De Waarheidsvriend cookies

Voor optimale prestaties van de website gebruiken wij cookies. Overeenstemmig met de EU GDPR kunt u kiezen welke cookies u wilt toestaan.

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies zijn verplicht om de basisfunctionaliteit van De Waarheidsvriend te kunnen gebruiken.

Optionele cookies

Onderstaande cookies zijn optioneel, maar verbeteren uw ervaring van De Waarheidsvriend.

Bekijk het origineel

Gehoorzaamheid

Bekijk het origineel

+ Meer informatie

Gehoorzaamheid

9 minuten leestijd

In het Weekblad der Ned. Herv. Kerk d.d. 23 Aug. j.l. komt dr. Dokter nog eens terug op hetgeen wij naar aanleiding van zijn artikelen over „de bekende formule" schreven in de nummers van 13, 20, 27 Maart van de Waarheidsvriend.

„Ik was begonnen", zo schrijft hij, „het volgende te zeggen: Gehoorzaamheid aan de Heilige Schrift is niet gehoorzaamheid aan zedelijke normen of redelijke inzichten."

Het ligt nog al voor de hand, dat wij daarin aanleiding vonden tot discussie. Gehoorzaamheid aan de Heilige Schrift is niet gehoorzaamheid aan zedelijke normen ! Alsof de geboden Gods geen zedelijke normen stelden.

En wat de redelijke inzichten aangaat, wij meenden, dat ook ons verstand aan de zedelijke normen van Gods Woord was onderworpen Men denke aan de hoofdsom der geboden : Gij zult liefhebben den Heere uw God met geheel uw ziel en met geheel uw verstand en met al uw kracht.

En op die grond hebben wij gevraagd: Als gehoorzaamheid aan de Heilige Schrift niet is gehoorzaamheid aan zedelijke normen of redelijke inzichten, wat is het dan wel?

Dat nu wekt de verbazing van dr. D. zozeer, dat hij zelfs windmolens en Barthiaanse spoken voor de dag tovert om er over heen te komen. En dat wel benevens een meer zakelijke opmerking, dat de bedoelde zinsnede over de gehoorzaamheid „kennelijk tegen de autonomie der menselijke rede was gericht".

Wij weten dus dat de geachte schrijver zich met die uitdrukking tegen de leer ener autonome rede heeft gezet. Hij heeft klaarblijkelijk bedoeld, dat de gehoorzaamheid aan de Heilige Schrift opkomt uit het geloof, in den Gód der Schrift, en dat zulk een geloof niet is gegrond in het redewezen van de mens.

Welnu, als dat zo is, dan zijn wij het in zoverre eens, maar dan blijft de gehoorzaamheid aan de Heilige Schrift daarmede toch gehoorzaamheid aan zedelijke normen n.l. die zedelijke normen, die God in Zijn Woord stelt in de onderscheidene levensverhoudingen ; t.w. van de mens tot God, en van de mens tot zijn medemens en tot zich zelven. Afgewezen zou dan worden een gehoorzaamheid, die zich zou richten naar het goedvinden van de mens, naar zijn eigenwillige inzichten en bespiegelingen.

Het kan ook zijn, dat de schrijver zich stelt tegen een werkheiligheid, die de zaligheid verwacht uit de werken, omdat hij schrijft, het primaire is niet de gehoorzaamheid aan zedelijke geboden (ook niet aan de rede) maar het geloof! Aangezien de gehoorzaamheid, waarvan hier sprake is, uit het geloof geboren wordt, moet het geloof primair zijn. Maar de gehoorzaamheid mag niet ontbreken als vrucht des geloofs. Hoe anders zal het geloof zijn kracht en werking bewijzen? Dat leert ons ook de catechismus: vgl. Zondag 32 „Aangezien wij uit onze ellendigheid, zonder enige verdienste onzerzijds, alleen uit genade, door Christus verlost zijn, waarom moeten wij dan nog goede werken doen ?"

„Daarom, dat Christus, omdat Hij ons met Zijn bloed gekocht en vrijgemaakt heeft, ons ook door Zijn Heiligen Geest tot Zijn evenbeeld vernieuwt, opdat wij ons met ons ganse leven Gode dankbaar voor Zijn weldaden bewijzen, en Hij door ons geprezen worde. Daarna ook, dat elk bij zichzelven van zijn geloof uit de vruchten verzekerd zij, en dat door onze Godzalige wandel onze naasten ook voor Christus gewonnen worden".

Aangaande de goede werken, zegt dan de Catechismus verder: (Vr. 91) Alleen die uit een waar geloof, naar de Wet Gods, alleen Hem ter ere geschieden, en niet op ons goeddunken, of op mensen inzettingen gegrond zijn.

Hoe dit alles nog weer nader wordt verstaan, kunnen wij leren uit de volgende Zondagen over de Wet en dan is het wel zeer duidelijk, hoe de reformatoren de gehoorzaamheid des geloofs hebben verstaan en dat deze aan de zedelijke normen door God in de Wet gegeven wordt gebonden. Uit dien hoofde blijft het vreemd aandoen, als iemand beweert: „gehoorzaamheid aan de Heilige Schrift is geen gehoorzaamheid aan zedelijke normen."

Het zou verhelderend kunnen werken, als dr. D. zich omtrent deze leer van de Catechismus eens uitsprak; t.w. of hij de gehoorzaamheid des geloofs zo opgevat wil hebben of niet. Dan zou het althans duidelijk kunnen worden, of wij alleen door misverstand dan wel door afwijking in de leer langs elkander heengaan.

En nu die redelijke inzichten. Inderdaad moet er een verband zijn tussen gehoorzaamheid en redelijke inzichten. Het intellectualisme is er op uit aan het redewezen gezag en leiding toe te kennen ook in het zedelijke. M.a.w. het zedelijke te onderwerpen aan de rede. Het behoeft niet meer gezegd, dat dit streven door ons niet wordt verdedigd. Dat weet dr. D. dan ook zeer wel, gelijk hij te kennen geeft, ondanks zijn verbazing. Als wij naar het gebod des Heeren bevolen zijn Hem lief te hebben ook met ons gehele verstand, wordt de gave des verstands daarin niet alleen erkend, maar wordt ook een zedelijke eis aan de dienst dezer gave gesteld.

Wij zouden willen horen van de geachte schrijver: Heeft Calvijn het mis, als hij leert, dat de mens door zijn val ganselijk onbekwaam tot enig goed en geneigd tot alle kwaad is ? Wij menen, dat dit geheel en al in overeenstemming is met de leer der Heilige Schrift. Voorts leert hij, dat God in Zijn genade aan de gevallen mens o.a. ook nog gaven des verstands heeft gegeven in aardse zaken, opdat dit aardse bestaan en een samenleving onder de mensen mogelijk ware. Hij leert echter, dat die mens ten aanzien van de kennis van God en de goddelijke dingen blinder is dan de mollen en nochtans haastelijk geneigd zijn nieuwsgierigheid uit te strekken tot de dingen, die zijn verstand te boven gaan, om te vervallen tot ijdele bespiegelingen en zijn hersenschimmen voor waarheid te houden.

Daarom waarschuwt Calvijn altijd weer tegen zulk een nieuwsgierigheid en ijdelheid. Hij is dus een ijverig bestrijder van het intellectualisme en desniettemin heeft hij anderzijds waardering voor de waarheden, welke soms bij de philosophen gevonden worden. En dat niet uit respect voor de philosophic, maar uit eerbied voor God, omdat Hij ook in wetenschap en kunst gaven des Heiligen Geestes ziet. Waar in de wereld waarheid wordt verkondigd, is dit slechts te danken aan de werking van de Heilige Geest. Dank zij het Woord Gods ons, in de Heilige Schrift geschonken kunnen wij de waarheid van de leugen onderscheiden, als het gaat om de heilige dingen.

Calvijn erkent alzo de werking der menselijke rede als gave Gods, maar ziet haar onder controle der openbaring en gebonden aan de grenzen haar door de openbaring gesteld. Wie de exegeet Calvijn volgt, zal onder de indruk komen van de nauwgezetheid, waarmede hij alle speculatie afsnijdt om zich alleen te bepalen bij het Woord.

Het redewezen en daarmede het redelijk inzicht wordt dus niet zonder meer veroordeeld, alsof het met gelooï en geloofszaken niets van doen had. Dat zal dr. D. naar wij menen, ook niet willen beweren. Dat zou althans tegen hem zelf getuigen, want hoe schrijft hij anders zijn artikelen?

Ook over deze zaken toch kunnen wij slechts naar ons inzicht handelen en trachten dit inzicht te gronden op en te reguleren naar Gods Woord. Ook ons redewezen staat onder de tucht des Woords. En wij menen, dat het bij de gehoorzaamheid aan de Heilige Schrift nu juist om die tucht des Woords gaat bij al ons doen en laten en bij al ons denken, gevoelen en handelen.

In onze ijver om te waken over de belijdenis, dat de Heilige Schrift het Woord van God is, leggen wij er volgens dr. D.te weinig nadruk op, dat het de Heilige Schrift te doen is om Jezus Christus; van Hem getuigen de Schriften. Gehoorzaamheid aan de Heilige Schrift is altijd gehoorzaamheid aan Jezus Christus — en daarmee evenzeer aan God, de Vader, en aan de Heilige Geest, zo wordt ons door dr. D. voorgehouden. Hij gevoelt wel, dat dit een slag in de lucht is en dat het ons te doen moet zijn om de uitnemende kennis van de Heere Jezus Christus, opdat wij mogen behouden worden door Zijn bloed. En voorts, dat God ons door Zijn Woord en Geest wil bekendmaken, hoedanig Hij jegens ons in Zijn grote barmhartigheid is. Daartoe buigt Hij Zich tot ons neder in onze schepselmatige beperktheid om in menselijke woorden en beelden te spreken van de onzienlijke dingen Gods. Daarmede worden de goddelijke dingen niet in één vlak met menselijke meningen en leringen gebracht, want een kind gevoelt het en een heiden heeft er besef van, dat het gaat over verhevene zaken, die van deze wereld niet zijn. Doch als het de Heere God belieft met deze verhevenheden in te gaan in onze menselijke zwakheid, zodat wij deze kunnen vermengen met onze eigenwillige inzichten, zullen wij ons dan niet te meer in acht hebben te nemen, opdat wij het heilige heilig houden en ons onder de tucht van het Woord stellen.

De man, die tegen intellectualisme vecht, stelt de eis, dat wij duidelijk zullen maken, welke de betrekking is van het getuigenis van apostelen en profeten tot Jezus Christus, m.a.w. de betrekking van het Schriftgeworden en van het vleesgeworden Woord Gods. Als iemand dat zo uitdrukt en spreekt van Schriftgeworden en vleesgeworden Woord, schijnt daarin reeds de innigste betrekking aangewezen, die hier kan zijn.

De apostel Petrus betuigt  in zijn eerste brief (1 Petr. 1) dat de Geest van Christus in de profeten was. Dat wordt ons toch niet geleerd, opdat wij zouden speculeren hoe dat mogelijk was, maar, opdat wij in het profetische Woord geloven zouden als in Christus zelf en door die God als de inwendige Leermeester onderworpen willen zijn.

Zo heeft ook Christus aan Zijn discipelen gezegd, dat de HeiHge Geest hen zal indachtig maken alles wat Hij gezegd heeflt. Zij hadden het onderwijs van de Heilige Geest nodig in alles, wat Hij hun gezegd had, zowel door de Profeten als door Zijn heilige mond. En dat zullen allen nodig hebben, die in Hem geloven, opdat zij het Evangelie als een kracht Gods tot zaligheid leren kennen en verstaan.

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van donderdag 11 september 1947

De Waarheidsvriend | 6 Pagina's

Gehoorzaamheid

Bekijk de hele uitgave van donderdag 11 september 1947

De Waarheidsvriend | 6 Pagina's