Samuël, een zoon der Wet
FEUILLETON
EEN VERHAAL UIT HET HEDENDAAGSE PALESTINA
65)
Fanuël Lemberger was reeds na de eerste pauze in de gesprekken met kleinerend gebaar weg gegaan, terwijl zijn vader onder de oudemannetjesachtige opmerkingen van zijn zoontje Chaim aan de debatten deelnam en de zo dorre toestand van zijn ziel liet zien door allerlei opmerkingen, naar aanleiding van wat de anderen zeiden. Hij veroorzaakte steeds nog maar meer verwarring door allerlei dingen, waar iedereen het mee eens was, als heel bijzondere waarheden aan de dag te brengen, en zo hield hij door al z'n 'beweringen 't doorbreken van het rechte inzicht juist nog temeer tegen. Scherpe en wankele redenaties werden van allerlei zijden geuit en allerlei dingen werden besproken, die er naast waren. Soms ook troffen hun woorden elkander wel, maar niemand gaf zich gewonnen en niemand kon ook overwinnen. Er was maar één manier, waarop er aan het gevecht een einde kon komen : door uitputting van krachten, als hun hersens moe werden en hun tong zwaar. Maar dat duurde nog een hele poos. Wie deze donkere gezichten met de diepe trekken en rimpels had waar genomen, zou ook hebben gemerkt dat de onderlip zich langzamerhand verplaatste als een borstwering, waar een waterval langzamerhand overheen stort. Dit was in de verstrooiing de enig geoorloofde manier geweest, waarop Joodse mannen de namiddag van de Sabbat mochten doorbrengen, want zij kunnen bij de heilige dingen niet zo lang hun mond houden.
Mandel en Rea waren weggegaan, toen de vergadering uit elkaar ging, want de jonge schoenmaker had weinig belangstelling voor die discussies, waarbij hij het telkens moest afleggen tegen ieder, maar een beetje gewiekst, halfwas. Zijn geest en wil waren gedurende de rusturen van de Sabbat op iets anders gericht, en wel op een bezigheid, die hij voor zijn geweten evengoed als een godsdienstige beschouwde : het aanplanten van jonge bomen op het terrein van het „dode land", — en dan het oculeren, snoeien en omheinen van jonge spruiten, die hij in die streek en op de hellingen ontdekte. Daardoor ook hielp hij mee om het land weer levend te maken.
Sedert weken had hij de vrije uren van de Sabbat daarvoor gebruikt. Reeds was er op die manier een kleine verzameling boompjes ontstaan, die hij zijn „Sabbatsbos" noemde. De voortdurende uitbreiding van dit gebied en het zichtbare gedijen van deze stammetjes was voor het jonge paar een blijdschap, die niemand hun benijdde. De vreugde van Mandel was bovendien van een soort, waar niemand jaloers van wordt. Als hij droog gerstebrood at, was hem dat al naar dat het hem in zijn fantasie inviel: soep, gebraad of koek. Als hij zijn oude wanbuis van schapenvel aandeed, was hem dat een pels, een buis of een zijden kaftan, al naar gelang hij als voornaam mijnheer een of ander kledingstuk nodig had. Zijn krukje, van hout van een kist gemaakt, was hem een mooie zetel, en zijn knappe vrouw scheen hem toe het diadeem van een koningin te dragen. Zij lachte, als hij soms diep voor haar neerboog, zoals een Joodse man niet gewoon is, en speelde dan vol humor de haar toegedachte rol, in grote overmoed pralend, zoals anders geen Joodse vrouw het zou wagen.
Ook vandaag had hij een groepje jonge boompjes in de schaduw van een helling van de berg willen uitplanten, en Rea hielp hem daarbij. Niemand wist het, hoe gelukkig zij waren, want de reden van hun vreugde gedoogde niet, anderer oogen en ooren daar veel van te verraden. Rea's zwaarmoedige schoonheid werd als van binnenuit doorschenen, en als zij de stammetjes vasthield, terwijl Mandel in knielende houding de losse teelaarde wat aandrukte, sprak hij menigmaal net als de Gojim, als zij in die houding een liefdesverklaring afleggen. En zij sloeg hem glimlachend met een takje — zoals ook geen rechtschapen Joodse vrouw ooit zou wagen. Of zij deed alsof zij boos was, tot hij smeekte : „Lach nu nog eens !" — of totdat hij haar met gehuichelde verontwaardiging voorhield, dat zij hem toch zelf had willen hebben en hem had gevraagd, en dat zij zich daarnaar had te gedragen. Dan legde hij in groot zelfbewustzijn de verklaring af : „Nu, heb ik je het zelf niet gezegd, dat ik je het geld voor de Marschallik wou besparen ? " En zij hadden schik over het geheim van dit hun tweeën alleen bekende feit.
(Wordt vervolgd).
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van donderdag 28 augustus 1947
De Waarheidsvriend | 6 Pagina's
Bekijk de hele uitgave van donderdag 28 augustus 1947
De Waarheidsvriend | 6 Pagina's