De Waarheidsvriend cookies

Voor optimale prestaties van de website gebruiken wij cookies. Overeenstemmig met de EU GDPR kunt u kiezen welke cookies u wilt toestaan.

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies zijn verplicht om de basisfunctionaliteit van De Waarheidsvriend te kunnen gebruiken.

Optionele cookies

Onderstaande cookies zijn optioneel, maar verbeteren uw ervaring van De Waarheidsvriend.

Bekijk het origineel

Bijbelkennis en Bijbelgebruik

Bekijk het origineel

+ Meer informatie

Bijbelkennis en Bijbelgebruik

8 minuten leestijd

Onder deze titel schrijft N. G. J. van Schouwenburg in „In de Waagschaal" dd. 27 Aug. j.L, naar aanleiding van een mededeling in een gereformeerd kerkblad aangaande een onderzoek van twéé predikanten naar de Bijbelkennis bij hun catechisanten.

Het resultaat schijnt niet zo rooskleurig. Wij verwonderen ons daarover niet. Ook onze kerkelijke jeugd kent de Bijbel niet meer als oudere generaties, om niet te spreken van hen, die op de scholen geen Bijbelonderwijs ontvangen en thuis geen huiselijke godsdienstoefening, kennen. Van een enkel uur catechisatie gedurende een paar jaar, kan niet worden verwacht, dat dit gemis voldoende wordt aangevuld. Zelfs zijn er vele jonge mensen van Christelijke huize, die gedurende de schooljaren bij het verder gevorderd onderwijs, dat dikwijls buiten de plaats van inwoning moet worden gehaald, niet in de gelegenheid — of zoeken althans geen gelegenheid — om catechetisch onderwijs te volgen. Mogen onder hen nog een groot aantal zijn, die nog belijdenis des geloofs doen, dan behoeft niet gezegd, dat de gewoon­lijk korte voorbereiding het manco niet kan aanvullen.

Daar komt nog iets bij, dat mede tot verklaring kan dienen. Gaan wij enige generaties terug in de litteratuurgeschiedenis om op te merken, hoe een oudere literatuur zowel ten aanzien van de Bijbelkennis als van de klassieken, geheel andere eisen stelde als de moderne. Welk een geheel andere geest ademt deze. De oudsten onder ons, die in hun jeugd met de „mannen van tachtig" in aanraking kwamen, hebben dat meegemaakt.

Wie zich rekenschap geeft van de ontwikkeling van het moderne leven, behoeft zich niet meer te verwonderen over het gebrek aan Bijbelkennis, dat gepaard ging aan een voortgaande inzinking van waarachtig Christelijk leven.

Dit te constateren is niet genoeg, en het te betreuren, omdat ook een bron van levenskracht in ons volk verloren ging, is een aansporing om tot bekering te vermanen. In dit alles tekent zich af, dat ons volk zich van God en Zijn dienst heeft, afgewend.

Hoevelen gaan hun weg door het leven als in onwetendheid van de geestelijke dingen, tot schade van hun ziel.

Men roept om profeten en de stem der profeten, die roept : Keer weder, gij afkerige kinderen, wordt veracht.

Onder de middelen tot verbetering van het gebrek aan Bijbelkennis wordt ook genoemd het opgeven van Bijbelse raadsels in Kerkboden.

Daartegen komt de heer Van Schouwenburg o.i. terecht op. Wij zijn dit met hem eens. De Bijbel is geen puzzle-boek, maar heilig.

Geheel anders staat het met wat genoemde schrijver „misbruik" waagt te noemen, als wij de gehoorzaamheid aan de Heilige Schrifit zoeken, welke hij zelfs „misdadig'' en deels ook „onzinnig" noemt.'

Dit vindt zijn aanleiding in de vraag, die ook aan onze redactie eens werd gesteld, of de vrouw mannenkleding mag dragen. Daarbij werd gewezen op Deuteronomium 22 vers 5.

Deze tekst ziet zonder enige twijfel op een kenmerkende onderscheiding in dracht van man en vrouw.

Volgens de schrijver interesseert deze vraag tal van „ordentelijke kerkmensen totaal niet". Wij zouden haast vragen, of zij om dit gemis aan belangstelling die ordentelijkheid danken.

Als de Heilige Schrift Gods Woord is, kan de eerbied voor Gods Woord niet nalaten op te merken, dat God belangstelling heeft voor een zaak, die de ordentelijke kerkmensen, waarop de schrijver het oog heeft, totaal niet interesseert.

Intussen permitteert de schrijver zich een oordeel over degenen, die dit ernstig nemen, „bepaalde kringen, waar moraal en uiterlijkheid, wettisch Christendom en anachronisme, hoogtij vieren".

Wij vrezen, dat de schrijver even oppervlakkig zijn Bijbel leest, als hij gereed is tot zulke waarderingen en zijn poging om deze anachronisten belachelijk te maken met Schotse Hooglanders en moderne badpakken.

Wat hij verder bijhaalt aangaande het gebod om een leuning op het dak te plaatsen, heeft met het bovengenoemde niets te maken. Dat valt onder een geheel ander hoofdstuk, n.l. het waken tegen bloedschuld. De Israëliet leefde op het dak en wordt door God mede schuldig gesteld, indien door zijn nalatigheid van geen leuning te laten maken, iemand van het dak zou vallen. Dat ligt alzo geheel onder het gebod der liefde, om ook het welzijn onzer naasten te bevorderen.

Met een plat dak op ons huis, heeft dat dus niet van doen, omdat wij daarop niet wonen. Mogelijk heeft de heer v. S. wel eens opgemerkt, dat men een plat dak soms gebruikt om de was te drogen en dat de heer des huizes zo verstandig is geweest daarom een hek te plaatsen. En als die man dat niet doet en nochtans toelaat dat men het dak zulk een bijbestemming geeft, zou hij bloedschuld op zich laden, wanneer bij dat geibruik iemand van het dak viel.

Het begrip anachronisme, wettisch Christendom en uiterlijkheid, is hier wel zeer misplaatst.

Zet niet de gemeente de weg af, waar die is afgebroken, en als het donker is, wordt er een licht bij geplaatst om „ongelukken te voorkomen". Bijbels uitgedrukt en gevoeld, zou men moeten zeggen : om geen bloedschuld op zich te laden.

De Heilige Schrift leert ons dus, dat God een bijzondere zorg bewijst voor het leven van ons en onze medemensen, en dat Hij ons beveelt die zorg in acht te nemen. Hij waakt over het leven en beveelt ons waakzaam te zijn, opdat wij worden opgewekt tot kennis Zijner barmhartigheid in Christus.

In stede van deze dingen belachelijk voor te stellen, zou de schrijver meer blijk gegeven hebben van door Gods Woord geleerd te willen worden, als hij uit de voorstelling van het platte dak en van de stotige os op de door God bevolen voorzorg in haar blijvende betekenis ook voor onze tijd had gewezen. Men denke eens aan het moderne verkeer, aan onbewaakte spoorwegovergangen, e.d.g. En wat de onderscheiding van mannen- en vrouwenkleding aangaat, ook deze heeft een diepere achtergrond. Is het dan de geachte schrijver nooit opgevallen, dat die Heilige Schrift van meet af wijst op de onderscheiden plaats van man en vrouw in dit leven.

Het begint alzo: Man en vrouw schiep Hij ze. Zelfs de schepping van de man wordt weer onderscheiden van die van die vrouw.

Gewisselijk zijn zij beiden mens en deelt de vrouw in de heerschappij, welke de mens werd gegeven, maar die Schrift stelt de man tot drager van de kracht en van de heerschappij.

Dit nu is een onderscheiding, welke de plaats van de man in het leven onderscheidt.

Mogelijk dat de heer v. S. dat voor de moderne tijd niet laat gelden. Hij zal misschien zeggen, dat de Israëliet dat zo zag, maar dat de moderne wereld wijzer is geworden als zij die onderscheiding opheft.

Die wijsheid is wel heel modern, want de „emancipatie der vrouw" is nog niet zo oud.

Maar de apostel Paulus dan? Hij was een Israëliet, zal men mogelijk tegenwerpen. Dat was hij, maar hij was Paulus de geroepen apostel van de Heere Jezus Christus. Hij laat de onderscheiden plaats van man en vrouw in dit leven nadrukkelijk gelden, hoewel hij leert, dat in Christus noch man noch vrouw is.

Is dat van Paulus ook anachronisme, moraal, uiterlijk christendom en wettische vroomheid ?

En waren er in de omgeving van Christus niet voortreffelijke vrouwen, die Hem dienden ? Nochtans wees Hij geen enkele vrouw, maar twaalf mannen tot Zijn apostelen aan.

Ook al anachronisme en wettische vroomheid ?

Wij achten dan dat de Israëliet dank zij de onderwijzing van de Heilige Geest wijs is geweest boven de geest dezer eeuw en dat het Gods wil is, dat de mens niet zal gelijk maken wat God onderscheiden heeft, zo min als de mens mag scheiden, wat God saamgevoegd heeft.

Dat heeft Israël moeten leren, en Christus heeft dat bevestigd, terwijl de moderne mens deze dingen niet acht en „ordentelijke christenen daarvoor totaal geen interesse" hebben.

Indien wij iets meer van de Geest der profetie leren verstaan, zullen wij inzien, dat de gewraakte tekst uit Deuteronomium in de uiterlijkheid, die als een „gruwel" wordt voorgesteld, een ernstige zaak heeft aangeroerd, die met afgoderij gelijk staat.

Het gaat er heus niet om, dat de boerin gruwel bedrijft, als zij haar man gaat helpen bij de koeien en een oude regenjas van haar man omslaat. Ook niet, dat de ouderwetse blokwachtersvrouw, als zij de spoorbomen bediende daarbij de officiële wachthuismantel met bijbehorend hoofddeksel van de man omsloeg. Maar het gaat om de onderscheiding van de plaats van man en vrouw in dit leven, en om de erkenning daarvan om Gods wil.

Het gaat alzo om het kenmerkende in de kleding van man en vrouw, waarin de onderscheiden plaats van man en vrouw typisch uitdrukking aannemen. En dat kan vanzelfsprekend in verschillende tijden en onder verschillende volken geheel eigenaardige vormen aannemen. Zo is in de onderhavige tekst zulk een typisch stuk van de klederdracht bedoeld.

De gruwel zit niet in het typisch kledingstuk, maar in de geest van emancipatie uit de hand Gods en deze kan behalve in de kleding ook in gebruiken en gedragingen tot uiting komen.

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van donderdag 11 september 1947

De Waarheidsvriend | 6 Pagina's

Bijbelkennis en Bijbelgebruik

Bekijk de hele uitgave van donderdag 11 september 1947

De Waarheidsvriend | 6 Pagina's