXXIII der Ned. Geloofsbelijdenis. Hier wordt ook op de beloften Gods gewezen en worden de sacramenten tekenen en zegelen genoemd van een inwendige en onzienlijke zaak, door middel waarvan God in ons werkt door de kracht des Heiligen Geestes.
Art. XXXIV, van de Doop handelend, belijdt, dat wij in de kerke Gods ontvangen worden en van alle andere volken en vreemde religies afgezonderd worden om geheellijk Hem toegeëigend te zijn. Het sacrament dient tot een getuigenis, dat Hij in eeuwigheid onze God zal zijn, zijnde een genadige Vader.
De belijdenisschriften wijzen dus op de beloften Gods in Christus, waarvan het sacrament een teken en zegel is, waarvan het een zichtbaar getuigenis is. Zij stellen de mens onder de vermaning tot gebruik van het sacrament en wijzen op het inwendige en onzienlijke werk Gods. De vrijheid valt aan Gods kant. De spanning ligt in de worsteling om de zekerheid des geloofs.
Daarin komt nu juist het verbond te hulp. Immers heeft de mens in zichzelf geen bestand, en geen gerechtigheid. Hij blijft een zondaar en God blijft de Souvereine Majesteit. Waarom zou Hij die zondaar, ook al heeft Hij hem genade bewezen, niet en dat rechtmatig kunnen verwerpen.
De troost van dit eenzijdig verbond Gods komt thans naar voren, omdat God zich daardoor — om het menselijk uit te drukken — verplicht heeft Zijn voornemen aangaande de mens niet te veranderen. Daarom kan de zonde de genade Gods niet teniet doen en vermaant het Formulier van het Heilig Avondmaal aan Gods genade niet te twijfelen, als wij in zonde vallen.
Zo was voor de reformatoren het Evangelie der zaligheid de centrale kracht, zowel voor hun Kerkbeschouwing als voor die van het sacrament, zodat wedergeboorte, verbond, geloof, daarin tot hun recht kwamen.
Door de bediening van Woord en Sacrament is die kracht Gods werkzaam op een inwendige en onzienlijke wijze en men komt onder de prediking des Woords en tot de bediening der Sacramenten, niet alleen, omdat men aan die werking deel mag hebben, maar ook opdat men daarin dele. In het leven des geloofs blijven omdat en opdat steeds levend, omdat het leven nu eenmaal leeft en beweegt.
Het moge duidelijk zijn, dat de reformatoren geen twijfelachtig antwoord hebben gegeven op de vraag, of men ook de jonge kinderen zal dopen.
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van donderdag 28 augustus 1947
De Waarheidsvriend | 6 Pagina's
Bekijk de hele uitgave van donderdag 28 augustus 1947
De Waarheidsvriend | 6 Pagina's