BELIJDEN en BELEVEN
Gereformeerd Weekblad
Uit bovengenoemd Weekblad d-d. 29 Aug. j.l. nemen wij het volgende artikel van prof. dr. F. W. Grosheide in zijn geheel over:
VRIJHEID.
Een, gezien wat in huidige omstandigheden mogelijk is, groot aantal Nederlanders heeft het vaderland verlaten en in vreemde landen een nieuwe woonplaats gezocht. Een zeer groot aantal Nederlanders staat gereed om hun voorbeeld te volgen. En onder die velen is naar verhouding een groot aantal Gereformeerden. Vraagt men wat de mensen tot landverhuizing drijft, dan ontvangt men geen onduidelijk antwoord. Reeds lang vóór de oorlog spraken boeren en tuinders van de onmogelijkheid om voor hun kinderen een boerderij of tuin te vinden. De bedrijven zijn vaak reeds te klein, in ieder geval, ze kunnen niet verder worden verdeeld. Daar is nu door de oorlog nog iets bijgekomen. Men is zijn vrijheid kwijt. Men kan niet verbouwen, wat men wil, men kan niet kopen en verkopen, wat men wil, men is aan handen en voeten gebonden. De belastingen en de sociale lasten zijn tot een ondragelijke hoogte gestegen, het bedrijf is niet of nauwelijks lonend. Er zit geen muziek meer in, men heeft geen schik meer in zijn werk. En daarom verwacht men het ook niet van de Noord-Oostpolder of van verdere drooglegging van de Zuiderzee.
Wat zo bij boeren en tuinders met hun Gode zij dank nog talrijke gezinnen heel duidelijk naar voren komt, vindt men, zij het dan misschien in wat mindere mate, ook bij andere groepen van onze bevolking. De Nederlander is van oudsher vrijheidslievend geweest en er is geen vrijheid meer. Men kan niet verdienen, om straks een eigen zaak te beginnen, want de belasting haalt alles weg. De Overheid wekt op om te sparen, doch maakt sparen onmogelijk. Men kan niet vooruit komen, men ziet geen uitkomst. Men begeert zich vrij te kunnen bewegen. Nu zou dat alles nog tot daaraan toe zijn, indien de Overheidsmaatregelen een tijdelijk karakter droegen. Ieder verstandig mens begrijpt, dat na een tijd van oorlog en bezetting, als wij beleefd hebben, de omstandigheden moeilijk zijn, dat er hoge belastingen moeten wezen en dat niet alles kan worden vrij gelaten. Maar we leven onder socialistisch bewind en dat wil dwang. Als we van nationaal-socialisme spreken, leggen gewoonlijk de nadruk op het eerste deel der samenstelling en we vereenzelvigen nationaal met Duits. We moeten niet vergeten, dat het nationaal-socialisme ook socialisme is en we hebben ervaren, waartoe de dwang leidt. De grote zaak is, dat velen steeds duidelijker zien, dat zij althans voorlopig in Nederland niet op vrijheid behoeven te rekenen. En zij zoeken vrijheid. Als ze die dan hier niet vinden, gaan ze maar liever naar het buitenland.
In het algemeen reeds, maar in het bijzonder omdat zoveel Gereformeerden bij de landverhuizing betrokken zijn, hebben deze dingen ook voor het kerkelijk leven hun betekenis. Hoe heeft de kerk te staan tegen het vraagstuk van de landverhuizing ? Moeten de ambtsdragers haar aanbevelen of afraden ? Is hier een nog verdere taak ? Zulke vragen zijn zéér moeilijk te beantwoorden.
In het algemeen gesproken kan gezegd worden, dat de Gereformeerde landverhuizers in het nieuwe vaderland er kerkelijk niet op vooruit gaan. Zeker, als men naar Zuid-Afrika trekt of naar een plaats in Amerika waar een Christian Reformed Church is, dan is de zaak in orde. Maar dat zijn de uitzonderingen. In Frankrijk begint een mooi Gereformeerd Kerkelijk leven te komen, doch het wordt slechts met moeite in stand gehouden. Men kan hoogstens eenmaal per Zondag naar de kerk en moet daartoe grote afstanden afleggen. Christelijke scholen voor de kinderen zijn er niet en van catechetisch onderwijs komt weinig of niets terecht. Wat van Frankrijk geldt, geldt ook van Canada, er is Kerkelijk leven, doch het valt niet mee om het mee te leven.
Uit deze dingen volgt, dat de ambtsdragers voorzichtig zullen moeten zijn met het aanraden van landverhuizing. Niet, omdat de Gereformeerde Kerk er kleiner door wordt, dat is ook een zij de van de zaak, doch daarover schrijven we thans niet. Thans denken we aan de broeders en zusters, die niet al te vast in de schoenen staan, aan de jonge mensen die wat willen beleven, aan de avonturiers. Onze Kerken hebben ook wel gezien, dat voorzichtigheid moet worden betracht en de Synodes hebben deputaten benoemd, die het kerkelijk leven in de vreemde hebben te steunen.
Doch er is ook een andere zijde aan de zaak. De prediking der kerk zal de vrijheid van het mensenleven, gelijk die ons in de Schrift wordt gepredikt, met kracht naar voren hebben te brengen en zo pogen moeten invloed uit te oefenen op wat er in ons land gebeurt. Wij wensen de Kerk niet te betrekken in het staatkundige of maatschappelijke leven. We wensen ook niet te prediken, dat dte mens een waarde heeft, waaraan niet mag worden genaakt. Maar we willen wel den mens zien als mens Gods, een mens met de Goddelijke opdracht om de aarde aan zich te onderwerpen en zo den Schepper te eren. We willen de mens ook zien als een, die geroepen is om al zijn krachten en gaven, die God hem schenkt te ontplooien en aldus zijn Maker te verheerlijken. Daartoe is vrijheid nodig, dit kan niet in gebondenheid geschieden. En daarom geloven we, dat de Kerk heeft te spreken over de vrijheid van het mensenleven, dat in gebondenheid zijn taak niet kan vervullen. De vrijheid is een kostbaar goed. Hier is een beginsel in het geding. En de prediking mag niet zwijgen.
Met nadruk onderschrijven wij de roeping der Kerk om te waken over de vrijheid, als een kostbaar goed. Het is niet toevallig, dat de vrijheidszin van ons Nederlandse volk zich in de grote dagen onzer geschiedenis gesterkt heeft aan de gereformeerde religie. Wij denken aan de strijd tegen gewetensdwang en tyrannic, waarin onder leiding van Prins Willem van Oranje de grondslagen van ons volksleven werden gelegd en onze nationale zelfstandigheid werd gevestigd, aan de strijd van de Stadhouder-Koning Willem de Derde tegen de aanmatiging van Lodewijk XIV. Voor een saamleving, waarin het mogelijk is, dat een iegelijk uit zijn arbeid kan leven, is orde en rust nodig. En het is de taak der Overheid orde en rust te handhaven en mogelijk te maken, dat ieder uit zijn arbeid kan leven.
Die orde mag echter de vrijheid niet knotten, maar moet de vrijheid beschermen. Derhalve zal die orde worden gehandhaafd naar de normen van onze levenswet, gelijk die in de geboden des Heeren is geopenbaard. Zij zal haar steun vinden in de erkenning van het allerhoogste Gezag, dat van Godswege nog een klankbodem heeft in het verdorven mensenhart (Rom. 2 : 14 v.).
Zulk een orde waakt over de vrijheid, die de mens nodig heeft om te ademen en zijn krachten in gaven te ontplooien.
Onder de normen van Gods Wet is de Overheid bevoegd en geroepen maatregelen te nemen en wetten te maken naar de omstandigheden gelijk zij nodig en nuttig acht. Doch wanneer zij die norm vergeet en van haar recht en vrijheid gebruik maakt om naar eigen inzicht het volk te regeren, loopt zij gevaar het vrije iniatief te doden en het leven te benauwen.
Terecht heeft prof. Grosheide op de roeping der Kerk gewezen om voor de vrijheid op te komen.
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van donderdag 4 september 1947
De Waarheidsvriend | 8 Pagina's
Bekijk de hele uitgave van donderdag 4 september 1947
De Waarheidsvriend | 8 Pagina's