De Waarheidsvriend cookies

Voor optimale prestaties van de website gebruiken wij cookies. Overeenstemmig met de EU GDPR kunt u kiezen welke cookies u wilt toestaan.

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies zijn verplicht om de basisfunctionaliteit van De Waarheidsvriend te kunnen gebruiken.

Optionele cookies

Onderstaande cookies zijn optioneel, maar verbeteren uw ervaring van De Waarheidsvriend.

Bekijk het origineel

Samuël, een zoon der Wet

Bekijk het origineel

+ Meer informatie

Samuël, een zoon der Wet

FEUILLETON

4 minuten leestijd

EEN VERHAAL UIT HET HEDENDAAGSE PALESTINA

68)

In haar zwaarmoedige ogen kwam een uitdrukking van oprechte en smartelijke deernis. Zij stond op, en wendde zich deemoedig naar de deur. „O mijn heer", riep zij naar binnen, „kom toch eens buiten bij een jongen, die u iets te zeggen heeft." Men kon zien, dat zij bang was hem de kwade tijding zelf te brengen. Er ontstond daar binnen langzaam enige beweging, en een mopperige stem zei : „Dat zal zeker iets ongunstigs zijn ; en toch vraag ik niet om dingen, die, zo zij mij worden bericht, mij verdriet zouden doen." Maar daarop werd de Mohammedaan nu toch zichtbaar. Hij moest diep bukken om door de deuropening te komen. Maar toen richtte hij zich ook dadelijk weer in zijn volle lengte op, en nam Samuel trots en afwachtend waar. Deze herhaalde zijn boodschap, en voegde er nog enige bijzonderheden aan toe. Hij had er ook zijn handen voor nodig, om zich verstaanbaar te maken! Op het gezicht van de man vertrok geen spier. Hij vroeg alleen maar wat nauwkeuriger, waar het was, en sprak toen op bevelende toon enige woorden tot zijn jonge vrouw. Het scheen wel, alsof Chadscha hier niet alleen raad zou moeten schaffen, maar dien ook alleen ten uitvoer zou moeten brengen. Angstig stond zij te verzinnen ; toen werden haar ogen helderder, zij sloop naar binnen en trok het oude kleed naar buiten, dat daar de vloer bedekte. Hij knikte, en Samuel dacht, dat hij haar opdroeg, om met dat kleed vooruit te lopen. Daarna zei hij gelaten tot Samuel : ,,Daar is geen mens, die zijn tijd kan verschuiven ; het is alles, bepaald. Ik heb mijn aangezicht tot Allah opgeheven". Het scheen, dat hij niet van plan was te volgen ; in ieder geval zou dat niet dadelijk gebeuren.

Naast Chadscha rende Samuël ijlings voort. Na enige minuten nam hij de last van haar over, want zij was reeds erg warm en kortademig. Zij stond dat alleen toe, nadat zij een bezorgde blik achter zich had geworpen, waar de waardige gestalte van haar heer-gemaal weer verdwenen was. Met het opgerold kleed op zijn schouders, ging Samuel nu nog sneller voorwaarts.

,,Komt hij niet mee ? " vroeg hij, met zijn hoofd achterwaarts wenkend.

„Waarom ? Het is immers toch al gebeurd, en gij hebt gezegd, dat er hulp genoeg aanwezig is."

„Hoe? Zou hij dan ook niet willen helpen ? Zij is toch zijn vrouw !"

„Het ongeluk is al erg genoeg. Zou hij er nu ook nog grote moeite van hebben ? "

„Het ongeluk is, toch voor haar het grootste."

„Nu ja, dat is waar. Gelooft u, dat zij zal moeten sterven ? "

„Zou je daarom treuren, Chadscha ? "

„Ja zeker ! Zij was goed, en zij was nog sterk. Dan blijf ik alleen staan voor al het werk."

„En hij dan. Said Abbud ? Zou die er niet bedroefd om zijn ? "

„Erg bedroefd. Zij was nog zo sterk, ook al was zij erg mager. Hij zou haar nog niet hebben laten gaan, ofschoon zij het laatst een meisje kreeg, en nu zeker geen kinderen meer krijgen zou."

„Laten gaan ? " riep Samüël verschrikt uit, en hij keek haar eens goed in het nog haast kinderlijke gezicht, dat reeds al de sporen droeg van harde inspanning en van een geknecht bestaan. „Kan hij haar dan wegsturen, als hij dat wil ? "

"Waarom niet ? Als zij de jaren heeft bereikt, kan hij het doen zodra hij wil; alleen moet het goedschiks gebeuren. Zo wil het de profeet. Maar gebeurt het in kwade luim, dan is Allah toch jegens mijn heer vergevend en genadig. Hij kan dus doen, wat hij wil. Als ik geen kinderen krijg, kan hij mij ook wegsturen, als hij dat wil. Allah is alwetend en alwijs !"

„Ben jij daar dan niet bang voor, Chadscha ? "

Zij antwoordde niet onmiddellijk. „O, zij zal zeker sterven." Zij zei dat, alsof zij iemand op een ongeoorloofde list betrapte, die haar zelf zou benadelen. „Wij zullen goed doorlopen. Zij mag niet sterven". Samuël herhaalde zijn vraag.

„O, ik geloof, dat zij een wit gezicht zal krijgen, en geen zwart, want zij was altijd zo goed."

(Wordt vervolgd).

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van donderdag 11 september 1947

De Waarheidsvriend | 6 Pagina's

Samuël, een zoon der Wet

Bekijk de hele uitgave van donderdag 11 september 1947

De Waarheidsvriend | 6 Pagina's