De Waarheidsvriend cookies

Voor optimale prestaties van de website gebruiken wij cookies. Overeenstemmig met de EU GDPR kunt u kiezen welke cookies u wilt toestaan.

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies zijn verplicht om de basisfunctionaliteit van De Waarheidsvriend te kunnen gebruiken.

Optionele cookies

Onderstaande cookies zijn optioneel, maar verbeteren uw ervaring van De Waarheidsvriend.

Bekijk het origineel

REPLIEK

Bekijk het origineel

+ Meer informatie

REPLIEK

20 minuten leestijd

Naar aanleiding van het artikel van Prof. dr. G. C. van Niftrik in de „Gereformeerde Kerk" van de 31ste Juli 1.1. : De menselijkheid van de H. Schrift en de zondeloosheid van Christus.

Toen ik tijdens mijn vacantie in Hoogeveen was, liet een vriend mij het nummer van de „Gereformeerde Kerk" van de 31ste Juli lezen, waarin een artikel van prof. Van Niftrik voorkwam over de menselijkheid van de H. Schrift en de zondeloosheid van Christus. Terug van vacantie, heb ik ten spoedigste van een abonné op de „Gereformeerde Kerk" in Rotterdam, het nummer geleend om dit artikel, dat bedoeld is als een antwoord op wat ik naar aanleiding van de Kleine Dogmatiek van prof. Van Niftrik zeide en schreef, te bestuderen. Dat dit antwoord komen zoude, wist ik. Prof. Van Niftrik had mij n.l. geschreven : U zult begrijpen, dat mij aan mijn goede naam wel iets gelegen is, en dat ik — (onleesbaar) onmogelijk dergelijke aantijgingen op mij kan laten zitten.

Dit antwoord geeft mij geen enkele aanleiding om ook maar iets van wat ik schreef, terug te nemen. Veel meer ben ik versterkt in de juistheid van wat ik schreef over de opvattingen van prof. Van Niftrik. Ik kan niet anders zeggen, dan dat dit artikel mij erg tegenviel. Veel meer nog dan de Kleine Dogmatiek, welks verschijning ik met blijdschap tegemoet had gezien, omdat aan een dergelijk boek inderdaad voor het onderwijs dringend behoefte is, zoals mij uit eigen ervaring elke week weer blijkt.

Zelfs voor een professor schijnt lezen een moeilijke zaak te zijn ; ettelijke dingen worden mij n.l. in het artikel aangewreven, die ik noch gezegd, noch bedoeld heb !

Een verslag uit het Kerkblad van de Ned. Herv. Kerk van de Ring Zwijndrecht wordt aan de lezers van de „Gereformeerde Kerk" voorgezet, zonder dat dit verslag naar wat ik werkelijk gezegd heb, wordt gecorrigeerd, en dat, terwijl prof. Van Niftrik in bezit is van de brochure ; voor wat in een krant staat, ben ik toch niet verantwoordelijk ! Ik heb in Utrecht geleerd, prof., dat ik citeren moet uit de bronnen en dat ik de citaten moet controleren.

Volgens dit verslag zoude ik gezegd hebben : De grote vraag is, wat men in de Synode verstaat onder het normerende gezag van Schrift en Belijdenis. In werkelijkheid staat geschreven op pag. 2 : Voor ons is het van het allergrootste gewicht niet maar te vragen wat „men" onder het gehoorzamen aan de H. Schrift verstaat, maar wat er naar het zelfgetuigenis van de Schriften en overeenkomstig de Belijdenis onder verstaan moet worden. — Ik heb de Synode niet genoemd.

„Ook de sub-Commissie voor het werk onder de jonge lidmaten van de Herv. Jeugdraad huldigt zulke onschriftuurlijke beginselen". Aldus het verslag. In werkelijkheid schreef ik : „In een studieschema : Hoe verstaan we de Bijbel, uitgegeven door de sub-Commissie voor het werk onder de jonge lidmaten van de Herv. Jeugdraad, vinden we soortgelijke beschouwingen. Ook hier een dualisme tussen Bijbel en Woord Gods". Mij dunkt : dat is nog wel wat anders. Ik denk er niet aan, een gehele Commissie onschriftuurlijke leringen toe te schrijven ; ik deed dit ook niet. Ik zou het zelf ook al heel weinig waarderen, wanneer één of andere recensent van het door de Herv. Jeugdraad uitgegeven boekje : „De Bijbel in het Jeugdwerk", mij ten laste legde de onjuiste tekeningen, die hier en daar in dit geschrift ten beste worden gegeven, omdat ik lid ben van de Jeugdraad. Dus denk ik er ook niet aan, dat anderen aan te doen.

Ook dit dus niet gezegd, maar de lezers van de Geref. Kerk wordt dit zonder nadere correctie voortgezet. Als ik in de stijl van prof. Van Niftrik wilde blijven, zou ik zeggen : Men moet maar durven ! Ook in het vervolg van dit antwoord zal ik soortgelijke dingen moeten zeggen, tot mijn spijt.

Het is nu eenmaal niet mogelijk het gehele artikel over te nemen. De wijze van polemiseren is dezelfde als in de vorige artikelen, zoals ik dat in De Waarheidsvriend van de 24ste Juli signaleerde. Over de onvruchtbaarheid van polemiek ben ik nog steeds overtuigd, 'k Noem een paar dingen : Prof. Van Niftrik schrijft : Men moet maar durven. Elders leest ge : Ds. Bout wil zijn hoorders diets maken. Weer elders op een andere plaats : Ik ga al deze liefelijkheden stilzwijgend voorbij. Stilzwijgend, ja, dat is wel heel juist ; ik glimlach over zoveel goedmoedigheid. Dat doe ik niet, Prof ! Wanneer u mij van Docetisme beschuldigt en mij een mechanisch inspiratiebegrip toedicht, dan ga ik deze liefelijkheden niet stilzwijgend voorbij dan vertel ik aan ieder, die naar mij luistert, dat de Prof., die zulks met veel verheffing van stem zegt en met veel voorhoofdgefrons verklaart, het mis heeft. Ik ga verder : ds. Bout heeft misgetast. — ds. Bout is bang — ds. Bout vergist zich — enz. Weer een ander woord: „Deze bewering van ds. Bout (straks hoop ik nader op die bewering in te gaan — Bt.) behoort tot die vele ongefundeerde en onbewezen beweringen over Barth, waarmede tegenwoordig de gemeente aan het schrikken wordt gemaakt en waarmede zij kopschuw wordt gemaakt voor Barth en zijn theologie. Er zijn tegenwoordig een heleboel dominé's, die lezingen houden en artikelen schrijven over Barth, zonder al te veel van hem zelf gelezen te hebben. Dat zijn dus orthodoxe dominé's, die het met het negende gebod niet al te nauw nemen". Hoe vindt u zulks ? U schrijft hier meer, dan u verantwoorden kunt. Prof. ! Als ik wat van uw woorden mag overnemen — en in uw stijl mag blijven, dan zoude ik schrijven : Dat moet de lezers van de Geref. Kerk aan het schrikken brengen ! Zouden we niet beter doen, althans aan elkaars goede trouw vast te houden ? En weet u dat zo zeker, dat ik niet al te veel van Barth gelezen heb, Prof. ? En toch, ja, ik denk iets dergelijks ook wel eens : Er zijn tegenwoordig mensen, die lezingen houden over en artikelen schrijven over de oud-prot. theologie, over het neo-Calvinisme, zonder al te veel van die oud-prot. theologen, en van die neo-Calvinisten te hebben gelezen. Ik ken een Kleine Dogmatiek, waarbij de schrijver zich een oordeel aanmatigt over deze theologen, zonder hun boeken te hebben geraadpleegd ! Noch de Synopsis, noch enig werk van Kuyper of Bavinck, noch, ja, wat al meer ware te noemen, is geraadpleegd ! Dat blijkt uit de lijst van geraadpleegde literatuur.

Het is waar Prof., er wordt veel onbewezen en ongefundeerd beweerd. Ik ken een Prof., die beweert, dat het geloof in de „orthodoxe tijd een aanvaarden was van geloofswaarheden, het geloof zij intellectualistisch geworden zijn". (KI. Dogmatiek, pag. 200), terwijl hij het bij Voetius en de mannen van de nadere reformatie anders had kunnen lezen. Ik lees in een boek, dat de opvatting van de Schriftinspiratie bij de Orthodoxie mechanisch van aard is, dat de Orthodoxie een mechanische Schriftopvatting heeft, maar als ik slechis een enkele stelling uit de Synopsis, het leerboek van de orthodoxe tijd, vertaalde, bleek daaruit, dat de Prof. te boud gesproken had in zijn zucht tot generaliseren, om daarmede de problemen wat eenvoudiger te stellen. Ds. Bout denkt, dat hij er is, als hij heeft aangetoond, dat de ortnodoxia ook nog wel een ander dan een mechanisch inspiratiebegrip heeft gekend". Nee, dat denkt ds. Bout niet ! Dat heeft hij zeer nadrukkelijk in zijn brochure geschreven. Maar ik heb willen zeggen, dat men ook in de oude tijd wel degelijk begrip had van de vragen, die hier liggen, en dat het al te simplistisch is, te zeggen : al die orthodoxen hadden een mechanisch inspiratiebegrip. Prof. Van Niftrik van als wetenschappelijk man bij nader inzien dat zelf moeten erkennen.

Ik had verwacht, dat prof. Van Niftrik in zijn antwoord waar zou maken, wat op pag. 202 staat van de KI. Dogmatiek : „De orthodoxe overtuiging over de Bijbel was een element van natuurlijke Godskennis". Daar geen ander van de orthodoxen bij name genoemd wordt dan Voetius, zocht ik bij Voetius. In zijn Catechisatie over de H. Catechismus las ik het volgende :

Vraag : Wie verzekert u, dat dat Gods Woord is ?

Antwoord : de H. Geest.

Als dat natuurlijke Godskennis is, dan weet ik niet wat onder natuurlijke Godskennis te verstaan is!

Enfin, ik zal er maar een punt achter zetten.

Eén ding staat dus nu vast : Prof. Van Niftrik  loochent niet de onfeilbaarheid van de H. Schrift. Maar wij weten, dat hij vasthoudende aan de onfeilbaarheid van de H. Schrift, ook vasthoudt aan de stelling, dat de Bijbel een boek is met fouten en vergissingen, aanvechtbaar zelfs in zijn theologische en religieuse inhoud.

Zover zijn we dus gekomen, dat we niet meer weten, wat het woord onfeilbaar inhoudt !

Maar nu over de zondelooshied van Christus in verband met het door mij geponeerde : Prof. Van Niftrik schrijft: Als ds. Bout meent, dat Barth de zondeloosheid van Christus ontkent en als hij meent, dat ik de zondeloosheid van Christus ontken, dan vergist hij zich. Jezus Christus zou nooit de openbaring Gods in deze wereld kunnen zijn. Hij zoude onze Verlosser niet kunnen zijn, als er zonde in Hem gevonden werd. Dat wist ik. In de Dogmatiek van prof. Van Niftrik toch had ik al eerder gelezen (pag. 104) : Jezus Chrisus heeft geen zonde. Toen ik mijn toespraak op schrift stelde, wist ik niet beter dan dat prof. Van Niftrik aan de zondelooseheid van Christus vasthield. Ik vergiste mij dus niet. Ik hield hier prof. Van Niftrik aan zijn eigen redenering. Consekwent doorredenerende, moest hij komen tot de ontkenning van de zondeloosheid van Christus. Hij gaat uit van een apriorisme, waarvoor geen grond is in de Schriften. Wij kunnen de goddelijke en de menselijke natuur van Christus niet scheiden en dat mogen we ook niet. Dat is juist. Op het concilie van Chalcedon is vastgelegd, dat de naturen van Christus ongedeeld en ongescheiden, onvermengd en onveranderd zijn.

Zo vinden we nu het goddelijke onfeilbare Woord nergens anders dan in de menselijk aanvechtbare woorden van de Bijbel, schrijft prof. Van Niftrik. Ook met het oog op de Bijbel staat volgens hem geschreven : Het woord is vlees geworden. Joh. 1 , vers 14 moet dus dienen om de menselijkheid van de Bijbel te bewijzen. En, schrijft prof. Van Niftrik : Het eerste het beste pamflet van De Dageraad kan ons ervan overtuigen, dat er gewoon menselijke fouten en vergissingen in de Bijbel staan. Wij behoeven er ons ook niet voor te schamen : het eeuwige Woord is nu eenmaal vlees geworden.

Met Joh. 1 vers 14 wordt bewezen(!), dat de Bijbel een boek is vol fouten. Het kan niet anders, zegt prof. Van Niftrik, dat de Bijbel een zeer menselijk boek is, d.w.z. een boek vol fouten, aanvechtbaar in zijn theologische en religieuse inhoud.

Dan zou de consekwentie zijn, dat prof. Van Niftrik hetzelfde zeide van Christus. De Heere Jezus een zeer menselijke Verlosser: Schaam u er niet voor. Het Woord is nu eenmaal vlees geworden :

Hij is vol fouten en vergissingen, aanvechtbaar.

En houdt prof. Van Niftrik vast aan zijn paralelie tussen Christus als het vlees geworden en de Bijbel als het Schriftgeworden woord, dan uitgaande van de zondeloosheid van Christus, moet hij consekwent komen tot de onfeilbaarheid van de Bijbel in de zin van feilloosheid.

Als Jezus zonder zonde is, dan kan de Bijbel niet vol fouten en aanvechtbaarheden zijn, als ik tenminste uitga van de redenering van prof. Van Niftrik.

Prof. Van Niftrik vraagt mij, of het ketterij is als hij in de leer van de Schrift ernst maakt met het onvermengd van Chalcedon. Ook hier poneert u zonder meer : Zoals het met Christus is, zo met het Woord Gods. Maar dat is een metabasis eis allo genos ; het is een apriorisme, waarvoor u geen enkele grond uit de Schrift hebt aangevoerd. Trouwens u doet het niet consekwent.

Christus nam een menselijke natuur aan — zonder zonde.

Het eeuwige Woord Gods neemt aan menselijke woorden begrippen en voorstellingen en wordt tot tot Schrift — doch met fouten, aanvechtbaar. Ziedaar de inconsekwentie in het betoog van prof. Van Niftrik.

Ik weet zeer wel, dat achter al de hier behandelde vragen een veel moeilijker probleem ligt. Het is het grote probleem van de Openbaring. Het kan nu eenmaal niet anders dan dat de Bijbel een zeer menselijk boek is en uit het bovenstaande weten we, hoe prof. Van Niftrik dat bedoelt. Maar dat menschelijke wil ik niet ontkennen, het menselijke is niet per sé het zondige, het aanvechtbare, het onvolkomene. Het menselijke en het volkomene sluiten elkaar niet uit! Als God de mens schiep, schiep Hij de mens volmaakt, naar Zijn beeld. Het onvolmaakte kwam eerst door de zonde in ons leven, de opstand tegen God (zoals ook prof. Van Niftrik schrijft, maar zonde is niet de oneindige afstand tussen God en mens, pag. 239 a.w., dan zoude de verlossing betekenen de opheffing van die afstand ! De zonde moet ook niet geloofd worden, zoals ik daar lees, wel de vergeving der zonde. In een artikel van de 10de Juli kwam dat probleem aan de orde. Wij spreken van Vader, Koning, Heerser, Heer. Dat zijn beelden, schrijft prof. Van Niftrik. Zwakke, menselijke beelden zijn het. Het eigenlijke zeggen zij niet — kunnen zij ook niet zeggen, God is nu eenmaal God. Hier komt het grote probleem aan de orde. Is zo een openbaring van God wel mogelijk ? Prof. Van Niftrik legt nadruk op het anders zijn van het beeld, ik leg de klemtoon op het feit, dat de Heere van de hemel dat beeld geeft en zegt: Zo ben Ik. Neen, zegt prof. Van Niftrik, dat kan niet. God is nu eenmaal God. Het eigenlijke ontsnapt ons. Maar dan gevoelen we, waar we terecht komen, bij het agnosticisme, bij de belijdenis: wij weten weinig, te weinig. Heer ! Waar het prof. Van Niftrik om te doen was, zo schrijft hij, is ernst te maken met de goed calvinistische Stelling : finitum non capax infiniti : het eindige kan het oneindige niet bevatten. Ik geloof veel meer, dat deze oude gedachte op de spits gedreven wordt, dat niet verstaan wordt, dat men niet eenzijdig deze stelling mag toepassen, zal er van een positieve Ievensbetrekking tussen God en de mens sprake kunnen zijn. Hier maak ik dankbaar melding van een boek van prof. Hempel : Gott und Mensch im Alten Testament, dat met grote nadruk betoogt, dat het op de spits drijven van deze oud-calvinistische stelling in strijd is met 't gehele Oude Testament. Daar vinden we voortdurend de correlatie van afstandgevoel èn verbondenheid.

Wellicht moet ik het anders zeggen : prof. Van Niftrik keert deze oud-calvinistische stelling om : Het oneindige kan het eindige niet bevatten. Zo wordt de eeuwige Schepper van hemel en aarde buiten Zijn eigen schepping gezet ; Hij is niet meer vrij, maar, en daarin heeft Gogarten volkomen gelijk. Hij is dan een God in isolement, een deus otiosus, een ledig God. Hij kan ons geen andere Bijbel geven dan dat menselijke woord vol fouten. Dat lezen we in een Dogmatiek, die bij de behandeling van het stuk der Openbaring uitgaat van de gedachte, dat wij God niet kunnen narekenen. Zal een mens de Allerhoogste voorschrijven, de mate en de wijze van Zijn Openbaring ? „Over God gaan we spreken in menselijke woorden". Dat is de zaak op de kop gezet . De Heere gaat spreken en wij hebben te luisteren, nederig en deemoedig ons verwonderende over Zijn eeuwige wijsheid, waarover ik alleen maar te klein kan denken, over Zijn onbegrijpelijke genade en liefde, die in Zijn spreken uitkomt, nooit naar waarde te prijzen ! Mijn spreken is niet anders dan napraten, wat de H. Geest mij voorzegt. Durft u, Prof., hetzelfde toepassen op de Heere Jezus Christus ? Waarom dan niet ? Dat ware toch consekwent ? Christus is toch het (menselijke) beeld van de onzienlijke God. Wie Mij gezien heeft, die heeft de Vader gezien. Durft u dan zeggen : het eigenlijke geeft dit menselijke beeld niet ? Calvijn zegt het anders : God maakt Zich in Christus klein om tot ons bevattingsvermogen af te dalen. Bij Calvijn dus enerzijds : finitum non capax infiniti, het oneindige kan het eindige niet bevatten. En anderzijds bij dezelfde Calvijn : Deus se ad captum nostrum remittit. Ik kan niet tot Hem opklimmen, maar Hij wel tot ons afdalen. Dit citaat te vinden C. R. 55, p. 237 ad 1 Pt 1 vs 20).

Nu zoude ik hier kunnen eindigen, indien in het artikel niet een nieuw element werd ingebracht. In zijn antwoord aan mij in de Geref. Kerk, gaat prof. Van Niftrik ten aanzien van de bespreking van de zondeloosheid van Christus een weg op, die mij doet vragen : Heb ik misschien niet te weinig gezegd in mijn referaat ? Is het wel juist, dat thans nog prof. Van Niftrik de zondeloosheid van Christus leert ? Hoor maar, wat prof. Van Niftrik schrijft : „De menswording van Jezus kan ons niet verlossen en bevrijden. Menswording — Gods alleen is een hoon in onze ellende. Alleen de waarachtige vleeswordening is Evangelie. En Barth schrijft (en ik verzoek dr Bout dit citaat aandachtig te lezen) : Hij was geen zondige mens, maar zijn situatie was innerlijk en uiterlijk die van een zondige mens. Iets eerder wordt een woord van Kohlbrugge aangehaald : „Het woord is vlees geworden. Vlees betekent : een verloren mensheid, zondaren en zondaressen heeft God in Zich opgenomen".

De Calvinistische theologie laat Kohlbrugge, zo klaagt prof., in de steek. Op dit punt, ja. Bij Kohlbrugge vinden we elders soortgelijke gedachten: „Niet sterk genoeg kan er de nadruk op gelegd worden, dat er niet staat : Het Woord is mens geworden. Dat zoude inderdaad een groot wonder zijn, dat God mens werd, maar mens worden is iets anders dan vlees worden. Nu zou men kunnen beweren, dat Christus de mensheid van Adam voor de val heeft aangenomen. Dan zou echter onze verlossing een komedie zijn". De fout ligt bij Kohlbrugge en wie hem daarin navolgen in de vergissing, dat men Johannes verklaart uit Paulus. Het Woord vlees in Joh. 1 : 14 mag niet verklaard worden in de zin van Paulus' gebruik van het woord vlees in de brief aan de Romeinen. Een eenvoudige nevenstelling maakt dit duidelijk :

Het Woord is vlees geworden. (Joh. 1 vers 14). Het bedenken des vleeses is vijandschap tegen God ; het bedenken des vleeses is de dood. (Rom. 8 vs. 7). Ik moet me hier bekorten — het artikel is toch al te lang. Ik zou Barth niet gaarne nazeggen het citaat, dat ik aandachtig heb gelezen. Als dat waar is, dan wordt in de tweede zin van Barth de eerste ontkend. De situatie van Jezus was innerlijk en uiterlijk die van een zondige mens. Dus niet Jezus' staat. Maar zijn toestand. En niet uiterlijk in de toestand van een zondig mens, maar ook innerlijk. Als deze woorden enige betekenis hebben, dan deze : Jezus is zondaar geworden, maar in mijn Bijbel lees ik : zonde gemaakt voor ons. Prof. Van Niftrik wil Jezus diep in vlees trekken (doch zonder zonde) ; zo wil hij ook het Woord Gods diep in de menselijke woorden trekken (doch vol fouten, aanvechtbaar). Kan de Heere Jezus Christus zo Hoofd zijn van een nieuwe mensheid. Hoofd van het Verbond, in een. toestand van innerlijk en uiterlijk, die van een zondige mens ?

Maar Rom. 8 vers 3 dan ? Daarop beroept prof. Van Niftrik zich in aansluiting aan Kohlbrugge. Wat schrijft Kohlbrugge echter hierover ? God zond Zijn Zoon in gelijkheid van vlees van zonde èn wegens zonde. Maar stak dan, vraagt Kohlbrugge, zodanige zonde in het vlees van Christus ? De Apostel zegt niet, dat God Zijn Zoon zond in zondig vlees, in vlees van zonde — hij zegt hier (n.l. in Rom. 8 vers 3), dat Hij Hem gezonden heeft in de gelijkheid van vlees van zonde. Zo min de mens, toen God hem schiep naar Zijn beeld en Zijn gelijkenis, zelf God werd, even zo min werd het vlees van Christus, d.i. Christus als waarachtig mens, vlees van zonde. Wanneer ik zeg : Hij is hem gelijk, dan is dat heel wat anders dan : Hij is het ; ik zeg dan, dat hij er zo uitziet als degene, wie hij gelijk is. Christus droeg de gelijkenis van een vlees, dat niets dan zonde aan zich heeft, n.l. als onze Hogepriester en Plaatsbekleder". Ik citeer hier enige zinnen uit een preek van Kohlbrugge, zoals ik die vond in het Amsterd. Zondagsblad 1896, pag. 291. — Hier en daar, ik denk aan wat Stiasny aanhaalt in Die Theologie Kohlbrugges s 58, gaat Kohlbrugge verder en dan is het te vertstaan, dat ondanks alle verzet van Kohlbrugge en zijn vrienden, men Kohlbrugge er van verdacht de zondeloosheid van Christus te verdonkeren. Maar Barth trekt Christus zo neer in het menselijke vlees, dat ik vraag, wat onderscheidt Hem dan van een zondaar. In de gelijkheid van het zondige vlees, zegt Paulus, Rom. 8 vers 3.  Op het woord gelijkheid komt het hier aan. In een vlees, aan dat der zonde gelijk, heeft de nieuwe vertaling van het Nederl. Bijbel Genootschap. Prof. Van Leeuwen (in Korte Verklaring) vertaalt : in de gedaante van zondevlees. Hij voegt er bij : „Dat God Zijn Zoon zond in zondevlees, of in vlees van zonde, kon Paulus niet schrijven, daarom zegt hij in gelijkenis of „gestalte" van zondevlees. Christus kwam niet in zondevlees, d.i. vlees, dat aan de macht en heerschappij der zonde was onderworpen ; dan zoude de zondeloosheid van Christus hier zijn ontkend, maar in gestalte van zondevlees, d.i. in het vlees, dat bij ons zondig en in de macht der zonde is, maar bij Hem vrij van zonde, aan alle zonde vreemd. Hieraan heb ik niets toe te voegen. Breder kan ik op deze dingen nu niet ingaan. Dat zoude n.l. een onderzoek nodig maken naar al de uitdrukkingen, waar bij Paulus het woord gelijkheid (homolooma) voorkomt en wat het verband is tussen Fil. 2 vers 7, waar ook gelijkheid staat, en Rom. 8 vers 3. Het woord vlees in Joh. 1 vers 14 te interpreteren naar Paulus, is onjuist ; we hebben hier terug te grijpen naar het Oude Verbond. Gaan we op grond van deze (foutieve) interpretatie de menselijkheid van de Bijbel (d.i. het aanvechtbare van veel in de Bijbel) bewijzen, dan ligt daarachter (zie boven) dus een dubbele fout.

Neen, Prof., ik ben niet bang voor de menselijkheid van Christus. Ik zoude niet gaarne de Kerk beroven van de ontzaglijke troost, die in die volkomen menselijkheid van Christus ligt opgesloten. Maar wel ben ik bang voor speculatiën, die geen grond hebben in het Woord van God, dat niet kan worden gebroken. En wel ben ik bang voor mensen, die de Bijbel, deze „brief van God aan Zijn schepsel" beduimelen. Of laat ik nu met Kohlbrugge eindigen : Wanneer ik iets van mijn Koning gedrukt lees dan zeg ik : Daar hebben we onze Koning, daar, daar. En daarbij zullen we het moeten laten, dan maken alle duivels zich voor de Christen uit de voeten. Welk een voorzorg Gods en barmhartigheid Gods, dat wij dit woord op papier lezen kunnen en dan kunnen ervaren, waar wij er ons aan houden, wat het doet en is en geeft. Maar de duisternis, hardheid en het onverstand des harten weet dat niet te waarderen. Heeft iemand hier een staatspapier, een wissel of een testament, waarin hem een erfenis vermaakt wordt, dan weet hij goed te vertrouwen op wat op zulk een papier geschreven staat. — De beklagenswaardige gewoonte, die ons eigen is onze begrippen en gevoelens bij het lezen van de schrift in de schrift in te dragen maakt, dat wij het Woord Gods dat zoo wijd van omvang is altijd uitleggen naar de enge gezichtskring waarin wij ons met onze kortzichtigheid bevinden.

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van donderdag 4 september 1947

De Waarheidsvriend | 8 Pagina's

REPLIEK

Bekijk de hele uitgave van donderdag 4 september 1947

De Waarheidsvriend | 8 Pagina's